Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:23

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 07-01-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 04-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:23, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201804022/1/V3


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:23:DOC

201804022/1/V3.Datum uitspraak: 4 januari 2019
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 8 mei 2018 in zaak nr. NL18.7046 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 10 april 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 8 mei 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.W.F. Noot, advocaat te 's-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling heeft nadere stukken ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    De vreemdeling is de Europese Unie illegaal binnengekomen via Italië en heeft eerder asielaanvragen ingediend in Zwitserland en Duitsland. De staatssecretaris heeft krachtens artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening (PB 2013 L 180) Italië verantwoordelijk gehouden voor de behandeling van de door de vreemdeling in Nederland ingediende asielaanvraag. De Italiaanse autoriteiten hebben het terugnameverzoek van 26 januari 2018 op 9 februari 2018 geaccepteerd.
2.    Hetgeen de vreemdeling als eerste en tweede grief heeft aangevoerd, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), met dat oordeel volstaan.
3.    In de derde grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat uit het door hem overgelegde patiëntdossier niet blijkt dat de overdracht aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen zal hebben voor zijn gezondheid, omdat de beschrijving van zijn medische situatie daarin niet is gekoppeld aan de gevolgen van een overdracht.
    Volgens de vreemdeling heeft de rechtbank hiermee niet onderkend dat uit de door hem overgelegde documenten wel degelijk volgt dat het risico bestaat dat zijn gezondheidstoestand door een overdracht aan Italië aanzienlijk en onomkeerbaar achteruitgaat. Hij beroept zich onder meer op de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1159.
3.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2980), volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van 16 februari 2017, C.K. tegen Slovenië, ECLI:EU:C:2017:127, dat niet kan worden uitgesloten dat de overdracht van een asielzoeker met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening op zichzelf een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand kan inhouden. Of dit het geval is, moet volgens het Hof worden beoordeeld bij de beslissing over de overdracht van die asielzoeker of, in het geval van een rechterlijke procedure, wanneer wordt geoordeeld over de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit, omdat de tenuitvoerlegging daarvan tot een onmenselijke of vernederende behandeling van die asielzoeker zou kunnen leiden. Hieruit volgt dat, als een asielzoeker objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen, de staatssecretaris bij het nemen van het overdrachtsbesluit dient te beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen en welke voorzorgsmaatregelen eventueel noodzakelijk zijn bij de overdracht.
3.2.    In beroep heeft de vreemdeling een uitdraai van zijn patiëntdossier van 25 april 2018 overgelegd. Daaruit blijkt dat hij aan een depressie lijdt en suïcidale gedachten heeft en dat hij daarvoor onder behandeling staat.
3.3.    In hoger beroep heeft de vreemdeling een e-mailbericht van een sociaalpsychiatrisch verpleegkundige van 17 mei 2018 en een uitdraai van zijn patiëntdossier van dezelfde datum overgelegd.
    In het e-mailbericht schrijft de sociaalpsychiatrisch verpleegkundige dat zij zich ernstige zorgen maakt over de afloop als de vreemdeling daadwerkelijk moet terugkeren naar Italië. De vreemdeling is het leven letterlijk en figuurlijk moe en ziet geen toekomst. Dit maakt dat de verpleegkundige bij hem vreest voor een balanssuïcide; niet uit manipulatie, maar weloverwogen.
    In het patiëntdossier heeft de behandelaar op 16 mei 2018 vermeld dat reëel suïcidegevaar dreigt op het moment dat de vreemdeling vlak voor zijn gedwongen vertrek staat. De vreemdeling heeft de balans van zijn leven opgemaakt en komt tot de conclusie dat er voor hem geen weg terug is, niet naar zijn land van herkomst en niet naar Italië, waar hij zich heel angstig en onveilig heeft gevoeld. Er is sprake van een hoge Iijdensdruk en fors depressieve klachten. De behandelaar waarschuwt voor suïcidaliteit bij een mogelijke verplichte terugkeer naar Italië en acht de vreemdeling in staat tot een balanssuïcide wanneer het moment van vertrek daar is.
3.4.    Met de onder 3.3. weergegeven informatie zet de vreemdeling het in eerste aanleg bij de rechtbank gevoerde debat voort, zodat artikel 85 van de Vw 2000 er niet aan in de weg staat dat deze informatie bij de beoordeling van het hoger beroep wordt betrokken.
3.5.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat uit de uitdraai van het patiëntdossier van 25 april 2018 niet blijkt dat een overdracht aan Italië aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen zal hebben voor de gezondheid van de vreemdeling. Met de uitdraai van het patiëntdossier en het e-mailbericht van 17 mei 2018 heeft de vreemdeling echter alsnog documenten overgelegd die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen. Daarom moet de staatssecretaris beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen en welke voorzorgsmaatregelen eventueel noodzakelijk zijn bij de overdracht. In het licht van de uitdraai van het patiëntdossier en het e-mailbericht van 17 mei 2018 komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking.
    De grief slaagt.
4.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 10 april 2018 van de staatssecretaris alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb voor vernietiging in aanmerking.
5.    De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 8 mei 2018 in zaak nr. NL18.7046;
III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV.    vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 10 april 2018, V-nummer […];
V.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.536,00 (zegge: vijftienhonderdzesendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier.
w.g. Verheij    w.g. Van Laarvoorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2019
551.