Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:1890

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-06-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 12-06-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:1890, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201806536/1/A3


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:1890:DOC

201806536/1/A3.Datum uitspraak: 12 juni 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellant], wonend te [woonplaats],tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 juni 2018 inzaak nr. 17/5920 in het geding tussen:[appellant]ende directie van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW).ProcesverloopBij besluit van 12 januari 2017 heeft de RDW het verzoek van [appellant] om informatie deels ingewilligd en deels afgewezen.Bij besluit van 23 augustus 2017 heeft de RDW het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar deels gegrond en voor het overige ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 27 juni 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.De RDW heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.De RDW heeft nadere stukken ingediend.[appellant] heeft de toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht verleend.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 april 2019, waar [appellant], bijgestaan door mr. G.A. Soebhag, advocaat te Rotterdam, en de RDW, vertegenwoordigd door mr. E.C. Niemeijer, zijn verschenen.Overwegingen1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.1.1.    Op 25 mei 2018 is Verordening 2016/679 (Algemene Verordening Gegevensbescherming) in werking getreden en is de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: de Wbp) ingetrokken. Op dit geding is de Wbp van toepassing.Inleiding2.    Op 9 december 2016 heeft [appellant] op grond van artikel 35 van de Wbp aan de RDW verzocht om informatie over het volgende te verstrekken:- of zijn persoonsgegevens zijn gebruikt, en zo ja;- om welke gegevens het gaat;- wat het doel is van het gebruik;- aan wie de gegevens zijn verstrekt; en- wat de herkomst is van de gegevens, voor zover bekend.De RDW heeft alle gevraagde informatie aan [appellant] verstrekt, behalve de informatie over welke gegevens mogelijk aan de politie zijn verstrekt. De RDW stelt zich op het standpunt dat die informatie niet wordt verstrekt, omdat dit noodzakelijk is in het belang van de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten als bedoeld in artikel 43, aanhef en onder b, van de Wbp.    [appellant] kan zich hierin niet vinden.Hogerberoepsgronden en beoordeling3.    [appellant] betoogt dat de RDW ten onrechte zijn verzoek om informatie over welke gegevens aan de politie zijn verstrekt, heeft afgewezen.    Hij voert hierover aan dat uit de procedurebeschrijving "inzage in persoonsgegevens" die de RDW heeft overgelegd, blijkt dat de RDW standaard weigert informatie te geven over welke gegevens aan de politie zijn verstrekt. Dit is volgens [appellant] in strijd met artikel 43 van de Wbp, omdat daarin staat dat artikel 35 van die wet weliswaar buiten toepassing kan worden gelaten, maar dat dit niet verplicht is. Daarnaast heeft de politie volgens [appellant] aan hem medegedeeld dat zij geen gegevens van de RDW heeft verkregen en wordt hij dus van het kastje naar de muur gestuurd. [appellant] stelt verder dat de RDW de politie had kunnen vragen of zij bezwaar ertegen zou hebben als de door hem gevraagde gegevens aan hem zouden worden verstrekt.3.1.    Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, heeft de RDW aan [appellant] alle gevraagde gegevens en documenten over de verwerking van zijn persoonsgegevens verstrekt; dus ook de persoonsgegevens die mogelijk aan de politie zijn verstrekt. [appellant] wil van deze laatste gegevens weten welke dit zijn.3.2.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat de RDW in redelijkheid meer belang heeft kunnen hechten aan het belang van de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten dan aan het belang van [appellant] bij het verstrekken van informatie over gegevens die aan de politie zijn verstrekt. Van belang is dat de rechtbank onbestreden heeft overwogen dat vaststaat dat er een strafrechtelijk onderzoek naar [appellant] loopt en dat dit onderzoek nog niet is afgerond. De RDW heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat bij het verstrekken van informatie over gegevens die aan de politie zijn verstrekt het strafrechtelijk onderzoek kan worden belemmerd. Het bekend worden welke gegevens de politie specifiek bij de RDW heeft opgevraagd, kan er bijvoorbeeld toe leiden dat [appellant] voortijdig op de hoogte raakt welke richting het strafrechtelijk onderzoek opgaat. De RDW heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat alleen de politie de afweging kan maken of het verstrekken van dergelijke informatie een strafrechtelijk onderzoek kan belemmeren en dat [appellant] op grond van artikel 25, eerste lid, Wet politiegegevens bij de politie een verzoek kan indienen om na te gaan of door de politie gegevens over hem worden verwerkt. De rechtbank heeft dus terecht overwogen dat de RDW in zoverre op grond van artikel 43, aanhef en onder b, van de Wbp in redelijkheid artikel 35 van die wet buiten toepassing heeft kunnen laten.         Het betoog slaagt niet.4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet is ingegaan op wat in de procedurebeschrijving staat onder de kopjes "geen verstrekking", "bezwaar van derden", "afgifte brief inzage eigen persoonsgegevens" en "verstrekking van een specifiek overzicht en de logging".4.1.    De rechtbank is terecht hierop niet ingegaan, omdat [appellant] hierover geen beroepsgronden heeft aangevoerd. Ook in hoger beroep voert [appellant] daartegen geen gronden aan.    Het betoog slaagt niet.5.    Het verzoek van [appellant] om te bepalen dat de periode waarover gegevens worden verstrekt langer moet zijn, wordt afgewezen, omdat daarvoor geen grond bestaat. Gelet hierop wordt het verzoek van [appellant] om in dat verband aan de RDW een dwangsom op te leggen ook afgewezen.Conclusie6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:bevestigt de aangevallen uitspraak.Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.J.L. Crombach, griffier.w.g. Borman    w.g. Crombachlid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 12 juni 2019689. BIJLAGE Wet bescherming persoonsgegevensArtikel 351. De betrokkene heeft het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.2. Indien zodanige gegevens worden verwerkt, bevat de mededeling een volledig overzicht daarvan in begrijpelijke vorm, een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens.3. Voordat een verantwoordelijke een mededeling doet als bedoeld in het eerste lid, waartegen een derde naar verwachting bedenkingen zal hebben, stelt hij die derde in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien de mededeling gegevens bevat die hem betreffen, tenzij dit onmogelijk blijkt of een onevenredige inspanning kost.4. Desgevraagd doet de verantwoordelijke mededelingen omtrent de logica die ten grondslag ligt aan de geautomatiseerde verwerking van hem betreffende gegevens.Artikel 43De verantwoordelijke kan de artikelen 9, eerste lid, 30, derde lid, 33, 34, 34a, tweede lid, en 35 buiten toepassing laten voor zover dit noodzakelijk is in het belang van:[…]b. de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten;[…]