Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:2322

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 10-07-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 10-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:2322, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201805803/1/A2


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:2322:DOC

201805803/1/A2.Datum uitspraak: 10 juli 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellant],tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 juni 2018 in zaak nr. 17/7913 in het geding tussen:[appellant]ende Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (hierna: de SCG).ProcesverloopBij besluit van 30 mei 2017 heeft de CSG een aanvraag van [appellant] om een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven afgewezen.Bij besluit van 10 november 2017 heeft de CSG het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 6 juni 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.De CSG heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 februari 2019, waar [appellant], bijgestaan door mr. B. Ciçek, advocaat te Breda, en de CSG, vertegenwoordigd door mr. A. Termeulen, zijn verschenen.De Afdeling heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de CSG in de gelegenheid gesteld nadere informatie op te vragen bij het Arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant.Bij bief van 15 maart 2019 heeft de CSG nadere stukken overgelegd.[appellant] heeft hierop bij brief van 22 maart 2019 gereageerd.De Afdeling heeft de zaak op 26 juni 2019 voor de tweede keer ter zitting behandeld, waar [appellant], bijgestaan door mr. B. Ciçek, advocaat te Breda, en de CSG, vertegenwoordigd door mr. A. Termeulen, zijn verschenen.Overwegingen    Inleiding1.    In artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg) is bepaald dat uit het schadefonds uitkeringen kunnen worden gedaan aan een ieder die door een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen.2.    [appellant] stelt op 11 november 2015 slachtoffer te zijn geweest van een geweldsmisdrijf in Breda. Volgens hem is hij slachtoffer geworden van een bomaanslag. Het explosief was geplaatst onder en/of bij de auto van [appellant] met als doel hem van het leven te beroven.3.    [appellant] heeft de CSG verzocht om een uitkering uit het fonds wegens lichamelijk letsel. Door de explosie heeft hij zijn rechteronderbeen en rechterarm verloren. Daarnaast is hij doof aan zijn rechteroor en heeft hij verminderd zicht met zijn rechteroog.4.    Het Openbaar Ministerie (het OM) heeft het onderzoek naar de explosie gesloten, omdat het onderzoek niet heeft geleid tot een verdachte.5.    De CSG heeft de aanvraag afgewezen, omdat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het door hem gestelde opzettelijk gepleegde geweldsmisdrijf zich heeft voorgedaan. [appellant] heeft onvoldoende, objectieve informatie overgelegd over de aanleiding, toedracht en omstandigheden van de explosie. Ook het onderzoek door het OM heeft geen duidelijkheid geboden. Er staat alleen vast dat er een explosie bij de auto van [appellant] is geweest, waarbij de springstof PETN is gebruikt.    Uitspraak rechtbank6.    De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij slachtoffer is geworden van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. Dat [appellant] op 11 november 2015 zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen door een explosie in de nabijheid van zijn auto, betekent nog niet dat hij aan zijn bewijslast heeft voldaan en dat duidelijk is wat er is gebeurd. Letsel of medische verklaringen omtrent het bestaan van letsel, geven nog geen uitsluitsel over de oorzaak daarvan. Daartoe is evenmin voldoende dat hij aangifte heeft gedaan van een geweldsmisdrijf. De inhoud van het volledige proces-verbaal levert geen duidelijkheid over de aanleiding, toedracht en omstandigheden van het voorval. Die aangifte heeft bovendien geleid tot een strafrechtelijk sepot wegens gebrek aan bewijs.    Nadere informatie7.    Ter zitting bij de Afdeling op 13 februari 2019 heeft [appellant] zijn stelling gehandhaafd dat hij slachtoffer is geworden van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. Ter ondersteuning hiervan stelt hij dat hij inzage heeft gekregen in stukken betreffende het onderzoek van het Arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant. In die stukken is, volgens hem, vermeld dat getuigen hebben verklaard dat vlak na de explosie twee auto’s met hoge snelheid en gedimde lichten zijn weggereden. Volgens [appellant] blijkt daaruit dat hij niet zelf betrokken is geweest bij de bomexplosie. De Afdeling heeft daarop de CSG verzocht de geanonimiseerde getuigenverklaringen op te vragen dan wel aan de betrokken OvJ te vragen of hij deze verklaringen kan bevestigen.8.    De CSG heeft op 20 februari 2019 inzage gekregen in alle stukken inzake het onderzoek naar de explosie bij de auto van [appellant]. Daarnaast heeft het parket schriftelijk een inhoudelijke reactie gegeven aan de CSG bij brief van 25 februari 2019.9.    Het OM heeft in de brief van 25 februari 2019 bericht geen volledig afschrift van het dossier te verstrekken. Dit is, volgens het OM, niet in het belang van het onderzoek dat in de toekomst mogelijk wordt heropend. Het is nooit bekend geworden wie verantwoordelijk is voor de ontploffing van het explosief. Daarnaast bevat het dossier gevoeligheden en wordt rekening gehouden met de privacy van getuigen. Het OM heeft de CSG op 20 februari 2019 in de gelegenheid gesteld alle stukken die het onderzoek betreffen in te zien. Het OM heeft desgevraagd aan de CSG, onder meer, de volgende schriftelijke bevestiging gegeven over de situatie ter plaatse na de explosie:"Op 11 november 2015 is de heer [appellant] zwaargewond geraakt bij een explosie in Breda. De ontploffing vond plaats op het trottoir naast de auto van de heer [appellant] ter hoogte van het linker voorwiel. De explosie heeft een krater in het trottoir veroorzaakt. Op het trottoir en het wegdek in de buurt van de krater zijn verschillende gereedschappen en delen geel-wit geweven plastic aangetroffen. Uit onderzoek is niet gebleken dat, behalve de heer [appellant], iemand anders zich in de buurt van de auto bevond op het moment van ontploffing.Uit onderzoek is gebleken dat getuigen hebben gezien dat de verlichting van de Mercedes van de heer [appellant] aan stond voor de explosie. Voor dit model Mercedes was de optie automatisch inschakelbare verlichting niet beschikbaar. Dit betekent dat de heer [appellant] de verlichting zelf handmatig heeft ingeschakeld voordat het explosief tot ontploffing kwam. De autosleutel zat niet in het contact, maar lag op straat in de buurt van de plek waar de explosie plaats had gevonden. Het portier aan de bestuurderskant was geopend.Een getuige is na het horen van de knal naar het balkon gelopen. Deze getuige zag ongeveer een minuut na de knal een auto wegrijden. Voor zijn/haar gevoel reed de auto met haast weg. De auto zou wit zijn. Een andere getuige lag op het moment van de explosie in bed. Na de knal is de getuige uit bed gesprongen om naar buiten te kijken. In eerste instantie zag deze getuige niks. Na ongeveer 10 seconden zag de getuige een metallic grijze auto wegrijden. De auto reeds volgens de getuige redelijk rustig. Beide getuigen hebben geen personen gezien en zeggen niks over (gedimde) autoverlichting. Ze zijn later nogmaals als getuigen gehoord. Ze konden zich ten tijde van dat verhoor niets over de autoverlichting herinneren."Over de informatie in het dossier inzake het forensisch onderzoek heeft het OM het volgende gesteld:"Het geel-wit geweven plastic dat is aangetroffen op de plaats van de ontploffing bleek afkomstig te zijn van een Zeeman-tas. Uit het onderzoek van het NFI is gebleken dat het explosief waarschijnlijk in de Zeeman-tas heeft gezeten. Uit het politieonderzoek is gebleken dat op de bij de plaats van de ontploffing aangetroffen gereedschappen en op delen van de tas enkel het DNA van de heer [appellant] is aangetroffen.Gelet op de verwondingen van de heer [appellant] kan worden gesteld dat hij zich op het moment van de ontploffing dicht bij de linker voorzijde van de Mercedes moet hebben gevonden. Niet kan worden uitgesloten dat de heer [appellant] de tas met het explosief ten tijde van de explosie vast heeft gehad."10.    De CSG handhaaft haar standpunt dat zij over onvoldoende objectieve informatie beschikt om voldoende aannemelijk te achten dat [appellant] op 11 november 2015 slachtoffer werd van een jegens hem opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. De door de getuigen gegeven verklaringen zijn niet eenduidig en bevestigen niet de stelling van [appellant] dat een getuige heeft verklaard dat twee auto’s met hoge snelheid en gedimde lichten zijn weggereden direct na de explosie. Daarbij komt dat de door [appellant] gestelde omstandigheid dat twee auto’s zijn weggereden, niet zonder meer de stelling van [appellant] bevestigt dat degenen die de explosie hebben veroorzaakt, zijn weggevlucht in de auto’s. De CSG wijst er verder op dat de aanwezigheid van gereedschap op de plaats waar het explosief is afgegaan, vragen oproept. [appellant] heeft niet verklaard dat hij gereedschap bij zich had dat hij dan op zijn persoon moet hebben gedragen. Het gereedschap kan niet uit de auto zijn gekomen, omdat de auto niet is ontploft. Een andere mogelijkheid is dat het gereedschap in de tas zat, wat de vraag oproept waarom het in de tas zat. Het ligt niet voor de hand dat een derde met het explosief waarmee hij een aanslag wil plegen gereedschap dat in zijn of haar richting kan wijzen in de tas laat zitten.Voorts wijst de CSG erop dat meerdere getuigen uit de omgeving van [appellant] hebben aangegeven dat hij met meerdere personen problemen had, waaronder zijn ex-vriendin met wie hij een hennepkwekerij exploiteerde.    Wettelijk kader en beleid11.    Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsg:"Uit het fonds kunnen uitkeringen worden gedaan: aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen."12.    Artikel 5 luidt: "Een uitkering kan achterwege blijven of op een geringer bedrag worden bepaald, indien de toegebrachte schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan het slachtoffer of de nabestaande is toe te rekenen."13.    De CSG heeft bij het nemen van beslissingen op verzoeken om uitkering als bedoeld in artikel 3 van de Wsg beslissingsruimte en heeft daaraan invulling gegeven in de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven (versie 1 maart 2017). Volgens paragraaf 1.1.4 van de beleidsbundel hoeft een geweldsmisdrijf niet bewezen te worden, maar moet dit aannemelijk worden gemaakt. De beoordeling bestaat uit de volgende elementen. In de eerste plaats is de feitelijke geweldshandeling van belang. Dit is de handeling waardoor het slachtoffer letsel opliep. Daarnaast moet voor de aannemelijkheid ook de toedracht van het geweldsmisdrijf, de aanleiding ervan en de omstandigheden waaronder het heeft plaatsgevonden voldoende duidelijk zijn. Een eigen verklaring van een slachtoffer is, als dat het enige is, onvoldoende om de aannemelijkheid vast te stellen. Het kan dus zo zijn dat het CSG aanvullende informatie nodig heeft. Dat is ook het geval als er aangifte is gedaan, maar de aangifte geen strafrechtelijk vervolg heeft gekregen. Objectieve aanwijzingen moeten de verklaring van het slachtoffer dan ondersteunen.    Oordeel in hoger beroep14.    Het is aan de aanvrager van een uitkering uit het schadefonds om met voldoende objectieve aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij slachtoffer is geworden van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf (zie de uitspraak van de Afdeling van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1446).15.    Niet in geschil is dat [appellant] op 3 september 2011 het slachtoffer is geworden van een explosie, waarbij gebruik is gemaakt van de springstof PETN en dat hij hierbij zeer zwaar letsel heeft opgelopen.16.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij slachtoffer is geworden van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. De Afdeling overweegt hiertoe als volgt.17.    Dat [appellant] zeer ernstig letsel heeft opgelopen en dat onaannemelijk is dat hij zichzelf zou hebben willen verwonden en dat daarvoor onvoldoende aanwijzingen bestaan, betekent nog niet dat hij aan zijn bewijslast heeft voldaan en dat voldoende duidelijkheid bestaat over de aanleiding, toedracht en de omstandigheden waaronder het incident heeft plaatsgevonden. De uitspraak van de Afdeling van 17 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4575), waarnaar [appellant] heeft verwezen, is voor deze zaak niet relevant. In die zaak waren andere feiten aan de orde en waren er geen aanwijzingen die erop duidden dat de toegebrachte schade mede het gevolg zou kunnen zijn van een omstandigheid die aan de aanvrager om een uitkering is toe te rekenen.18.    Dat [appellant] aangifte heeft gedaan, is onvoldoende voor het oordeel dat [appellant] slachtoffer is geworden van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. De inhoud van het volledige proces-verbaal levert geen duidelijkheid over de aanleiding, toedracht en omstandigheden van het voorval. Die aangifte heeft bovendien geleid tot een strafrechtelijk sepot wegens gebrek aan bewijs.19.    Anders dan [appellant] betoogt, is er geen grond voor het oordeel dat de CSG niet aan de opdracht van de Afdeling heeft voldaan, zoals die ter zitting op 13 februari 2019 is gegeven, omdat de CSG geen volledig afschrift van het dossier heeft overgelegd. De CSG heeft het volledige dossier kunnen inzien, het OM heeft aangegeven geen volledig afschrift van het dossier te verstrekken, maar wel desgevraagd een schriftelijke bevestiging gegeven inzake een aantal punten, waaronder de getuigenverklaringen. Deze verklaringen zijn niet eenduidig en zijn onvoldoende voor het oordeel dat [appellant] slachtoffer is geworden van een jegens hem opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf.20.    [appellant] betoogt tevergeefs dat de conclusies, die de CSG heeft getrokken op basis van de door haar gedane inzage op het parket, niet kunnen worden gecontroleerd en/of geverifieerd. De Afdeling ziet geen grond om niet uit te gaan van de schriftelijke bevestiging van het OM bij brief van 25 februari 2019. Dat, zoals [appellant] stelt, in het herziene rapport van de NFI van 30 augustus 2016, staat vermeld dat de combinatie van waargenomen beschadigingen en de letselbeschrijving niet past bij een ontploffende lading onderin de Zeeman-tas terwijl een persoon rechtop staand de tas bij de handvatten beet, laat onverlet, dat in rapport is vermeld dat dit letsel wel past bij een hurkende persoon. Daarbij komt dat alleen het DNA van [appellant] is aangetroffen op delen van de Zeeman-tas en op de plaats van ontploffing aangetroffen gereedschappen. Daarin ligt geen aanwijzing besloten dat een derde is betrokken bij de ontploffing.21.    Tot slot kan [appellant] niet worden gevolgd in zijn betoog dat de omstandigheid dat het OM niet kan bevestigen dat hij op enigerlei wijze een aandeel in de explosie heeft gehad, zonder meer betekent dat moet worden uitgegaan van de veronderstelling dat hij het slachtoffer is geworden van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. De CSG heeft aan [appellant] mogen tegenwerpen dat objectieve informatie ter ondersteuning van dat standpunt eveneens ontbreekt en hij daarmee niet in aanmerking komt voor een uitkering uit het Schadefonds. Daarbij heeft de CSG mogen betrekken dat de tegemoetkoming uit het Schadefonds een uiting is van solidariteit van de samenleving met het slachtoffer en een erkenning van zijn slachtofferschap. Dit is belangrijk, ook omdat de dader niet zelden onbekend blijft. Juist vanwege de maatschappelijke solidariteit moet voldoende duidelijk zijn wat de toedracht van het geweldsmisdrijf is, wat de aanleiding ervoor was en onder welke omstandigheden het heeft plaatsgevonden.22.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.23.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:bevestigt de aangevallen uitspraak.Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier.w.g. Van Ravels    w.g. Plankenlid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 10 juli 2019299.