Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:2288

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 08-07-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 08-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:2288, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201805143/1/V1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:2288:DOC

201805143/1/V1.Datum uitspraak: 8 juli 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,appellant,tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 15 mei 2018 in zaak nr. 18/1039 in het geding tussen:[de vreemdeling]ende staatssecretaris.ProcesverloopBij besluit van 12 september 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.Bij besluit van 19 januari 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.Bij mondelinge uitspraak van 15 mei 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A. Kotan, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.Vervolgens is het onderzoek gesloten.Overwegingen1.    De in het hogerberoepschrift opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling eerder bij uitspraak van 5 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2935, beantwoord. Uit de overwegingen van die uitspraak, waarbij de Afdeling blijft en waaraan de grief niet afdoet, vloeit voort dat de grief niet kan leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.2.    Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;III.    bepaalt dat van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een griffierecht van € 508,00 (zegge: vijfhonderdacht euro) wordt geheven.Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.V.T.K. Oei, griffier.w.g. Verheij    w.g. Oeilid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 8 juli 2019670-862.