Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:2313

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 10-07-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 10-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:2313, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201801768/1/A1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:2313:DOC

201801768/1/A1.Datum uitspraak: 10 juli 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak in het geding tussen:[appellante], wonend te Hengelo,enhet college van burgemeester en wethouders van Hengelo,verweerder.ProcesverloopBij besluit van 9 januari 2018 heeft het college het plaatsingsplan vastgesteld voor de plaatsing van containers voor de inzameling van huishoudelijk afval in de gemeente.Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.[appellante] heeft nadere stukken ingediend.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 november 2018, waar [appellante] en het college, vertegenwoordigd door B. Leferink, H. Fikken en L. Davina, zijn verschenen.Na het sluiten van het onderzoek heeft de enkelvoudige kamer bij beslissing van 16 januari 2019 de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.[appellante] heeft nadere stukken ingediend.De Afdeling heeft de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 22 mei 2019, waar [appellante] en het college, vertegenwoordigd door B. Leferink en H. Fikken, zijn verschenen.Overwegingen1.    In de gemeente Hengelo wordt overgestapt naar een nieuw inzamelingssysteem voor huishoudelijk afval. In verband met de invoering daarvan heeft de raad van de gemeente Hengelo op 19 december 2017 de Afvalstoffenverordening gemeente Hengelo 2018 vastgesteld en heeft het college op 9 mei 2017 het Uitvoeringsbesluit afvalstoffenverordening gemeente Hengelo vastgesteld. Bij het besluit van 9 januari 2018 heeft het college het plaatsingsplan verzamelcontainers vastgesteld, waarin concrete locaties zijn aangewezen waar afval kan worden aangeboden. In deel 1 van het plaatsingsplan zijn de locaties van de ondergrondse restafvalcontainers (hierna: ORAC’s) aangewezen. In deel 2 en deel 3 zijn respectievelijk de locaties van de ondergrondse en de bovengrondse verzamelcontainers voor oud papier en karton, kunststofverpakkingsmateriaal, drankenkartons en blik, glas en textiel aangewezen.2.    Ter zitting van 20 november 2018 heeft [appellante] desgevraagd te kennen gegeven dat haar beroep zich beperkt tot het plaatsingsplan en ter zitting van 22 mei 2019 heeft zij desgevraagd te kennen gegeven dat haar beroep zich niet meer richt tegen de aanwijzing van de containers voor glas en textiel.3.    [appellante] woont in een stapelbouwwoning aan de [locatie]. De voor haar meest dichtbijgelegen ORAC, aangeduid met nummer 7110 (hierna ook: de ORAC), is gesitueerd aan de H. Hartstralaan. Bij deze ORAC kan [appellante] haar huishoudelijk restafval en groente-, fruit- en tuinafval aanbieden. [appellante] betoogt dat de ORAC te ver weg van haar woning is gelegen. Om de ORAC te bereiken dient zij ongeveer 270 m te lopen, onder meer over een grindpad en een houten loopbrug. Op deze delen van de route zal naar verwachting in de winter niet worden geveegd en gestrooid, aldus [appellante]. Vervolgens dient zij een drukke weg zonder zebrapad over te steken.    [appellante] voert verder aan dat de door het college gehanteerde gemiddelde brengafstand tot een ORAC van 250 m niet is gerelateerd aan de afstand tussen iedere woning op zich en een ORAC. Dat heeft tot gevolg dat de brengafstand van 250 m voor een deel van de woningen ruim kan worden overschreden, terwijl gemiddeld alsnog aan dit criterium wordt voldaan omdat andere woningen op zeer korte afstand van een ORAC zijn gelegen. Daarnaast is het volgens [appellante], zo begrijpt de Afdeling uit haar toelichting ter zitting van 22 mei 2019, onduidelijk of de raad heeft ingestemd met de door het college gehanteerde gemiddelde brengafstand van 250 m.3.1.    Bij de keuze voor een locatie voor de plaatsing van inzamelvoorzieningen voor huishoudelijk afval komt het college beleidsruimte toe. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden en de eventueel naar voren gebrachte alternatieve locaties beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid tot zijn keuze heeft kunnen komen.3.2.    Bij het bepalen van de locaties voor de ORAC’s heeft het college als criterium gehanteerd dat de gemiddelde brengafstand naar een ondergrondse container binnen de bebouwde kom 250 m bedraagt.3.3.    Het college stelt zich op het standpunt dat een brengafstand van 250 m aanvaardbaar is voor huishoudelijk restafval en groente-, fruit- en tuinafval. Ter zitting van 22 mei 2019 heeft het college desgevraagd medegedeeld dat de loopafstand tussen de woning van [appellante] en de ORAC ongeveer 205 m bedraagt. [appellante] heeft dit niet betwist.    Verder heeft het college er ter zitting van 20 november 2018 op gewezen dat inwoners die geen gebruik willen of kunnen maken van de ORAC’s een zogenoemde keuzecontainer kunnen aanvragen, die om de acht weken door de afvalinzameldienst wordt geleegd. Voor de keuzecontainer geldt een basistarief van € 24,00 per jaar en een tarief van € 16,50 per leging. Daarnaast is van de zijde van het college meegedeeld dat op termijn een ORAC zal worden geplaatst bij de woningen die ten zuiden van de woning van [appellante] worden gebouwd. Deze ORAC is aanzienlijk dichterbij dan de ORAC op locatie 7110, aldus het college.3.4.    De Afdeling stelt voorop dat de loopafstand tussen de woning van [appellante] en de ORAC minder dan 250 m bedraagt. De locatie is dus niet in strijd met het door het college gehanteerde criterium over de brengafstand. De Afdeling ziet ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat de afstand tussen de woning van [appellante] en de ORAC zodanig groot is dat het college in redelijkheid een andere, meer nabijgelegen locatie had moeten aanwijzen. Weliswaar kan het afleggen van deze afstand zwaar zijn voor bijvoorbeeld mensen die slecht ter been zijn, maar daarin heeft het college, gelet op zijn beleidsruimte en de plaatsingscriteria, geen reden hoeven zien om in het plaatsingsplan een locatie op kortere afstand van de woning van [appellante] aan te wijzen. De Afdeling is verder niet gebleken dat de verkeerssituatie en mogelijke gladheid in de winter op de route van de woning van [appellante] naar de ORAC tot zodanig gevaarlijke situaties kunnen leiden dat het college de locatie voor de ORAC niet in redelijkheid heeft kunnen aanwijzen.    Nu vast staat dat de afstand tussen de woning van [appellante] en de ORAC minder bedraagt dan 250 m, behoeft hetgeen [appellante] aanvoert over de mogelijke overschrijding van de brengafstand van 250 m voor sommige andere woningen, geen bespreking. Het betoog dat onduidelijk is of de raad heeft ingestemd met het criterium over de brengafstand, behoeft evenmin bespreking. Het aanwijzen van locaties voor de plaatsing van ORAC’s is een bevoegdheid van het college, waarbij het zijn eigen beleid mag toepassen. Of de raad daarmee heeft ingestemd is daarom niet van belang.    Het betoog faalt.4.    [appellante] betoogt voorts dat de containers voor oud papier en karton, kunststofverpakkingsmateriaal, drankenkartons en blik eveneens te ver van haar woning zijn gelegen. Het college had ook voor deze afvalstoffen meer nabijgelegen inzamellocaties moeten aanwijzen, aldus [appellante].4.1.    [appellante] en het college hebben ter zitting van zowel 20 november 2018 als 22 mei 2019 verklaard dat naast de ORAC ook containers voor oud papier en karton, kunststofverpakkingsmateriaal, drankenkartons en blik zijn geplaatst.    Onder verwijzing naar overweging 3.4 ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat deze containers op zodanig grote afstand van de woning van [appellante] zijn gelegen dat het college in redelijkheid andere, meer nabijgelegen locaties voor deze bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen had moeten aanwijzen.    Het betoog faalt.5.    Het beroep is ongegrond.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:verklaart het beroep ongegrond.Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. D.A.C. Slump, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, griffier.w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Graaff-Haasnootvoorzitter    griffierUitgesproken in het openbaar op 10 juli 2019531-912.