Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:1895

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-06-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 12-06-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:1895, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201804734/1/R1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:1895:DOC

201804734/1/R1.Datum uitspraak: 12 juni 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak in het geding tussen:CNC Grondstoffen B.V. en anderen, gevestigd onderscheidenlijk wonend te Milsbeek, gemeente Gennep (hierna tezamen: CNC en anderen),appellanten,ende raad van de gemeente Gennep,verweerder.ProcesverloopBij besluit van 12 maart 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Kampveld Milsbeek" vastgesteld.Tegen dit besluit hebben CNC en anderen beroep ingesteld.De raad heeft een verweerschrift ingediend.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 april 2019, waar CNC en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], bijgestaan door mr. M. Klijnstra en mr. A.M. Scharff, beiden advocaat te Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door mr. S. Peters en mr. M. Niesink, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde C], bijgestaan door mr. B. de Haan, advocaat te Arnhem, gehoord.OverwegingenInleiding1.    Het plan voorziet in twee woonwerkkavels en twee woonkavels ten zuiden van de kern Milsbeek. Binnen het plandeel met de bestemming "Bedrijf" met de functieaanduiding "bedrijfswoning" en het plandeel met de bestemming "Wonen" met de functieaanduiding "bouwvlak" voorziet het plan in de bouw van respectievelijk bedrijfswoningen en vrijstaande woningen met bijbehorende bouwwerken. In de huidige situatie bestaat het plangebied uit een weiland zonder bebouwing. [belanghebbende] is de initiatiefnemer van het plan.2.    CNC is eigenaar van de percelen in de directe nabijheid van het plangebied aan Ovenberg 21 te Milsbeek en exploiteert ter plaatse een bedrijf dat dekaarde produceert voor de champignonteelt. CNC kan zich niet verenigen met het plan en vreest onder andere voor een beperking in haar bedrijfsvoering. Voorts is beroep ingesteld door natuurlijke personen die allen wonen in de nabijheid van het plangebied aan het Sprokkelveld (hierna: de bewoners van het Sprokkelveld). Zij richten zich voornamelijk tegen het plandeel met de bestemming "Wonen" en vrezen voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat onder meer in de vorm van een vermindering van hun uitzicht en privacy.Intrekking beroepsgronden3.    Ter zitting heeft CNC de beroepsgrond dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, omdat de raad de ontwikkeling waarin het onderhavige plan voorziet niet heeft kunnen realiseren met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in artikel 24, lid 24.1, sub b, van de planregels van het bestemmingsplan "Ovenberg-Sprokkelveld 2005", door de raad vastgesteld bij besluit van 17 september 2007, ingetrokken. Ook de beroepsgrond over de begripsomschrijving "Woning" in artikel 1, lid 1.65, van de planregels en de beroepsgrond dat het plan niet in bedrijfsbebouwing voorziet maar in de realisatie van vier woningen zijn ter zitting ingetrokken.Bijlage4.    De relevante wettelijke bepalingen en planregels die ten grondslag liggen aan de hierna volgende rechtsoverwegingen, zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.Toetsingskader5.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.Het beroep voor zover ingesteld door CNCPlangrens6.    CNC voert aan dat de raad ten onrechte de gronden uit het onderhavige plan niet in één plan heeft opgenomen met de gronden uit het bestemmingsplan "Ovenberg-Sprokkelveld 2018", inmiddels door de raad vastgesteld bij besluit van 29 oktober 2018. Nu de raad ervoor heeft gekozen om een bestemmingsplan vast te stellen dat uitsluitend ziet op dit plangebied, is het niet mogelijk om de ruimtelijke gevolgen van dit plan in samenhang met de ontwikkelingen waarin het bestemmingsplan "Ovenberg-Sprokkelveld 2018" voorziet integraal te beoordelen, aldus CNC. Volgens CNC is er een onlosmakelijke samenhang tussen het gebied van het bestemmingsplan "Kampveld Milsbeek" en haar bedrijfsvoering ter plaatse van de aangrenzende percelen van dit plangebied, waar het bestemmingsplan "Ovenberg-Sprokkelveld 2018" van kracht is. In dit verband betoogt zij dat de onlosmakelijke samenhang volgt uit de gevolgen die het onderhavige plan heeft voor de bedrijfsvoering van CNC.6.1.    Zoals CNC ook erkent, komt de raad beleidsruimte toe bij het bepalen van de begrenzing van een bestemmingsplan. Deze ruimte strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen CNC heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij betrekt de Afdeling dat niet aannemelijk is dat tussen de gronden uit het onderhavige plangebied en de gronden uit het bestemmingsplan "Ovenberg-Sprokkelveld 2018" een zodanige samenhang bestaat, dat de raad de begrenzing van dit plangebied niet afzonderlijk heeft kunnen vaststellen. De enkele omstandigheid dat, zoals CNC ter zitting heeft betoogd, aan het zuidelijke perceel van CNC in het bestemmingsplan "Ovenberg-Sprokkelveld 2018" een andere functieaanduiding is toegekend dan in het voorheen geldende bestemmingsplan "Ovenberg-Sprokkelveld 2005", vastgesteld bij besluit van 17 september 2007, is daarvoor ontoereikend. Hierbij neemt de Afdeling voorts in ogenschouw dat, zoals de raad onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 8 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:600, heeft toegelicht, dit plan een ander karakter heeft dan het bestemmingsplan "Ovenberg-Sprokkelveld 2018", aangezien het laatstgenoemde plan ondanks de toevoeging van een functieaanduiding hoofdzakelijk conserverend van aard is en het onderhavige plan een nieuwe ontwikkeling mogelijk maakt.    Het betoog faalt.Omgevingsverordening Limburg 20147.    CNC voert aan dat niet is aangetoond dat behoefte bestaat aan de voorziene bedrijfswoningen binnen het plandeel met de bestemming "Bedrijf". Volgens CNC heeft de raad niet kunnen volstaan met een verwijzing naar de brief van NVM Makelaar A.J.P. Poels, van 17 mei 2016, waarin de behoefte aan de uitbreiding van het bedrijventerrein buiten beschouwing is gelaten. In dit verband betoogt zij tevens dat de uitbreiding van het bedrijventerrein Ovenberg in strijd is met artikel 2, lid 2.4.5, eerste lid, van de Omgevingsverordening Limburg 2014 (hierna: OL 2014), door provinciale staten van Limburg vastgesteld bij besluit van 12 december 2014, zoals geldend ten tijde van het nemen van dit besluit. Volgens CNC wordt evenmin voldaan aan de bestuursafspraken, zoals vastgesteld in bijlage 1 bij de OL 2014, aangezien er geen regionale afstemming heeft plaatsgevonden. Daarnaast voert zij aan dat de realisatie van bedrijfswoningen op een bedrijventerrein eveneens in strijd is met provinciaal beleid, hetgeen volgens CNC door de raad in de nota van inspraak wordt onderkend.7.1.    De raad heeft toegelicht dat binnen de gemeente Gennep geen andere bouwkavels beschikbaar zijn ten behoeve van zogenoemde woonwerkunits. Volgens de raad is voor kleinschalige ontwikkelingen, zoals de onderhavige ontwikkelingen, maatwerk mogelijk. Voorts wijst de raad erop dat de behoefte aan het voorziene bedrijventerrein samenhangt met de aantrekkende economie. Het plangebied ligt dusdanig ingeklemd tussen het bestaande bedrijventerrein Ovenberg en de bestaande woningen aan het Sprokkelveld, dat de beschikbare ruimte logischerwijs slechts kan worden ingevuld als overgangsgebied tussen de woningen aan het Sprokkelveld en de bedrijven aan de Ovenberg, aldus de raad. Verder heeft de raad toegelicht dat het onderhavige plan geen verstoring van de markt voor bedrijventerreinen tot gevolg heeft en in overeenstemming is met de eisen van een goede ruimtelijke ordening, nu het plan slechts voorziet in een kleine oppervlakte aan bedrijfsbestemming in milieucategorie 1 en 2. Ook wijst de raad erop dat, anders dan CNC blijkbaar veronderstelt, het plan niet voorziet in standaard bedrijfswoningen, maar in woonwerkkavels met een lage milieucategorie in het omgevingstype "gemengd gebied" als bedoeld in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten uit 2009 (hierna: de VNG-brochure). Daarnaast heeft de raad in aanmerking genomen dat ten aanzien van de behoefte aan kavels met lichte bedrijvigheid en bedrijfswoningen geen provinciale, dan wel regionale prognose bestaat. Onder verwijzing naar de uitspraak van 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:228, heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat de ontwikkelingen op de arbeids- en bedrijfsruimtemarkt wijzen op een groeiende behoefte aan woonwerkunits en uit gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek blijkt dat sprake is van een forse landelijke groei van eenpersoonsbedrijven. Tot slot heeft de raad toegelicht dat het onderhavige plan de vitaliteit en aantrekkelijkheid van het gebied vergroot en leidt tot creatieve vormen van meervoudig ruimtegebruik binnen een overgangsgebied.7.2.    In hetgeen CNC heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de behoefte aan de voorziene woonwerkkavels met twee bedrijfswoningen binnen het plandeel met de bestemming "Bedrijf" onvoldoende is onderbouwd. De Afdeling ziet in het aangevoerde evenmin grond voor het oordeel dat het plan in strijd is met artikel 2.4.5, eerste lid, van de OL 2014. In dit verband is niet zonder betekenis dat volgens de toelichting bij dit artikel een beperkte uitbreiding van bestaande terreinen voor reeds op het terrein gevestigde bedrijven of lokale, solitair gevestigde bedrijven onder voorwaarden mogelijk is via maatwerk en met een goede onderbouwing. Voorts neemt de Afdeling hierbij in aanmerking dat de raad overeenkomstig de bestuursafspraken, behorend bij artikel 2, lid 2.4.5, van de OL 2014, heeft voldaan aan de verplichting om als eerste partij de behoefte aan de voorziene ontwikkeling aan te tonen.    Het betoog faalt.Planregels8.    CNC betoogt dat in de planregels onduidelijkheden en tegenstrijdigheden voorkomen. Hiertoe voert zij aan dat in de aanhef van artikel 5, lid 5.2.4, wordt verwezen naar "artikel 4.1", terwijl in artikel 4.1 van de planregels de bestemmingsomschrijving voor de gronden met de bestemming "Groen" is opgenomen. Verder betoogt CNC dat in artikel 5, lid 5.3.1, aanhef en onder b, van de planregels verwezen wordt naar "artikel 4.2.2", terwijl artikel 4 betrekking heeft op de bestemming "Groen" en artikel 4.2.2 niet bestaat. Ook wijst zij erop dat in de aanhef van artikel 8, lid 8.2.1, van de planregels wordt verwezen naar "artikel 8 lid 1" in plaats van naar "artikel 8.2".8.1.    Ten aanzien van de verwijzingen naar "artikel 4.1", "artikel 4.2.2" en "artikel 8 lid 1" in de aanhef van artikel 5, lid 5.2.4, artikel 5, lid 5.3.1, aanhef en onder b, van de planregels en in de aanhef van artikel 8, lid 8.2.1, van de planregels, overweegt de Afdeling dat deze verwijzingen een kennelijke verschrijving betreffen. Er kan naar het oordeel van de Afdeling redelijkerwijs geen onduidelijkheid over bestaan dat de raad met voornoemde verwijzingen artikel 5, lid 5.1, artikel 5, lid 5.22, van de planregels en artikel 8, lid 8.2, van de planregels heeft bedoeld. Het voorgaande geeft de Afdeling onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat het besluit in zoverre niet zorgvuldig is genomen.    Het betoog faalt.Geluid9.    CNC betoogt dat de in het plan voorziene bedrijfswoningen binnen het plandeel met de bestemming "Bedrijf" leiden tot een belemmering van hun bedrijfsvoering. Hiertoe voert zij aan dat in het rapport "Akoestisch onderzoek ten behoeve van bouwplan ‘Kampveld’ te Milsbeek" (hierna: het geluidonderzoek), van 21 juli 2017, opgesteld door Adromi Groep, niet van de maximale representatieve bedrijfssituatie wordt uitgegaan, zodat de geluidbelasting ten gevolge van het bedrijf van CNC in feite groter is. Onder verwijzing naar de contra-expertise van Royal Haskoning DHV, "Second opinion akoestisch onderzoek 2e bouwplan "Kampveld" te Milsbeek Grondbedrijf CNC Milsbeek" (hierna: de second opinion), van 5 juni 2018, voert CNC aan dat het geluidonderzoek ten onrechte uitgaat van een Hinderwetvergunning uit 1992 met bijbehorend rapport van Royal Haskoning uit 1991 en voorts in het geluidonderzoek ten onrechte toepassing is gegeven aan de geluidnormen uit tabel 2.17c van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit), nu de twee noordelijke kavels binnen het plangebied niet zijn gelegen op een bedrijventerrein. Ook wijst CNC erop dat het in het geluidonderzoek gehanteerde geluidmodel niet voldoet aan het R > 1,5D criterium uit de "Handleiding meten en rekenen industrielawaai" uit 1999 (hierna: de Handleiding), aangezien de rekenpunten dichtbij de inrichting zijn geprojecteerd. Verder voert CNC aan dat het geluidonderzoek ten onrechte uitgaat van een "gemengd gebied", zoals bedoeld in de VNG-brochure en in het geluidonderzoek is nagelaten om de emissies van trillingen en piekgeluiden te onderzoeken.9.1.    Ten aanzien van het betoog dat in het geluidonderzoek niet is uitgegaan van een representatieve bedrijfssituatie, overweegt de Afdeling als volgt. In het geluidonderzoek is wat betreft de vergunningssituatie de Hinderwetvergunning uit 1992, een veranderingsvergunning uit 1995, een melding in de zin van artikel 8.19 van de Wet milieubeheer uit 1998 voor het plaatsen van een wateropslagbassin en een ambtshalve verleende vergunning uit 2003 als uitgangspunt gehanteerd. De raad heeft toegelicht dat op grond van het bestemmingsplan "Ovenberg-Sprokkelveld 2005" op het zuidelijke perceel van CNC bedrijvigheid tot en met milieucategorie 2 was toegestaan. De milieurechtelijk toegelaten situatie is ruimer dan de planologisch toegelaten situatie, nu de Hinderwetvergunning uit 1992 wat betreft de bedrijfsvoering uitgaat van bulkopslag van veen in de buitenlucht op het zuidelijke perceel van CNC, aldus de raad. In het licht van het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de bedrijfsactiviteiten die zijn betrokken in het geluidonderzoek, niet in redelijkheid als de representatieve bedrijfssituatie heeft kunnen aanmerken.De door CNC - kort voor de vaststelling van het plan - ingediende melding op grond van het Activiteitenbesluit is voor de Afdeling geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Hierbij neemt de Afdeling in ogenschouw dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in haar uitspraak van 26 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2718, aan een milieuvergunning geen planologische rechten kunnen worden ontleend. De raad dient de milieuvergunning evenwel te betrekken bij de belangenafweging die hij in het kader van het vaststellen van het plan dient te maken. In de notitie van Adromi Groep, van 20 maart 2019, staat dat de raad de inhoud van de melding in die zin heeft betrokken bij de belangenafweging, nu in het geluidonderzoek rekening is gehouden met het feitelijke gebruik van het zuidelijke perceel van CNC voor de bulkopslag van veen in de buitenlucht. CNC heeft niet aannemelijk gemaakt dat het geluidonderzoek, dat door de raad aan het plan ten grondslag is gelegd, niet uitgaat van de representatieve bedrijfssituatie.9.2.     Wat betreft het betoog van CNC dat de raad ten aanzien van de bedrijfswoningen binnen het plandeel met de bestemming "Bedrijf" ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 2.17c van het Activiteitenbesluit, acht de Afdeling de keuze van de raad om, gelet op de ligging van de bedrijfswoningen op een bedrijventerrein, ten aanzien van het beschermingsniveau van de bedrijfswoningen aansluiting te zoeken bij de geluidnormen van tabel 2.17c van het Activiteitenbesluit, niet onredelijk. Rondom de percelen van CNC en het plangebied ligt een cluster van aaneengesloten percelen met overwegend de bestemming "Bedrijventerrein". Gelet op het voor die percelen geldende bestemmingsplan "Ovenberg-Sprokkelveld 2005" en de bedrijfsbestemmingen die in dat bestemmingsplan aan de omliggende percelen zijn gegeven, voldoen deze percelen aan de definitie van "bedrijventerrein", zoals bedoeld in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit. Op grond van artikel 2.17, eerste en derde lid, van het Activiteitenbesluit gelden voor gevoelige gebouwen op een bedrijventerrein de geluidnormen die zijn opgenomen in tabel 2.17c van het Activiteitenbesluit.    Ten aanzien van het betoog van CNC dat aangesloten had moeten worden bij de geluidnormen voor het omgevingstype "rustige woonwijk" in de VNG-brochure, overweegt de Afdeling als volgt. Gelet op de ligging van het plangebied nabij een bedrijventerrein, de lintbebouwing en gelet op de diversiteit van de aanwezige functies in de directe omgeving, heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling mogen uitgaan van het omgevingstype "gemengd", zodat de richtafstanden met één afstandsstap kunnen worden verlaagd. Gelet hierop slaagt het betoog van CNC en anderen dat sprake is van het omgevingstype "rustige woonwijk" niet.9.3.    Ten aanzien van het betoog van CNC dat het geluidonderzoek ondeugdelijk is omdat trillinghinder en piekgeluiden ten onrechte niet zijn meegenomen in het geluidonderzoek, overweegt de Afdeling als volgt. In de notitie van Adromi Groep "Beoordeling second opinion geluid c.a.", van 20 maart 2019 (hierna: de notitie van Adromi), staat dat er binnen een afstand van 30 m van het plangebied geen functies zijn die trillingen veroorzaken. Het rijden van vrachtwagens en shovels op het buitenterrein zal wat betreft het aspect trillingen slechts voelbaar zijn binnen een afstand van ongeveer 10 m van woningen die niet volgens de huidige stand van de techniek gefundeerd zijn. Nu de in de second opinion aangehaalde activiteiten op een afstand van ongeveer 60 m dan wel 70 m van het plangebied plaatsvinden en het terrein van CNC voorzien is van betonnen of een hiermee vergelijkbare verharding die niet snel trillingen doorgeven, vormt het aspect trillingen geen belemmering voor de voorziene ontwikkeling, aldus de notitie van Adromi. Voorts heeft de raad toegelicht dat, anders dan CNC stelt, in het geluidonderzoek bij de berekening van de verwachte maximale geluidbelasting de piekgeluiden vanwege vrachtwagens en shovels zijn meegenomen. Ten aanzien van het betoog van CNC dat de modellering voor de geluidbron in het geluidonderzoek niet voldoet aan het R > l,5 d criterium van de Handleiding, staat in de notitie van Adromi dat zowel de geluidbron 136 als de geluidbron 135 de rijroute over het zuidelijke perceel van CNC vertegenwoordigt zodat de lengte van het brongebied D = 95/2= 48 m bedraagt en de afstand van geluidbron 136 tot rekenpunt 001 95 m is. Laatstgenoemde afstand is groter dan 1,5*48 = 72 m. CNC heeft niet aannemelijk gemaakt dat voornoemde modellering voor de geluidbron geen stand kan houden. Hetgeen CNC heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het geluidonderzoek zodanige onjuistheden of leemten in kennis vertoont dat de raad het geluidonderzoek niet in redelijkheid aan het plan ten grondslag heeft kunnen leggen. In het bijzonder bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad geen genoegen had mogen nemen met het onderzoek, omdat het te gebruiken model, zoals CNC betoogt, een (nog) grotere mate van gedetailleerdheid had moeten hebben.    Het betoog faalt.Het beroep voor zover ingesteld door de bewoners van het SprokkelveldVerkeer10.    De bewoners van het Sprokkelveld betogen dat het plan zal leiden tot een onaanvaardbare verkeerssituatie. Zij voeren hiertoe aan dat met name ter plaatse van de woning aan het Sprokkelveld 44 sprake zal zijn van verkeersoverlast als gevolg van in- en uitrijdend verkeer van en naar het plangebied.10.1.    Ten behoeve van het plan is onderzoek verricht naar de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai, waarbij tevens de verkeersaantrekkende werking vanwege de vier vrijstaande (bedrijfs)woningen en de ter plaatse van de noordelijke twee kavels toegestane kleinschalige bedrijvigheid is beschreven. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Kampveld (ong) te Milsbeek in de gemeente Gennep" (hierna: het verkeersrapport), van 28 augustus 2017, dat is opgesteld door onderzoeksbureau Econsultancy. Onder verwijzing naar dit verkeersrapport stelt de raad zich op het standpunt dat de voorziene ontwikkeling een beperkt verkeersaantrekkende werking heeft, aangezien het aantal verkeersbewegingen van 100 naar 140 bewegingen zal toenemen als gevolg van de voorziene ontwikkeling en het aantal vrachtverkeersbewegingen ten opzichte van de bestaande situatie toeneemt van 2 naar 3 bewegingen per etmaal. In dit kader heeft de raad voorts toegelicht dat van de 40 extra verkeersbewegingen 30 verkeersbewegingen via de Ovenberg plaatsvinden en de overige 10 verkeersbewegingen naar verwachting worden afgewikkeld via het Sprokkelveld. De bewoners van het Sprokkelveld hebben geen feiten of omstandigheden aangedragen op grond waarvan moet worden getwijfeld aan de juistheid en volledigheid van het verkeersrapport. De Afdeling ziet, gelet op het vorenstaande, in hetgeen de bewoners van het Sprokkelveld hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan geen onaanvaardbare verkeerstoename op het Sprokkelveld tot gevolg heeft.    Het betoog faalt.Waterhuishouding11.    De bewoners van het Sprokkelveld vrezen voor onaanvaardbare wateroverlast op hun percelen als gevolg van het plan. Hiertoe voeren zij aan dat onduidelijk is wat de gevolgen van het plan zijn wat betreft het aspect water. In dit verband wijzen zij erop dat de verharding en verbreding van het Kampveld ten onrechte niet meegerekend zijn bij de toename van de oppervlakteverharding als gevolg van het plan. Voorts voeren de bewoners van het Sprokkelveld aan dat met artikel 3, lid 3.3, onder b, van de planregels, waarin staat dat niet verontreinigd hemelwater binnen het plangebied dient te worden opgevangen en geïnfiltreerd dan wel gebufferd dient te worden, niet geborgd is dat de benodigde ontwateringsvoorzieningen zullen worden gerealiseerd en dat het plan niet leidt tot wateroverlast. Ter zitting hebben zij in dit verband betoogd dat onduidelijk is of niet verontreinigd hemelwater binnen het gehele plangebied dient te worden opgevangen of binnen een woonkavel.11.1.    De Afdeling stelt vast dat in de plantoelichting een waterparagraaf is opgenomen als bedoeld in artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit ruimtelijke ordening. Daarin staat dat de voorziene ontwikkeling binnen het plangebied leidt tot een toename van het verharde oppervlak met ongeveer 2.744 m² ten opzichte van de bestaande situatie. Het hemelwater dat op de erfverharding valt zal direct infiltreren in de naastgelegen onverharde delen, zodat bij het bepalen van de inhoud van de bergingsvoorziening de geschatte 953 m2 aan verhard oppervlak van de bestemmingsvlakken voor de rooilijn en de bestemmingsvlakken buiten het bouwvlak niet is meegenomen, aldus de plantoelichting. Verder staat in de plantoelichting dat gelet op het voorgaande ten behoeve van het lokaal bergen en infiltreren van het hemelwater één of meerdere bergingsvoorzieningen met een totale omvang van minimaal 150,4 m³ binnen het plangebied dienen te worden aangelegd. In dit verband staat in de plantoelichting dat de bewoners binnen het plangebied vrij zijn om de bergingsvoorziening bovengronds of ondergronds te realiseren, maar gelet op de onderhoudsplicht de voorkeur wordt gegeven aan wadi’s.    In de planregels is opgenomen dat niet verontreinigd hemelwater afvloeiend van te realiseren bebouwing en verharding niet mag worden geloosd op het gemeentelijke vuilwaterrioolstelsel, maar binnen het plangebied dient te worden opgevangen en dient te worden geïnfiltreerd dan wel gebufferd. De gronden met de bestemming "Bedrijf", "Groen" en "Wonen" zijn in de planregels mede bestemd voor voorzieningen voor de waterhuishouding. Gelet hierop maakt het plan de aanleg van bergingsvoorzieningen mogelijk. In hetgeen de bewoners van het Sprokkelveld hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding om de raad niet te volgen in het standpunt dat de realisering van voldoende waterbergingscapaciteit is gewaarborgd. Hierbij betrekt de Afdeling dat het ingevolgde de planregels ten aanzien van niet een van de te realiseren woningen is toegestaan het niet verontreinigd hemelwater anders op te vangen dan in een bergingsvoorziening binnen het plangebied. De desbetreffende bepaling is aldus handhaafbaar. In het licht hiervan ziet de Afdeling in hetgeen de bewoners van het Sprokkelveld hebben aangevoerd evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad in de planregels (meer) concreet had dienen vast te leggen op welke locatie de bergingsvoorzieningen gerealiseerd dienen te worden.    Het betoog faalt.Landschappelijke inpassing12.    De bewoners van het Sprokkelveld voeren aan dat in het plan een goede landschappelijke inpassing niet is geborgd, nu onduidelijk is in welk geval aan het landschappelijke inpassingsplan wordt voldaan. Hiertoe voeren zij aan dat in het landschappelijke inpassingsplan een minimum aantal te realiseren bomen, dan wel een minimale boomdichtheid, een minimale leeftijd of hoogte van de aan te brengen bomen en percentages van de verschillende soorten bomen die gerealiseerd zullen moeten worden, ontbreekt.12.1.    De Afdeling stelt vast dat in het landschappelijke inpassingsplan staat dat aansluiting is gezocht bij het landschapsontwikkelingsplan van de gemeente Gennep. De raad heeft toegelicht dat de groenstructuur, zoals gerealiseerd aan de westzijde van het plangebied, wordt verbonden en versterkt, waarbij de groenstructuur in oostelijke en zuidelijke richting wordt voortgezet in de vorm van hoog opgaande bebossing welke qua sortiment aansluit bij het bestaande groen. In artikel 3, lid 3.2.4, aanhef en onder b, van de planregels en artikel 5, lid 5.2.4, aanhef en onder a, van de planregels is bepaald dat de gronden met de bestemming "Bedrijf" en de bestemming "Wonen" niet mogen worden bebouwd, niet in gebruik mogen worden genomen of in gebruik mogen zijn zonder dat de voor "Groen" aangewezen gronden volledig zijn aangelegd en in stand zijn gehouden overeenkomstig het landschappelijke inpassingsplan. Naar het oordeel van de Afdeling is de vereiste landschappelijke inpassing van het plan, gelet op de beschrijving daarvan in het landschappelijke inpassingsplan, voldoende duidelijk.    Het betoog faalt.Woon- en leefklimaat13.    De bewoners van het Sprokkelveld betogen dat de voorziene woningen binnen het plandeel met de bestemming "Wonen" zullen leiden tot een onaanvaardbare aantasting van hun woon- en leefklimaat in de vorm van  een aantasting van hun uitzicht en privacy. Ter zitting hebben zij tevens aangevoerd dat de voorziene groenstrook binnen het plandeel met de bestemming "Groen" direct achter hun percelen gerealiseerd dient te worden. Voorts voeren zij aan dat de voorziene bedrijfswoningen binnen het plandeel met de bestemming "Bedrijf" zullen leiden tot geluidoverlast. Daarnaast vrezen zij dat het plan leidt tot waardevermindering van hun woningen.13.1.    Ten aanzien van het betoog dat de voorziene woningen binnen het plandeel met de bestemming "Wonen" leiden tot een aantasting van het uitzicht, overweegt de Afdeling dat gelet op de bebouwingsmogelijkheden binnen het plandeel met de bestemming "Wonen" het plan in enige mate gevolgen kan hebben voor het uitzicht van de bewoners van het Sprokkeleld. Voorts kan worden aangenomen dat hun privacy enigszins zal worden aangetast, nu zij in de voorziene situatie zullen worden geconfronteerd met woningen in de nabijheid van hun eigen woningen. De Afdeling is evenwel van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van een onevenredige aantasting van het uitzicht en de privacy geen sprake is. Daartoe acht de Afdeling van belang dat ingevolge artikel 5, lid 5.2.1, onder c, van de planregels de maximaal toegestane bouwhoogte van de voorziene woningen 11 m is, hetgeen in een bebouwde omgeving als hier aan de orde niet ongebruikelijk is. Voorts is van belang dat de afstand tussen de voorziene woningen binnen het plandeel met de bestemming "Wonen" en de woningen aan het Sprokkelveld ongeveer 20 m bedraagt en het plangebied is gelegen in een omgeving met relatief veel bebouwing en in de nabijheid van de dorpskern Milsbeek. Ook neemt de Afdeling in ogenschouw dat geen recht bestaat op een blijvend vrij uitzicht.13.2.    Wat betreft het betoog dat de voorziene bedrijfswoningen binnen het plandeel met de bestemming "Bedrijf" leiden tot geluidhinder, overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft wat betreft het aspect geluid aansluiting gezocht bij de VNG-brochure. De raad heeft toegelicht dat ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Bedrijf" bedrijvigheid is toegestaan tot en met milieucategorie 2 als bedoeld in de VNG-brochure. Voor deze bedrijvigheid geldt volgens de VNG-brochure een richtafstand van 30 m ten opzichte van woningen in een rustige woonwijk. Volgens de raad is de omgeving van dit plan aan te merken als een gemengd gebied, zodat de richtafstand met één stap naar beneden kan worden bijgesteld.    Zoals de Afdeling hiervoor onder overweging 8.2 heeft geoordeeld, heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat de omgeving van dit plan is te kwalificeren als "gemengd gebied" als bedoeld in de VNG-brochure. In hetgeen de bewoners van het Sprokkelveld hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de richtafstand verlaagd mag worden met één afstandsstap. Het voorgaande betekent dat de aanbevolen richtafstand van de voorziene bedrijfswoningen binnen het plandeel met de bestemming "Bedrijf" tot de gevel van woningen aan het Sprokkelveld voor het aspect geluid volgens de VNG-brochure 10 m bedraagt. Vast staat dat de afstand tussen de voorziene bedrijfswoningen binnen het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de woningen van de bewoners van het Sprokkelveld ongeveer 65 m bedraagt, zodat ruimschoots aan de richtafstand van 10 m uit de VNG-brochure wordt voldaan. De bewoners van het Sprokkelveld hebben geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan desondanks moet worden geoordeeld dat ter plaatse van hun woningen sprake zal zijn van ernstige geluidhinder. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de geluidgevolgen ter plaatse van de woningen aan het Sprokkelveld als gevolg van de voorziene bedrijfswoningen binnen het plandeel met de bestemming "Bedrijf" aanvaardbaar zijn. Wat betreft het betoog inzake de situering van de voorziene groenstrook binnen het plandeel met de bestemming "Groen", heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling mede gelet op het verschil tussen bedrijfswoningen en reguliere woningen in redelijkheid ervoor kunnen kiezen om de voorziene groenstrook te realiseren tussen het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en het plandeel met de bestemming "Wonen".    Het betoog faalt.Financiële uitvoerbaarheid14.    De bewoners van het Sprokkelveld betogen dat het plan financieel niet uitvoerbaar is, nu op grond van de voorwaardelijke verplichting in artikel 3, lid 3.2.4, van de planregels en artikel 5, lid 5.2.4, van de planregels de gronden met de bestemming "Bedrijf" en de gronden met de bestemming "Wonen" niet mogen worden bebouwd, in gebruik genomen of in gebruik zijn zonder dat de voor "Groen" aangewezen gronden volledig zijn aangelegd en in stand gehouden en het Kampveld is verbreed en verhard. Het voorgaande heeft volgens hen tot gevolg dat een potentiële koper wordt afgeschrikt, aangezien de koper alle kosten op voorhand zal moeten dragen zonder dat het zeker is of de kosten in de toekomst naar rato afgewenteld kunnen worden op de overige kavels. Volgens de bewoners van het Sprokkelveld heeft de raad zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de initiatiefnemer op grond van de anterieure overeenkomst de voorwaardelijke verplichtingen op eigen kosten uitvoert, nu in de brief van NVM Makelaar A.J.P. Poels, van 17 mei 2016, staat dat de kavels met de bijbehorende planologische mogelijkheden door de initiatiefnemer worden verkocht waarna de bebouwing door de kopers wordt opgericht.14.1.    In het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder ook de financiële uitvoerbaarheid is begrepen, slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode.14.2.    In hoofdstuk 8 van de plantoelichting wordt inzicht geboden in onder meer de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Volgens dat hoofdstuk zijn er geen belemmeringen aangaande de financiële uitvoerbaarheid en de in het plan mogelijk gemaakte ontwikkeling en komen de plankosten voor rekening van [belanghebbende], de initiatiefnemer. De raad heeft toegelicht dat [belanghebbende] de eigenaar is van de desbetreffende percelen en met hem een anterieure overeenkomst is gesloten, waarin in kostenverhaal wordt voorzien. De raad heeft voorts toegelicht dat daarbij ook rekening is gehouden met eventuele kosten uit planschade. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich op voorhand niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de ontwikkelaar de kosten van de in het plan voorziene ontwikkeling zal kunnen dragen en het plan om deze reden kan worden uitgevoerd binnen de planperiode.    Het betoog faalt.Zienswijze herhaald en ingelast15.    Voor zover CNC en anderen verzoeken de inhoud van hun zienswijze als herhaald en ingelast in het beroepschrift te beschouwen, overweegt de Afdeling dat in de nota van zienswijzen behorende bij het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. CNC en anderen hebben in hun beroepschrift noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.    Het betoog faalt.Conclusie16.    Het beroep is ongegrond.17.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:verklaart het beroep ongegrond.Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. F.D. van Heijningen en mr. A. ten Veen, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.w.g. Van Diepenbeek    w.g. Sparreboomvoorzitter    griffierUitgesproken in het openbaar op 12 juni 2019191-195-889. BIJLAGE •    Bij rechtsoverweging 6Omgevingsverordening Limburg 2014Artikel 2.4.5Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg voorziet niet in de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor bedrijventerreinen aan de bestaande voorraad bedrijventerreinen alsmede aan de bestaande planvoorraad bedrijventerreinen anders dan in overeenstemming met de thematische principes zoals beschreven in paragraaf 5.2 van het POL2014 en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Noord-Limburg, zoals verwoord in de bij deze paragraaf behorende bijlage 1.•    Bij rechtsoverweging 7, 10, 11, 12 en 13Planregels bij het bestemmingsplan "Kampveld Milsbeek"Artikel 3.1 BestemmingsomschrijvingDe voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:[…]c. één bedrijfswoning per bouwperceel;met bijbehorende gebouwen, overige bouwwerken, wegen en paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven.Artikel 3.2.4 Voorwaardelijke verplichtingenTer plaatse van de bestemming ‘Bedrijf’ mogen de gronden ten behoeve van de onder artikel 3.1 genoemde doeleinden niet worden bebouwd, in gebruik worden genomen of in gebruik zijn, indien niet aan de volgende voorwaarde is voldaan:a. het in bijlage 2 (landschappelijke inpassingsplan) aangeduide deel van de Kampveld dient te zijn verhard en verbreed tot 5 meter, conform door de gemeente Gennep goed te keuren bestek.b.de voor ‘Groen’ aangewezen gronden dienen volledig te zijn aangelegd en in stand te worden gehouden overeenkomstig het als bijlage 2 opgenomen landschappelijke inpassingsplan.Artikel 3.3 Specifieke gebruiksregels[…]b. Niet verontreinigd hemelwater afvloeiend van te realiseren bebouwing en verharding mag niet worden geloosd op het gemeentelijke vuilwaterrioolstelsel, maar dient binnen het plangebied te worden opgevangen en te worden geïnfiltreerd/gebufferd. Hierbij wordt de berekeningssystematiek gehanteerd welke is opgenomen in de plantoelichting.Artikel 4.1 BestemmingsomschrijvingDe voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: […]b. water en voorzieningen voor de waterhuishouding.Artikel 5 BestemmingsomschrijvingDe voor ‘Wonen’ aangewezen grond zijn bestemd voor:1.vrijstaande woningen;met bijbehorende gebouwen, overige bouwwerken, wegen en paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven.Artikel 5.2.1 HoofdgebouwenHoofdgebouwen voldoen aan de volgende kenmerken:a. gebouwd binnen het bouwvlak;b. één woning per bouwvlak;c. de goot- en bouwhoogte bedragen respectievelijk maximaal 6 en 11 m;d. het bebouwingspercentage van een bouwvlak bedraagt maximaal 75%;e. de inhoud van de woning bedraagt maximaal 650 m³.Artikel 5.2.4 Voorwaardelijke verplichtingenTer plaatse van de bestemming ‘Wonen’ mogen de gronden ten behoeve van de onder artikel 4.1 genoemde doeleinden niet worden bebouwd, in gebruik worden genomen of in gebruik zijn, indien niet aan de volgende voorwaarden is voldaan:a.de voor ‘Groen’ aangewezen gronden dienen volledig te zijn aangelegd en in stand te worden gehouden overeenkomstig het als bijlage 2 opgenomen landschappelijke inpassingsplan.b. het in bijlage 2 (landschappelijke inpassingsplan) aangeduide deel van de Kampveld dient te zijn verhard en verbreed tot 5 meter, conform door de gemeente Gennep goed te keuren bestek.Artikel 5.3.1 AfwijkenBurgemeester en wethouders kunnen afwijken van:[…]b. het bepaalde in artikel 4.2.2, voor een grotere oppervlakte ten behoeve van het bouwen van praktijkruimten en kantoren voor beoefenaars van aan huis gebonden beroepen, met dien verstande dat: […]Artikel 5.4.1 Algemeen[…]b. Niet verontreinigd hemelwater afvloeiend van te realiseren bebouwing en verharding mag niet worden geloosd op het gemeentelijke vuilwaterrioolstelsel, maar dient binnen het plangebied te worden opgevangen en te worden geïnfiltreerd/gebufferd. Hierbij wordt de berekeningssystematiek gehanteerd welke is opgenomen in de plantoelichting.Artikel 8.2.1 AfwijkingsbevoegdheidBurgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 8 lid :[...]Besluit ruimtelijke ordeningArtikel 3.1.5Een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor gaan vergezeld van een toelichting, waarin zijn neergelegd:[…]b. een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding.