Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:1894

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-06-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 12-06-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:1894, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201808027/1/A1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:1894:DOC

201808027/1/A1.Datum uitspraak: 12 juni 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op de hoger beroepen van:1.    [appellant sub 1], wonend te Hoogkarspel, gemeente Drechterland,2.    [appellant sub 2], wonend te Spanbroek, gemeente Drechterland,tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 31 augustus 2018 in zaken nrs. 18/233, 18/234 en 18/235 in het geding tussen:[appellant sub 1]enhet college van burgemeester en wethouders van Drechterland.ProcesverloopBij brief van 9 augustus 2017 heeft het college aan [appellant sub 1] bekendgemaakt dat de door hem gevraagde omgevingsvergunning voor het huisvesten van arbeidsmigranten in twee panden en het aanbrengen van kozijnwijzigingen op het perceel [locatie 1] en [locatie 2] te Hoogkarspel (hierna: het perceel) van rechtswege is verleend.Bij onderscheiden besluiten van 19 december 2017 heeft het college de door [appellant sub 2], [belanghebbende] en de gemeente Drechterland daartegen gemaakte bezwaren gegrond verklaard, de van rechtswege gegeven omgevingsvergunning herroepen en de omgevingsvergunning alsnog geweigerd.Bij uitspraak van 31 augustus 2018 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] ingestelde beroep tegen het besluit op naam van [appellant sub 2] gegrond verklaard, de door [appellant sub 1] ingestelde beroepen tegen de besluiten op naam van [belanghebbende] en de gemeente ongegrond verklaard, het besluit van 19 december 2017 op naam van [appellant sub 2] vernietigd en het bezwaar van [appellant sub 2] niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft [appellant sub 1] hoger beroep ingesteld.[appellant sub 2] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.[belanghebbende], de gemeente, het college en [appellant sub 1] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.[appellant sub 2] heeft een nader stuk ingediend.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 mei 2019, waar [appellant sub 1], het college, vertegenwoordigd door mr. M.M. Schaper, en [appellant sub 2] zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de gemeente, vertegenwoordigd door A. Hooijman.OverwegingenInleiding1.    [appellant sub 1] heeft op 15 september 2016 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het huisvesten van arbeidsmigranten in twee panden en het aanbrengen van kozijnwijzigingen op het perceel, dat is gelegen op een bedrijventerrein. Omdat het college niet tijdig op de aanvraag heeft beslist en de reguliere voorbereidingsprocedure van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) van toepassing is, is de omgevingsvergunning van rechtswege verleend. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning in bezwaar alsnog geweigerd, omdat het huisvesten van arbeidsmigranten in strijd is met de ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Drechterland Noord 2011" (hierna: het bestemmingsplan) op het perceel rustende bestemming "Bedrijventerrein-1" en het college geen medewerking wil verlenen aan afwijking van het bestemmingsplan.[appellant sub 2] belanghebbend2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant sub 2] geen belanghebbende is bij het besluit van 9 augustus 2017. Hiertoe heeft zij overwogen dat [appellant sub 2] op persoonlijke titel bezwaar heeft gemaakt, terwijl hij zijn belang ontleent aan BEAZ International B.V. (hierna: BEAZ), het bedrijf waarvan hij eigenaar is en dat is gevestigd naast het perceel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [appellant sub 2] daarmee een afgeleid belang.2.1.    [appellant sub 2] brengt hiertegen in dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zijn bezwaar niet-ontvankelijk is. Daartoe voert hij aan dat hij als enig aandeelhouder en enig bestuurder van BEAZ een zodanig met BEAZ verweven belang heeft en dit parallel loopt met dat van BEAZ, dat het college hem in bezwaar terecht als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft aangemerkt.2.2.    Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb luidt:"Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken."2.3.    [appellant sub 2] is enig bestuurder en tevens enig aandeelhouder van BEAZ. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen heeft [appellant sub 2] als natuurlijk persoon een afgeleid belang van de vennootschap en is hij zelf geen belanghebbende bij de omgevingsvergunning van rechtswege. Nu [appellant sub 2] enig bestuurder en enig aandeelhouder is van BEAZ, heeft het college het door hem gemaakte bezwaar terecht toegerekend aan BEAZ. BEAZ is belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, omdat zij eigenaar is van een perceel dat naast het perceel is gelegen waarop de van rechtswege gegeven omgevingsvergunning ziet. De rechtbank heeft dit niet onderkend.Het betoog slaagt.[belanghebbende] belanghebbend3.    [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank [belanghebbende] ten onrechte als belanghebbende bij het besluit van 9 augustus 2017 heeft aangemerkt. Hij voert daartoe aan dat de gronden die in eigendom zijn van [belanghebbende] niet direct grenzen aan het perceel waar de aanvraag betrekking op heeft en dat [belanghebbende] geen eigen en actuele belangen heeft bij het besluit van 9 augustus 2017.3.1.    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college [belanghebbende] terecht als belanghebbende bij het besluit van 9 augustus 2017 heeft aangemerkt. Niet in geschil is dat [belanghebbende] eigenaar is van het perceel [locatie 3] en het naastgelegen braakliggende terrein. Deze gronden liggen op korte afstand schuin tegenover het perceel waarvoor de omgevingsvergunning van rechtswege was gegeven. [belanghebbende] kan als eigenaar door het gebruik van het perceel ten behoeve van de huisvesting voor arbeidsmigranten worden beperkt in de bedrijfsvoering en uitbreidingsmogelijkheden op zijn gronden. Anders dan [appellant sub 1] stelt, is voor het zijn van belanghebbende niet enkel vereist dat de eigendom ziet op gronden die grenzen aan het perceel waarop het betrokken besluit ziet. Ook eigenaren van in de directe nabijheid van het perceel gelegen gronden kunnen belanghebbende zijn wanneer zij ruimtelijke gevolgen kunnen ondervinden als gevolg van het vergunde gebruik.Het betoog faalt.Gemeente belanghebbende4.    [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank de gemeente ten onrechte als belanghebbende bij het besluit van 9 augustus 2017 heeft aangemerkt. Hij voert daartoe aan dat het college bezwaar heeft gemaakt en niet de gemeente en dat het college geen eigen en actuele belangen heeft bij het besluit van 9 augustus 2017.4.1.    Bij brief van 21 september 2017 heeft het college van de gemeente Drechterland namens deze gemeente, die eigenaar is van de in de directe nabijheid van het perceel gelegen gemeentewerf, een bezwaarschrift ingediend tegen het besluit van 9 augustus 2017. Weliswaar is het college ingevolge artikel 160, eerste lid, aanhef en onder f, van de Gemeentewet bevoegd te besluiten om namens de gemeente bezwaarprocedures te voeren, maar de gemeente moet bij het voeren van die procedure ingevolge artikel 171, eerste lid, van de Gemeentewet worden vertegenwoordigd door de burgemeester. Het college heeft ter zitting ook erkend dat niet het college, maar de burgemeester het bezwaarschrift had moeten indienen. Nu het bezwaarschrift niet door de burgemeester is ondertekend, maar door het college, heeft de rechtbank niet onderkend dat het bezwaar van de gemeente niet-ontvankelijk is.Het betoog slaagt.Zorgvuldige voorbereiding5.    [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de besluiten van 19 december 2017 niet zorgvuldig zijn voorbereid. [appellant sub 1] voert daartoe aan dat het college [belanghebbende] na de hoorzitting in de gelegenheid heeft gesteld te reageren op zijn brief van 30 oktober 2017 en het college de door [belanghebbende] ingediende schriftelijke reactie van 22 november 2017 niet aan hem heeft doen toekomen. Hij stelt dat hij ten onrechte niet door het college in de gelegenheid is gesteld op de reactie van [belanghebbende] te reageren, terwijl het in de brief door [belanghebbende] gestelde volgens hem van belang is geweest voor de te nemen besluiten op bezwaar. Daartoe wijst hij op het gestelde in de brief dat [belanghebbende] geen bezwaar heeft tegen het tijdelijk huisvesten van arbeidsmigranten voor de duur van negen maanden en dat [belanghebbende] € 150.000,00 schade zal lijden door het vergunde gebruik.5.1.    Artikel 3:2 van de Awb luidt:"Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omrent de relevante feiten en de af te wegen belangen."Artikel 6:22 luidt:"Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld."5.2.    Vast staat dat het college [belanghebbende] na de hoorzitting van 8 november 2017 in de gelegenheid heeft gesteld te reageren op de brief van [appellant sub 1] van 30 oktober 2017 en dat [appellant sub 1] eerst bij het besluit op bezwaar kennis heeft kunnen nemen van de reactie van [belanghebbende] van 22 november 2017. Het college heeft door deze handelswijze de besluiten van 19 december 2017 niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. De besluiten van 19 december 2017 zijn daarom in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb tot stand gekomen. Dit leidt echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak op dit punt, omdat dit gebrek, gelet op het hiernavolgende, met toepassing van artikel 6:22 van de Awb kan worden gepasseerd.5.3.    Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 6:22 van de Awb (Kamerstukken II 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 14) is niet de aard van het geschonden voorschrift beslissend voor de beantwoording van de vraag of een gebrek in een besluit kan worden gepasseerd, maar uitsluitend het antwoord op de vraag of door de schending iemand is benadeeld.Toepassing van artikel 6:22 van de Awb is mogelijk indien aannemelijk is dat de belanghebbende door het gebrek in het bestreden besluit niet is benadeeld. Een gebrek dat herstel behoeft, leent zich in beginsel niet voor toepassing van deze bepaling. In gevallen waarin van het bestuursorgaan een bepaalde actie is vereist om het gebrek weg te nemen, kan er immers niet zonder meer van worden uitgegaan dat belanghebbenden door het gebrek niet zijn benadeeld. Alleen indien evident is dat belanghebbenden door het gebrek niet zijn benadeeld, kan bij het bestaan van een dergelijk gebrek toepassing worden gegeven aan artikel 6:22 van de Awb.5.4.    De Afdeling is van oordeel dat evident is dat belanghebbenden door het geconstateerde gebrek niet zijn benadeeld en dat het gebrek kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat zowel [belanghebbende] als [appellant sub 1] op de hoorzitting van 8 november 2017 zijn gehoord. [belanghebbende] heeft tijdens de hoorzitting gesteld geen bezwaren te hebben tegen het gebruik van de panden ten behoeve van het vestigen van arbeidsmigranten als hij geen maatregelen hoeft te treffen en de uitbreidingsmogelijkheden van zijn bedrijf niet worden beperkt. Verder heeft [belanghebbende] tijdens de hoorzitting naar voren gebracht dat de waarde van zijn perceel zal dalen als gevolg van het van rechtswege vergunde gebruik. In de brief van 22 november 2017 heeft [belanghebbende] toegelicht bezwaren te hebben tegen permante bewoning door arbeidsmigranten, maar niet tegen tijdelijke bewoning voor de duur van negen maanden. Nu het vergunde gebruik ziet op permanente bewoning heeft [belanghebbende] in de brief geen nieuwe stelling naar voren gebracht. Beide stellingen zien op bezwaren tegen de vergunde permanente huisvesting van arbeidsmigranten. Het gestelde in de brief van 22 november 2017 dat de waardedaling € 150.000,00 bedraagt, is een toelichting op de tijdens de hoorzitting naar voren gebrachte stelling met betrekking tot waardedaling.Nu [belanghebbende] in de brief van 22 november 2017 geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht, kan het enkele feit dat [appellant sub 1] eerst bij de besluiten op bezwaar kennis heeft genomen van de brief van 22 november 2017, niet leiden tot het oordeel dat [appellant sub 1] om die reden door dit gebrek is benadeeld.Het betoog faalt.Gelijkheidsbeginsel6.    [appellant sub 1] heeft eerst ter zitting betoogd dat het college handelt in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Hij voert daartoe aan dat er op het bedrijventerrein twee gebouwen staan waarin met toestemming van het college wordt gewoond, zodat sprake is van rechtsongelijkheid en willekeur.6.1.    De Afdeling is van oordeel dat het eerst ter zitting aanvoeren van de hiervoor genoemde beroepsgrond in strijd is met de goede procesorde. Daarbij betrekt de Afdeling dat het voor het college niet mogelijk was ter zitting op passende wijze te reageren. Voorts is niet gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het voor [appellant sub 1] redelijkerwijs niet mogelijk was deze beroepsgrond eerder aan te voeren. De Afdeling zal deze beroepsgrond dan ook wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing laten.Woon- en leefklimaat7.    Het college heeft de bevoegdheid om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2º, van de Wabo, bezien in samenhang met artikel 4, aanhef en onder 9, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor), omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan. Het college heeft in de besluiten op bezwaar besloten om van deze bevoegdheid geen gebruik te maken, omdat ter plaatse van de twee panden geen goed woon- en leefklimaat voor de arbeidsmigranten kan worden gegarandeerd. Ook zal het langdurig huisvesten van de arbeidsmigranten de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende bedrijven en de ontwikkelingsmogelijkheden van de nog te ontwikkelen percelen met bouwvlakken beperken.8.    Artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo luidt:"Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:[…]2º. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of[…]."Artikel 4 van bijlage II bij het Bor luidt:"Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:[…]9. het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen;[…]."9.    [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet op de grondslag van de bezwaarschriften heeft beslist. Daartoe voert hij aan dat het college op grond van andere omstandigheden het besluit van9 augustus 2017 heeft herroepen, dan in de bezwaarschriften zijn aangevoerd.9.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 22 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2776, is de bezwaarprocedure bedoeld voor een volledige heroverweging die niet gebonden is aan argumenten of omstandigheden die in het bezwaarschrift aan de orde zijn gesteld. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat de omstandigheid dat de derde-partijen in bezwaar hebben aangevoerd dat zij als gevolg van het beoogde project in hun bedrijfsvoering worden beperkt, niet betekent dat het college in heroverweging niet ook de gevolgen voor andere bedrijven die zijn gevestigd op het bedrijventerrein heeft mogen betrekken.Het betoog faalt.10.    [appellant sub 1] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college de omgevingsvergunning in bezwaar niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Hij voert daartoe aan dat het college in de beoordeling of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ten onrechte aansluiting heeft gezocht bij de richtafstanden uit de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" (hierna: VNG-brochure), terwijl het college had moeten uitgaan van de bestaande situatie ter plaatse. De bedrijfsactiviteiten op het bedrijventerrein vinden alleen overdag plaats, zodat volgens [appellant sub 1] sprake is van een goed woon- en leefklimaat op het perceel. Ook hoeven de omliggende bedrijven volgens [appellant sub 1] hun bedrijfsvoering niet aan te passen vanwege de huisvesting van de arbeidsmigranten. Omdat dit bedrijventerrein volledig is volgebouwd, worden de uitbreidingsmogelijkheden voor de bedrijven evenmin beperkt, aldus [appellant sub 1]. Tot slot wijst hij erop dat er in de directe nabijheid van het bedrijventerrein al een sportschool is gevestigd en dat dit een kwetsbaar object is, zodat de uitbreidings- vestigings- en ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijventerrein ook om die reden worden beperkt.10.1.    Zoals volgt uit de aanhef van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo, kan de omgevingsvergunning bij toepassing van de hiervoor vermelde afwijkingsregeling slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast geldt dat het college bij een aanvraag als hier aan de orde beleidsruimte heeft om te beslissen of het gebruik zal maken van zijn bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan. De rechter toetst of het college bij een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.10.2.    Op 24 juni 2014 heeft de raad van de gemeente beleidsregels voor het huisvesten van arbeidsmigranten vastgesteld. De raad heeft op 30 april 2015 besloten de beleidsregels uit te breiden. Op grond van de beleidsregels is huisvesting van arbeidsmigranten op een bedrijventerrein mogelijk mits wordt voldaan aan de milieueisen die gelden voor logiesbedrijven en mits zij daarbij de bedrijfsvoering en uitbreidingsmogelijkheden van andere bedrijven op dat bedrijventerrein niet hinderen. Het college heeft de beleidsregels in het kader van zijn bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan gevolgd. Ter invulling van de beleidsregels heeft het college aansluiting gezocht bij de richtafstanden van de VNG-brochure.10.3.    In de VNG-brochure zijn richtafstanden gegeven ten opzichte van een milieugevoelige bestemming om hinder van milieufactoren, zoals geur, stof, geluid en gevaar, uit te sluiten of althans tot een aanvaardbaar niveau te beperken. De VNG-brochure kan worden gebruikt bij de beoordeling van nieuwe situaties. Als uitgangspunt geldt dat de aangegeven indicatieve afstanden gemotiveerd kunnen worden toegepast. Volgens de VNG-brochure worden de richtafstanden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning.Op het bedrijventerrein zijn bedrijven met milieucategorie 3.1 en 3.2 gevestigd, waaronder de bedrijven op de percelen van [belanghebbende] en BEAZ aan de [locatie 3] en 15. De afstand van het gebouw waarin de huisvesting van arbeidsmigranten is voorzien tot de percelen van deze bedrijven bedraagt onderscheidenlijk 34,5 m en 10,5 m. Daarnaast zijn op grond van het bestemmingsplan op het bedrijventerrein bedrijven in de milieucategorieën 4.1 en 4.2 toegestaan. Het gebouw waarin de huisvesting van de arbeidsmigranten is voorzien, ligt binnen de voor bedrijven met deze milieucategorieën voorschreven richtafstanden van respectievelijk 50 m, 100 m, 200 m en 300 m.10.4.    Aan de in de VNG-brochure opgenomen richtafstanden wordt niet voldaan. Het college heeft zich, gelet op de omstandigheid dat in belangrijke mate niet aan de richtafstanden wordt voldaan, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen goed woon- en leefklimaat voor de bewoners van de twee panden is gegarandeerd en dat de bedrijfsvoering en uitbreidingsmogelijkheden voor bestaande bedrijven en toekomstige vestigingsmogelijkheden voor bedrijven als gevolg van het huisvesten van arbeidsmigranten op het bedrijventerrein worden beperkt. Wat betreft de stelling van [appellant sub 1] dat de bedrijfsactiviteiten enkel overdag plaatsvinden, overweegt de Afdeling dat dit niet af doet aan de omstandigheid dat bedrijven in hun bedrijfsvoering en uitbreidingsmogelijkheden worden beperkt als gevolg van het huisvesten van arbeidsmigranten op een dergelijke korte afstand. Bovendien dient ook overdag een goed woon- en leefklimaat te zijn gegarandeerd voor de bewoners. Verder kan de Afdeling [appellant sub 1] niet volgen in zijn stelling dat de uitbreidings- vestigings- en ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijventerrein al worden beperkt doordat er in de directe nabijheid van het bedrijventerrein een sportschool is gevestigd. De in de VNG-brochure gegeven richtafstanden zien op de afstand tussen bedrijven en woningen. De aanwezigheid van de sportschool heeft geen invloed op de uitbreidings- vestigings- en ontwikkelingsmogelijkheden van het nabijgelegen bedrijventerrein, zodat de vergelijking die [appellant sub 1] maakt niet opgaat.Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren medewerking te verlenen aan het, onder afwijking van het bestemmingsplan, verlenen van de omgevingsvergunning.Het betoog faalt.Vooringenomenheid11.    [appellant sub 1] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college de besluiten van 19 december 2017 met vooringenomenheid heeft genomen. Daartoe voert hij aan dat het college zich heeft verzet tegen de bekendmaking van de van rechtswege gegeven omgevingsvergunning, dat het college derde-belanghebbenden actief heeft aangeschreven om bezwaar te maken, dat het college zelf bezwaar heeft gemaakt en op het bezwaar heeft beslist en dat de bezwaren zijn behandeld door dezelfde ambtenaren als bij eerdere procedures.11.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant sub 1] niet gevolgd kan worden in zijn betoog dat de besluitvorming van het college met vooringenomenheid tot stand is gekomen. Daarbij heeft de rechtbank terecht betrokken dat de omstandigheid dat het college in een eerder stadium het standpunt heeft ingenomen dat geen omgevingsvergunning van rechtswege is gegeven, niet maakt dat het college bij de besluiten van 19 december 2017 vooringenomen is geweest. Voorts is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de omstandigheden dat het college actief belanghebbenden heeft benaderd, dat het college namens de gemeente bezwaar heeft gemaakt en dat dezelfde ambtenaren bij de besluiten zijn betrokken als bij eerdere procedures, evenmin maken dat de besluiten vooringenomen zijn genomen.Het betoog faalt.Proceskostenvergoeding12.    [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank bij het toekennen van de proceskostenvergoeding in beroep ten onrechte wegingsfactor "licht" (0,5) heeft toegepast, omdat dit in contrast staat tot de door hem gemaakte kosten. Hij vindt dat wegingsfactor "gemiddeld" (1) moet worden toegepast.12.1.    De rechtbank heeft 1 punt toegekend voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt toegekend voor het verschijnen ter zitting. De rechtbank heeft aanleiding gezien om de wegingsfactor te bepalen op 0,5 in plaats van 1, omdat het beroep vanwege een ontvankelijkheidskwestie gegrond is verklaard.Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 23 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:164, behoort de behandeling van een zaak in de bezwaar- en beroepsprocedure in beginsel tot de categorie "gemiddeld", tenzij er duidelijke redenen zijn hiervan af te wijken. Van dergelijke redenen is in deze zaak niet gebleken. De rechtbank heeft daarom ten onrechte wegingsfactor 0,5 toegepast. De aangevallen uitspraak komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking.Het betoog slaagt.Conclusie en slotoverwegingen13.    Het hoger beroep van [appellant sub 1] en het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 december 2017 op naam van de gemeente ongegrond heeft verklaard, het besluit van 19 december 2017 op naam van [appellant sub 2] heeft vernietigd, het bezwaar van [appellant sub 2] niet-ontvankelijk heeft verklaard en voor zover wegingsfactor 0,5 is toegepast. De uitspraak dient te worden bevestigd voor het overige. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van 19 december 2017 op naam van de gemeente alsnog gegrond verklaren, dit besluit vernietigen en het bezwaar van de gemeente tegen de van rechtswege gegeven omgevingsvergunning niet-ontvankelijk verklaren. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Tevens zal de Afdeling bepalen dat het college het resterende bedrag van de in beroep gemaakte proceskosten aan [appellant sub 1] dient te vergoeden.14.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van door [appellant sub 1] gemaakte proceskosten in hoger beroep te worden veroordeeld. Wat [appellant sub 2] betreft, is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:I.    verklaart het hoger beroep van [appellant sub 1] gegrond;II.    verklaart het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] gegrond;III.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 31 augustus 2018 in zaken nrs. 18/233, 18/234 en 18/235, voor zover het beroep tegen het besluit van 19 december 2017 op naam van de gemeente Drechterland ongegrond is verklaard, het besluit van 19 december 2017 op naam van [appellant sub 2] is vernietigd, het bezwaar van [appellant sub 2] niet-ontvankelijk is verklaard en voor zover wegingsfactor 0,5 is toegepast;IV.    bevestigt de uitspraak voor het overige;V.    verklaart het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van 19 december 2017 op naam van de gemeente Drechterland gegrond;VI.    vernietigt het besluit van 19 december 2017 op naam van de gemeente Drechterland, kenmerk: 677047;VII.    verklaart het bezwaar van de gemeente Drechterland tegen de van rechtswege gegeven omgevingsvergunning niet-ontvankelijk;VIII.    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;IX.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Drechterland tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.536,00 (zegge: duizend vijfhonderdzesendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;X.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Drechterland aan [appellant sub 1] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 253,00 (zegge: tweehonderddrieënvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, griffier.w.g. Wortmann    w.g. Van Drielvoorzitter    griffierUitgesproken in het openbaar op 12 juni 2019414-855.