Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:2

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 02-01-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 02-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:2, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201705766/2/R3


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:2:DOC

201705766/2/R3.Datum uitspraak: 2 januari 2019
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te Nieuwe Pekela, gemeente Pekela,appellant,
en
de raad van de gemeente Pekela,verweerder.
Procesverloop
Bij tussenuitspraak van 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1135 (hierna: de tussenuitspraak) heeft de Afdeling de raad opgedragen binnen 26 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van de raad van 23 mei 2017, waarbij het bestemmingsplan "De Linten, partiële herziening J.R. Stuutstraat F5" is vastgesteld, te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht.
Bij besluit van 25 september 2018 heeft de raad ter uitvoering van de tussenuitspraak het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld.
[appellant] heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, zijn zienswijze over de wijze waarop de gebreken zijn hersteld naar voren gebracht.
De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.
    Overwegingen
Inleiding
1.    De Afdeling heeft in de tussenuitspraak onder 7.8 overwogen dat de termijn die in de laatste volzin van het bij artikel 2 gewijzigde artikel 24, lid 24.1, van de planregels is opgenomen moet zien op de mogelijkheid om een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan in te dienen. Verder heeft de Afdeling in de tussenuitspraak onder 7.9 overwogen dat met de woorden "onherroepelijke inwerkingtreding" in artikel 2 van de planregels onduidelijk is wanneer de termijn aanvangt. Daarnaast heeft de Afdeling in de tussenuitspraak onder 7.10 overwogen dat niet duidelijk is op welke bevoegdheden de termijn voor de verlening van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan betrekking heeft. In artikel 2 van de planregels worden namelijk aan artikel 24, lid 24.1, van de regels van het bestemmingsplan "De Linten" de onderdelen g, b en c toegevoegd, terwijl in de slotzin wordt verwezen naar de bevoegdheden onder g, h en i. Tot slot heeft de Afdeling in de tussenuitspraak onder 7.11 overwogen dat de raad bij het opstellen van de planregel en bij het bepalen van de duur van de opgenomen termijn geen rekening heeft gehouden met de bijzondere aard van de bebouwing op het perceel J.R. Stuutstraat F5 te Nieuwe Pekela (hierna: het perceel) en de belangen van [appellant].
Besluit van 23 mei 2017
2.    Gelet op hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen is het beroep tegen het besluit van 23 mei 2017 gegrond. Dit besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te worden vernietigd.
Besluit van 25 september 2018
3.    Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 25 september 2018 het bestemmingsplan "De Linten, partiële herziening J.R. Stuutstraat F5" gewijzigd vastgesteld. Dit besluit is ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede onderwerp van het geding.
4.    In het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan is artikel 2 van de planregels gewijzigd. Artikel 2 van de planregels bij het op 25 september 2018 vastgestelde bestemmingsplan luidt: "De regels van bestemmingsplan "De Linten", zoals door de gemeenteraad van de gemeente Pekela vastgesteld op 2 juli 2013, blijven van toepassing, met dien verstande dat voor het plangebied de volgende regels worden toegevoegd aan artikel 24:
24.1    Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van:
    g. het bepaalde in artikel 3 lid 2, sub a onder 1 en artikel 3 lid 5, sub a juncto artikel 3 lid 1 ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingszone-afwijkingsgebied':
    1. voor de bouw van gebouwen buiten het bouwvlak mits:
 - de bouw- en goothoogte niet meer dan respectievelijk 6 en 3 m bedragen;
 - de oppervlakte niet meer dan 50 m2 bedraagt;
 - het gebruik van deze bebouwing uitsluitend ten behoeve van de naastgelegen bestemming Bedrijf is toegestaan;
    h. het bepaalde in artikel 3 lid 5, sub a juncto artikel 3 lid 1 ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingszone - afwijkingsgebied':
    1. voor het geheel of gedeeltelijk gebruik van het terrein als parkeergelegenheid voor de naastgelegen bestemming Bedrijf; i. het bepaalde in artikel 4 lid 2, sub a onder 1 ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingszone - afwijkingsgebied':
    1. voor de bouw van gebouwen buiten het bouwvlak, mits:
 - de bouwhoogte niet meer dan 7,5 m bedraagt;
 - de afstand tot de perceelgrens niet minder dan 4 m bedraagt;
Een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld onder g, h en i (gelezen in combinatie met de aanhef) kan worden ingediend tot uiterlijk 2 jaar na afloop van de datum waarop het plan onherroepelijk wordt."
5.    [appellant] stelt in de zienswijze die hij naar aanleiding van het besluit van 25 september 2018 heeft ingediend, dat er bij het vaststellen van de termijn waarbinnen een aanvraag voor een omgevingsvergunning kan worden ingediend onvoldoende rekening is gehouden met de bijzondere aard van de bebouwing op het perceel en zijn belangen. Hij stelt dat hij had verwacht dat gelet op de bijzondere aard van de bebouwing op het perceel de termijn voor het indienen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning verruimd zou worden. Volgens [appellant] is een termijn van vijf jaar redelijk.
5.1.    In paragraaf 2.2 van de plantoelichting staat dat de raad onderkent dat de houtzagerij, de dienstwoning en de houtschuur op het perceel de status van rijksmonument hebben, maar dat dit er niet aan afdoet dat de planschade van [appellant] voldoende anderszins is verzekerd, gelet op de laatste volzin van artikel 2 van de planregels. Ten aanzien van de bijzondere omstandigheden van [appellant] staat in de plantoelichting dat deze omstandigheden evenmin maken dat de planschade onvoldoende anderszins verzekerd is, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 27 april 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT4747.
5.2.    De Afdeling is van oordeel dat raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij heeft aangesloten bij een uit de jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de voornoemde uitspraak van 27 april 2005) af te leiden minimale termijn van 2 jaar na afloop van de datum waarop het plan onherroepelijk wordt waarin een aanvraag voor een omgevingsvergunning kan worden ingediend. In de summiere plantoelichting is de raad onvoldoende ingegaan op de bijzondere aard van de monumentale bebouwing op het perceel en de staat waarin deze bebouwing verkeert, alsmede op de belangen van [appellant], die voor de ontwikkeling van het perceel is aangewezen op de verkoop daarvan. Niet valt in te zien waarom een termijn van 2 jaar gepast is in het licht van deze bijzondere omstandigheden.
6.    Gelet op het vorenstaande heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling wederom geen rekening gehouden met de bijzondere bebouwing op het perceel en de belangen van [appellant] bij het vaststellen van artikel 2 van de planregels. In zoverre is niet voldaan aan de opdracht in de tussenuitspraak.
    Het betoog slaagt.
Conclusie
7.    Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 25 september 2018, voor zover het betreft de zinsnede "een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld onder g, h en i (gelezen in combinatie met de aanhef) kan worden ingediend tot uiterlijk 2 jaar na afloop van de datum waarop het plan onherroepelijk wordt" in artikel 2 van de planregels, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep tegen dit besluit is gegrond, zodat dit besluit in zoverre dient te worden vernietigd.
8.    Nu niet aannemelijk is dat derdebelanghebbenden in hun belangen zouden kunnen worden geschaad, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb op de hierna te melden wijze zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat deze uitspraak ten aanzien van dit planonderdeel in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dit is vernietigd.
    Hierbij betrekt de Afdeling dat in het licht van de bijzondere aard van de bebouwing op het perceel van [appellant], de aard en de status van de opstallen die de verkoop van het perceel bemoeilijken en de omstandigheid dat [appellant] voor de hoogte van zijn pensioen afhankelijk is van de verkoop van het perceel, de raad niet kan volstaan met een termijn van 2 jaar na afloop van de datum waarop het plan onherroepelijk wordt waarin een aanvraag voor een omgevingsvergunning kan worden ingediend. De Afdeling betrekt hierbij ook dat niet is gebleken van dringende omstandigheden die moeten leiden tot een maximale termijn van 2 jaar. Gelet op de specifieke omstandigheden van dit geval acht de Afdeling een termijn van 5 jaar passend.
9.    Uit een oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.
Proceskosten
10.    De raad dient op na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Pekela van 23 mei 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan "De Linten, partiële herziening J.R. Stuutstraat F5" gegrond;
II.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Pekela van 23 mei 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan "De Linten, partiële herziening J.R. Stuutstraat F5";
III.    verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Pekela van 25 september 2018 tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "De Linten, partiële herziening J.R. Stuutstraat F5" gegrond;
IV.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Pekela van 25 september 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "De Linten, partiële herziening J.R. Stuutstraat F5", voor zover het betreft de zin "Een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld onder g, h en i (gelezen in combinatie met de aanhef) kan worden ingediend tot uiterlijk 2 jaar na afloop van de datum waarop het plan onherroepelijk wordt" in artikel 2 van de planregels;
V.    bepaalt dat aan artikel 2 van de planregels een nieuwe zin wordt toegevoegd die als volgt luidt: "Een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld onder g, h en i (gelezen in combinatie met de aanhef) kan worden ingediend tot uiterlijk 5 jaar na afloop van de datum waarop het plan onherroepelijk wordt";
VI.    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 25 september 2018, voor zover vernietigd;
VII.    draagt de raad van de gemeente Pekela op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen IV., V. en VI. worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;
VIII.    veroordeelt de raad van de gemeente Pekela tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.335,77 (zegge: dertienhonderdvijfendertig euro en zevenenzeventig cent), waarvan € 1.280,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IX.    gelast dat de raad van de gemeente Pekela aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, griffier.
w.g. Kranenburg    w.g. Laplid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2019
288-867.