Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:1888

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-06-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 12-06-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:1888, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201706677/1/R2 en 201805784/1/R2


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:1888:DOC

201706677/1/R2 en 201805784/1/R2.Datum uitspraak: 12 juni 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak in het geding tussen:1.    [appellant sub 1], wonend te Ulvenhout, gemeente Breda,2.    [appellant sub 2], wonend te Breda,3.    [appellante sub 3], gevestigd te Breda,4.    IVN, Vereniging voor Natuur- en Milieu educatie, Afdeling Mark en Donge, gevestigd te Oosterhout, en anderen, (hierna: IVN en anderen),5.    [appellant sub 5], wonend te Breda,6.    [appellante sub 6], gevestigd te Breda, waarvan de maten zijn [maat] en [appellant sub 5], beiden wonend te Breda (hierna: [appellante sub 6],7.    West Brabantse Vogelwerkgroep, gevestigd te Breda, en andere, (hierna: de vogelwerkgroep en andere),8.    [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B], beiden wonend te Breda, (hierna: [appellanten sub 8]),9.    [appellant sub 9], wonend te Breda,10.    Sintels B.V., gevestigd te Breda, [appellant sub 10A], [appellant sub 10B] en [appellant sub 10C], allen wonend te Breda, (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: Sintels B.V.),11.    Natuur- en milieuvereniging Markkant, gevestigd te Breda, (hierna: Vereniging Markkant),ende raad van de gemeente Breda,verweerder.ProcesverloopBij besluit van 13 juli 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Zuid 2013" vastgesteld.Tegen dit besluit zijn de beroepen gericht.Bij besluit van 17 mei 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Zuid 2013, herziening [locatie 1]" vastgesteld.Tegen dit besluit hebben IVN en anderen, aangevuld met Natuurplein de Baronie, beroep ingesteld.De raad heeft over bovengenoemde besluiten verweerschriften ingediend.Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend.Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 januari 2019, waar alle partijen zijn verschenen of zich hebben laten vertegenwoordigen.OverwegingenToetsingskader1.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.De besluiten1.1.    Het plan "Buitengebied Zuid 2013" voorziet in een planologische regeling van het zuidelijke deel van het buitengebied van Breda. Met het bij besluit van 13 juli 2017 vastgestelde plan is beoogd het op 18 december 2014 vastgestelde en op 5 november 2015 en 3 maart 2016 gewijzigde bestemmingsplan "Buitengebied 2013" te herstellen, voor zover dat in de uitspraak van de Afdeling van 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:266, is vernietigd.1.2.    Voor het perceel [locatie 1] heeft de raad, in verband met een verzoek om herziening, het bestemmingsplan "Buitengebied Zuid 2013, herziening [locatie 1]" vastgesteld.Wet- en regelgeving2.    De voor de zaak relevante wet- en regelgeving is opgenomen als bijlage bij deze uitspraak. In bijlage I zijn de relevante bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) opgenomen, in bijlage II de relevante bepalingen uit de Verordening ruimte 2014 (hierna: de Verordening 2014), die gold ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Zuid 2013" en de bepalingen uit de Verordening ruimte Noord-Brabant (hierna: de Verordening), die gold ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Zuid 2013, herziening [locatie 1]". Voor de relevante planregels wordt verwezen naar www.ruimtelijkeplannen.nl.Leeswijzer3.    De beroepen worden behandeld per perceel of plan(onder)deel. Aan het einde van de uitspraak volgen de conclusies per beroep in de volgorde zoals vermeld op het voorblad, waarbij wordt terugverwezen naar de inhoudelijke rechtsoverwegingen.Ontvankelijkheid4.    Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 en artikel 2, bijlage 2, en met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door een belanghebbende die over het ontwerp van het plan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.5.    Het beroep van [appellant sub 1] richt zich tegen de in de planregels opgenomen afwijkings- en wijzigingsbevoegdheid voor de huisvesting van de seizoenarbeiders.De Afdeling stelt vast dat [appellant sub 1] geen zienswijze heeft ingediend over het ontwerp van het bestemmingsplan. Wat betreft zijn stelling wel een zienswijze te hebben ingediend, is ter zitting vast komen te staan dat die zienswijze niet is ingediend over het ontwerp van het bestemmingsplan "Buitengebied Zuid 2013", maar over het ontwerp van het wijzigingsplan "Buitengebied Zuid 2013, wijzigingsplan [locatie 2]".Zijn beroep steunt daarom niet op een door hem bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.5.1.    [appellant sub 1] voert aan dat hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij geen zienswijze over het ontwerp van het plan heeft ingediend. In dat verband wijst hij erop dat het plan een herstelbesluit is van de onder 1.1 vermelde plannen, voor zover die door de Afdeling zijn vernietigd en hij geen zienswijze kon indienen, omdat de raad bij de voorbereiding van dit besluit niet opnieuw een ontwerp van een besluit ter inzage heeft gelegd.5.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1215, onder 7.3.1) staat het het bevoegd gezag in geval van vernietiging van een besluit door de bestuursrechter in beginsel vrij om bij het nemen van een nieuw besluit terug te vallen op de procedure die aan het vernietigde besluit ten grondslag lag. De raad mocht er daarom van afzien om opnieuw een ontwerp van het plan vast te stellen en de gelegenheid te bieden tot het inbrengen van zienswijzen. Dit betekent dat de raad in beginsel mocht terugvallen op het ontwerp van het besluit dat ten grondslag heeft gelegen aan de onder 1.1 genoemde besluiten die door de Afdeling gedeeltelijk zijn vernietigd.De Afdeling stelt vast dat de door [appellant sub 1] bestreden afwijkings- en wijzigingsbevoegheden al in dat ontwerp van het plan waren opgenomen. De in de artikelen 3, lid 3.3 en 3.5, en 4, lid 4.3 en 4.7, van de planregels daarover opgenomen bepalingen zijn ten opzichte van het ontwerp van het plan niet gewijzigd. Wel is aan artikel 3, lid 3.3, onder a, en 4, lid 4.3, onder a, van de planregels een zevende aandachtspunt toegevoegd, waarin is bepaald dat burgemeester en wethouders alleen van de afwijkingsbevoegdheid gebruik kunnen maken als aangetoond wordt dat door de huisvesting van seizoenarbeiders geen extra negatieve effecten zullen ontstaan voor het woon- en leefklimaat van de omgeving. Door de toevoeging van dat vereiste, dat mede strekt tot bescherming van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1], is hij niet in een nadeliger positie ten opzichte van de in het ontwerp opgenomen planregeling terecht gekomen.[appellant sub 1] moet daarom worden verweten dat hij geen zienswijze tegen het ontwerp van het besluit heeft ingediend. Zijn beroep is daarom niet-ontvankelijk.Ingetrokken beroepsgronden6.    Ter zitting hebben de vogelwerkgroep en andere de beroepsgrond dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de hydrologische effecten van de in het plan mogelijk gemaakte teeltondersteunende voorzieningen ingetrokken. Sintels B.V. heeft de beroepsgrond dat de raad ten onrechte geen archeologisch onderzoek heeft uitgevoerd ingetrokken.[locatie 3]7.    [appellant sub 2] woont aan de [locatie 3] te Breda. Aan dat perceel zijn in het plan de bestemmingen "Wonen" en "Natuur" toegekend. Hij betoogt dat aan een deel van de gronden die hij in gebruik heeft als tuin ten onrechte de bestemming "Natuur" is toegekend. Ook zijn een blokhut en wellnessruimte, die op die gronden staan daardoor ten onrechte niet toegestaan. In dit verband wijst hij erop dat hem voor de wellnessruimte eind 2015 een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is verleend. Volgens [appellant sub 2] had daarom ook aan deze gronden de bestemming "Wonen" toegekend moeten worden.7.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de gronden van het perceel van [appellant sub 2] die onderdeel uitmaken van het Natuur Netwerk Brabant (hierna: NNB) op grond van de Verordening 2014 beschermd moeten worden tegen aantasting daarvan. Daarom is in het herstelbesluit aan die gronden van het perceel van [appellant sub 2] die geen deel uitmaken van het NNB de bestemming "Wonen" toegekend, maar aan de delen die wel deel uitmaken van het NNB de bestemming "Natuur".7.2.    De raad heeft met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling van 1 februari 2017 aan alle gronden die bij [appellant sub 2] in gebruik zijn als tuin de bestemming "Wonen" toegekend. Daarmee is het gebruik van die gronden als tuin toegelaten. Waar [appellant sub 2] aanvoert dat het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen" niet de gehele tuin omvat, maar dat de tuin nog verder naar het oosten doorloopt, overweegt de Afdeling dat het deel van het perceel van [appellant sub 2] waaraan bij het bestreden besluit de bestemming "Wonen" is toegekend doorloopt tot aan de beukenhaag aan de oostzijde van de tuin die is aangeplant in de vorm van een halve boog. Daarachter begint het bosgebied dat niet meer in gebruik is als tuin en waaraan in het plan de bestemming "Natuur" is toegekend. Wat [appellant sub 2] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in het nu voorliggende plan gronden die [appellant sub 2] in gebruik heeft als tuin ten onrechte niet als zodanig heeft bestemd.Waar [appellant sub 2] heeft aangevoerd dat de op de gronden met de bestemming "Natuur" staande blokhut en wellnessruimte ten onrechte niet als zodanig bestemd zijn overweegt de Afdeling dat die gebouwen op gronden staan waaraan in het plan de bestemming "Natuur" is toegekend. Ingevolge artikel 13, lid 13.1, aanhef en onder e, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Natuur" aangewezen voor verspreid liggende legale bebouwing zoals die aanwezig is ten tijde van het als ontwerp ter inzage leggen van dit plan. Ter zitting heeft de raad bevestigd dat de blokhut en de wellnessruimte zulke verspreid liggende legale bebouwing zijn als bedoeld in dat artikellid. De Afdeling stelt vast dat de raad daarmee die gebouwen als zodanig heeft bestemd.Het betoog slaagt niet.[locatie 4]8.    Aan de gronden van het perceel [locatie 4] is de bestemming "Bedrijf" toegekend. De raad heeft daarmee het ter plaatse bestaande loonbedrijf [belanghebbende] als zodanig willen bestemmen. Het perceel [locatie 4] ligt ongeveer 115 meter ten zuiden van de woning van [appellant sub 2], vanaf zijn perceel bezien aan de overkant van de Sprundelsebaan.9.    [appellant sub 2] betoogt dat de raad ten onrechte het bedrijf als zodanig heeft bestemd. Volgens hem is het bedrijf geen bedrijf in milieucategorie 3.1 van de VNG-publicatie "Bedrijven en milieuzonering" (hierna: de VNG-brochure), maar is het een bedrijf in milieucategorie 4.2. In dat verband wijst hij erop dat in het bedrijf recyclingactiviteiten plaatsvinden en het bedrijf daarom als vuiloverslagplaats of afvalscheidingsinstallatie als bedoeld in de VNG-brochure moet worden aangemerkt.9.1.    Ingevolge artikel 6, lid 6.1, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor bedrijfsdoeleinden, anders dan agrarische activiteiten, in de milieucategorieën 1 en 2, zoals deze zijn aangegeven in de als bijlage 3 bij deze regels opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten en, omdat ter plaatse de aanduiding "loonbedrijf" is opgenomen, tevens voor een loonbedrijf. In artikel 1, lid 1.59, van de planregels wordt een loonbedrijf gedefinieerd als een bedrijf dat uitsluitend of overwegend gericht is op het verlenen van civieltechnische diensten en/of cultuurtechnische diensten of het verlenen van diensten aan agrarische bedrijven met behulp van machines en werktuigen. Ingevolge artikel 6, lid 6.4, aanhef en onder b, van de planregels wordt onder strijdig gebruik in ieder geval begrepen het ter plaatse van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.1" gebruiken van de gebouwen en gronden voor een hogere milieubelastingscategorie dan 3.1 als bedoeld in de als bijlage opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten.Omdat aan de gronden van het perceel [locatie 4] de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.1" is toegekend, maakt het plan op dat perceel een bedrijf tot ten hoogste milieucategorie 3.1 van de VNG-brochure mogelijk. Het betoog van [appellant sub 2] dat het plan een bedrijf in milieucategorie 4.2 mogelijk maakt, is dus onjuist.Het betoog slaagt niet.10.    Waar [appellant sub 2] aanvoert dat [belanghebbende] op diverse punten zijn vergunningvoorschriften niet naleeft door bijvoorbeeld het bedrijf in werking te hebben op tijdstippen die in strijd zijn met de vergunning, de lichtmasten en de weegbrug zonder vergunning te hebben geplaatst, in strijd met de vergunning te veel machines tegelijk aan het werk te hebben, in strijd met de vergunning deuren van de werkplaats geopend te hebben tijdens lawaaimakende werkzaamheden, in strijd met de milieuvergunning dagelijks grondverzet plaats te laten vinden en in strijd met het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) al 10 jaar een berg zand op het bedrijfsperceel te hebben opgeslagen, overweegt de Afdeling dat, wat daar ook van zij, zijn betoog gaat over vermeende overtredingen door het bedrijf op het bedrijfsperceel van de omgevingsvergunning en voor de inrichting geldende wettelijke regels. Hetzelfde geldt voor het betoog van [appellant sub 2] dat het bedrijf feitelijk een bedrijf in milieucategorie 4.2 is. Dit zijn handhavingskwesties en slaan niet op de juistheid of rechtmatigheid van het bestemmingsplan dat de Afdeling nu beoordeelt.Het betoog slaagt niet.11.    [appellant sub 2] stelt ook te vrezen voor onaanvaardbare geluidhinder van het in het plan mogelijk gemaakte bedrijf. Volgens hem heeft de raad de te verwachten geluidhinder onvoldoende en onjuist onderzocht en ten onrechte geen geluidmetingen verricht bij vier woningen die op ongeveer 50 m van het bedrijfsperceel staan.11.1.    De raad heeft zich bij de vaststelling van het plan gebaseerd op de resultaten van het geluidonderzoek "Akoestisch onderzoek woon- en leefklimaat [belanghebbende] [locatie 4] te Breda" van 4 april 2017, opgesteld door Gbs milieuadvies (hierna: het akoestisch rapport). [belanghebbende] heeft dit akoestisch onderzoek laten uitvoeren naar de geluidbelasting van het in het plan mogelijk gemaakte bedrijf op de woningen in de omgeving daarvan. Daarbij zijn ook de door [appellant sub 2] in zijn beroepschrift genoemde woningen betrokken.Uit het akoestisch rapport volgt dat bij de woningen in de omgeving, ook bij de woning van [appellant sub 2], aan de in de VNG-brochure ter voorkoming van geluidhinder opgenomen richtwaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau wordt voldaan. Ook staat daarin dat in de dag- en avondperiode aan de richtwaarden voor het maximaal geluidniveau wordt voldaan, maar dat het geluidniveau in de nachtperiode met 3 dB(A) wordt overschreden bij de dichtstbijzijnde woning [locatie 5]. Daarover staat in het akoestisch rapport dat indien in de geluidgevoelige ruimte een maximaal geluidniveau van 45 dB(A) kan worden gegarandeerd een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de woning wordt bereikt. Gelet op de gevelopbouw van de woning is de geluidwering daarvan zo dat het maximaal geluidniveau van 45 dB(A) gegarandeerd is.Daarnaast wordt volgens het akoestisch rapport bij die woning de in de circulaire van 29 februari 1996 van de Minister van VROM "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting: beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer" opgenomen voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) met 4 dB(A) overschreden. Daarover staat in het akoestisch rapport dat indien in de woning een binnenniveau van 35 dB(A) etmaalwaarde kan worden gegarandeerd als gevolg van indirecte hinder een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de woning wordt bereikt. Gelet op de gevelopbouw van de woning is de geluidwering daarvan zo dat het binnenniveau van 35 dB(A) gegarandeerd is.Wat [appellant sub 2] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het akoestisch rapport zulke onjuistheden of leemten in kennis vertoont dat de raad het niet aan het besluit tot vaststelling van het plan ten grondslag heeft kunnen leggen. Evenmin heeft [appellant sub 2] een contra-expertise overgelegd waaruit dat wel blijkt. De geluidberekeningen in het akoestisch rapport zijn in overeenstemming met de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai 1999. De raad heeft zich daarom, gelet op de conclusies in het akoestisch rapport, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor onaanvaardbare geluidhinder ter plaatse van de woning van [appellant sub 2] en de overige woningen in de omgeving van het bedrijfsperceel niet hoeft te worden gevreesd.Het betoog slaagt niet.12.    [appellant sub 2] heeft zijn betoog dat de raad ten onrechte niet heeft onderzocht wat de gevolgen van [belanghebbende] zijn voor het nabijgelegen natuurgebied dat behoort tot het Natuurnetwerk Nederland, niet nader toegelicht. Alleen al hierom slaagt het betoog niet.[locatie 6]13.    [appellante sub 3] exploiteert op het perceel [locatie 6] een melkgeitenbedrijf. Zij betoogt dat het begrip stikstofneutraal in artikel 1, lid 1.81, van de planregels ten onrechte is gedefinieerd als "een uitbreiding van een bedrijfsgebouw zonder extra depositie van stikstof op een nabijgelegen Natura 2000-gebied". Volgens haar leidt die definitie, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 4.2, aanhef en onder b en artikel 4, lid 4.3, aanhef en onder f, sub 1, van de planregels ertoe dat het voor haar niet meer mogelijk is te bouwen ten behoeve van de door haar voorgenomen uitbreiding van haar geitenhouderij. In dit verband wijst zij erop dat aan haar door het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college van GS) bij besluit van 25 maart 2016, krachtens artikel 16 en 19d van de Nbw 1998 vergunning is verleend voor die voorgenomen uitbreiding. Volgens haar had daarom aan de in artikel 1, lid 1.81, van de planregels opgenomen definitie van stikstofneutraal de zinsnede "dit voor zover er geen vergunning Natuurbeschermingswet, Wet natuurbescherming is afgegeven voor de beoogde uitbreiding van een bedrijfsgebouw" moeten worden toegevoegd.13.1.    Op 1 januari 2017 is de Wnb in werking getreden en zijn de Nbw 1998 en Flora- en faunawet ingetrokken. De op 25 maart 2016 aan [appellante sub 3] verleende vergunning is vóór 1 januari 2017 krachtens de Nbw 1998 verleend. Het plan is vastgesteld na 1 januari 2017 en moet worden beoordeeld aan de hand van het nu geldende recht.13.2.    In artikel 4, lid 4.2, aanhef en onder b, van de planregels is bepaald dat op de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" niet gebouwd mag worden ten behoeve van een veehouderij.In artikel 4, lid 4.3, aanhef en onder f, sub 1, van de planregels is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders met een omgevingsvergunning van het hiervoor vermelde verbod kunnen afwijken voor de uitbreiding van het aantal dieren, met dien verstande dat aangetoond wordt dat stikstofneutraal wordt gebouwd en gebruikt.De op 25 maart 2016 door het college van GS aan [appellante sub 3] krachtens artikel 16 en 19d Nbw 1998 verleende vergunning voor de uitbreiding van een veehouderij aan de [locatie 6], gaat over de door haar voorgenomen uitbreiding van haar geitenhouderij. [appellante sub 3] heeft de voor die uitbreiding benodigde gebouwen nog niet gerealiseerd. Uit haar beroep blijkt dat zij ervoor vreest dat het plan in de weg staat aan de verlening van de daarvoor benodigde omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, omdat een feitelijke toename van het aantal geiten in haar veehouderij volgens haar altijd zal leiden tot een toename van emissie en daarom ook tot depositie van stikstof op Natura 2000-gebieden in de omgeving.13.3.    De Afdeling overweegt dat het aan [appellante sub 3] met de verlening van voormelde vergunning van 25 maart 2016 is toegestaan in haar inrichting het aantal geiten te houden waarvoor die vergunning is verleend, met de daarmee gepaard gaande stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden. Als [appellante sub 3] op zijn gronden een of meer stallen bouwt ten behoeve van het houden van de geiten waarvoor de vergunning van 25 maart 2016 is verleend, dan leidt de bouw van die stallen en het daarin houden van die geiten niet tot een toename van stikstofdepositie ten opzichte van die vergunning. De bouw van die stallen voldoet daarmee aan de definitie van stikstofneutraal in artikel 1, lid 1.81, van de planregels en die planregel staat daarom, anders dan [appellante sub 3] meent, niet in de weg aan het met artikel 4, lid 4.3, aanhef en onder f, van de planregels verlenen van een omgevingsvergunning voor de bouw van een of meer stallen ten behoeve van de uitbreiding waarvoor op 25 maart 2016 krachtens de Nbw 1998 vergunning is verleend. Ter zitting heeft de raad in dit verband ook bevestigd dat het plan niet aan de verlening van een omgevingsvergunning ten behoeve van die uitbreiding in de weg staat.Het betoog slaagt niet.[locatie 1]14.    Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.15.    De beroepen van IVN en anderen, [appellant sub 6] en [appellant sub 5] zijn gericht tegen het plan wat betreft het perceel [locatie 1]. Voor deze gronden is op 17 mei 2018 een nieuw plan vastgesteld, namelijk het bestemmingsplan "Buitengebied Zuid 2013, herziening [locatie 1]".Het besluit van 17 mei 2018 wordt aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb, nu dat besluit het besluit van 13 juli 2017 voor het perceel [locatie 1] vervangt. Het besluit van 17 mei 2018 wordt in deze uitspraak eerst beoordeeld en vervolgens wordt bezien of het besluit van 13 juli 2017 wat [locatie 1] betreft nog aan de orde moet komen.Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van IVN en anderen mede betrekking op het vervangende besluit van 17 mei 2018, omdat dat besluit niet geheel aan hun beroep tegemoet komt.De raad is met het besluit van 17 mei 2018 wel volledig tegemoet gekomen aan de beroepen van [appellant sub 6] en [appellant sub 5]. Gelet hierop is bij deze beroepen geen sprake van een beroep van rechtswege.Het beroep van IVN en anderen tegen het besluit van 17 mei 201816.    IVN en anderen betogen dat het ontwerp van het plan ten onrechte niet zes maar vijf weken ter inzage heeft gelegen.16.1.    Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Wro, gelezen in samenhang met de artikelen 3:1, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerp van het plan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.16.2.    Uit de kennisgeving van het ontwerp van het plan blijkt dat het van 18 december 2017 tot en met 22 januari 2018 ter inzage heeft gelegen. Het ontwerp van het plan heeft daarom geen zes weken ter inzage gelegen. Niet aannemelijk is dat belanghebbenden door dit gebrek zijn benadeeld. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat alle belanghebbenden die een zienswijze hebben ingediend over het perceel [locatie 1] in de procedure die heeft geleid tot het besluit van 13 juli 2017, daartegen ook beroep hebben ingesteld. Die belanghebbenden hebben een beroep van rechtswege tegen het besluit van 17 mei 2018. Het is aannemelijk dat naast de belanghebbenden die in die procedure een zienswijze hebben ingediend en beroep hebben ingesteld, geen andere belanghebbenden bestaan die over het ontwerp van het plan "Buitengebied Zuid 2013, herziening [locatie 1]" een zienswijze hadden willen indienen en tegen het vastgestelde plan beroep hadden willen instellen. Onder die omstandigheden bestaat aanleiding het geconstateerde gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.Het betoog slaagt niet.16.3.    Over het betoog van IVN en anderen dat de bekendmaking van het besluit in strijd met artikel 3.8, vierde lid, van de Wro heeft plaatsgevonden, overweegt de Afdeling dat dat betrekking heeft op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en dat kan alleen al om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.Het betoog slaagt niet.17.    IVN en anderen betogen dat het plan in strijd met artikel 6.3, eerste lid, onder b, van de Verordening voorziet in een uitbreiding van een veehouderij. Hierover voeren zij aan dat het bouwperceel groter is dan 1,5 ha en het plan voorziet in een vergroting van het bouwvlak en het bouwperceel.Ook betogen zij dat in het plan ten onrechte niet is voldaan aan het in artikel 6.3, eerste lid, onder f, van de Verordening gestelde vereiste dat de landschappelijke inpassing tenminste 10% van de omvang van het bouwperceel omvat.Daarnaast betogen zij dat het in het plan voorziene bouwvlak in strijd met de Verordening ten opzichte van het voorheen geldende plan is vergroot.17.1.    De Afdeling stelt vast dat de omvang van het bouwvlak in het voorheen geldende plan, net als in het nu ter beoordeling staande plan, 1,82 ha bedraagt. Anders dan IVN en anderen betogen is het in het plan op het perceel [locatie 1] opgenomen bouwvlak dus niet groter dan in het vorige plan. Het betoog mist in zoverre feitelijke grondslag.17.2.    Anders dan IVN en anderen betogen voorziet het plan niet in een uitbreiding van de op het perceel gevestigde veehouderij, als bedoeld in artikel 6.3, eerste lid, van de Verordening. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat onder "uitbreiding" in artikel 1.89 van de Verordening een vergroting van een bestaand bouwperceel of bestaand bestemmingsvlak wordt verstaan. Het plan voorziet ten opzichte van het voorheen geldende plan niet in een vergroting van het bouwperceel. In dat verband is van belang dat in artikel 1.22 van de Verordening onder "bouwperceel" wordt verstaan: een aaneengesloten (virtueel) vlak waarop functioneel bij elkaar behorende bebouwing en voorzieningen worden geconcentreerd, bestaande uit een bouwvlak, waarbinnen de gebouwen zijn toegelaten, met direct daaraan grenzende gronden waar ook bouwwerken geen gebouwen zijnde en vergunningvrije bouwwerken zijn toegestaan. Het bouwperceel omvat dus niet alleen het bouwvlak, maar ook de daarbij behorende gronden waar ook bouwwerken geen gebouwen zijnde en vergunningvrije bouwwerken zijn toegestaan. Dat oude plan maakte op het perceel [locatie 1] binnen het bouwvlak gebouwen en daarbuiten bouwwerken geen gebouwen zijnde mogelijk. Gelet op de in de Verordening gegeven definitie van bouwperceel omvatte het bouwperceel in dat plan daarom het gehele perceel [locatie 1]. Waar IVN en anderen hebben aangevoerd dat met de vormverandering de grens van het bouwvlak langer is geworden waardoor de hoeveelheid daarbij behorende gronden waar ook bouwwerken geen gebouwen zijnde en vergunningvrije bouwwerken zijn toegestaan toeneemt, overweegt de Afdeling dat de vormverandering van het bouwvlak er onder meer op ziet dat een deel van het bouwvlak dat voorheen aan de oostzijde van het plangebied lag, is opgeschoven naar de noordzijde, ten behoeve van de bouw van een nieuwe stal. Die gronden lagen in het voorheen geldende plan aansluitend aan het bouwvlak en maakten daarmee onderdeel uit van het bouwperceel. In het nu vastgestelde plan is aan de gronden die direct aansluiten aan het bouwvlak de bestemming "Natuur" toegekend. Die gronden met de bestemming "Natuur" kunnen, gelet op de definitie van bouwperceel in artikel 1.22 van de Verordening, geen deel uitmaken van het bouwperceel. Doordat aan die gronden de bestemming "Natuur" is gegeven, leidt de verschuiving van het bouwvlak in noordelijke richting niet tot eenzelfde verschuiving van het bouwperceel.Omdat het plan niet voorziet in een uitbreiding van een veehouderij als bedoeld in artikel 6.3, eerste lid, van de Verordening staat dat artikellid niet aan de vaststelling van het plan in de weg.Het betoog slaagt niet.18.    IVN en anderen betogen vervolgens dat het plan in strijd met artikel 3.2 van de Verordening voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling op het perceel [locatie 1]. In dat verband voeren zij aan dat de raad de in het plan voorziene ruimtelijke ontwikkeling ten onrechte heeft aangemerkt als een categorie-2-ontwikkeling als bedoeld in de Landschapsinvesteringsregeling gemeente Breda (hierna: de Lir) en de oppervlakte van de landschappelijke inpassing daarom is beperkt tot een oppervlakte van 1.820 m2. Volgen IVN en anderen is de in het plan voorziene ontwikkeling een categorie-3-ontwikkeling omdat het plan voorziet in vergroting van het bouwvlak ten opzichte van het voorheen geldende plan en wordt niet voldaan aan de in de Lir aan een categorie-3-ontwikkeling gestelde vereisten.18.1.    Zoals de Afdeling hiervoor onder 17.1 heeft overwogen voorziet het plan in vergelijking met het voorheen geldende plan niet in een vergroting van het bouwvlak. Wel is het bouwvlak ten opzichte van het voorheen geldende plan van vorm veranderd. Zo’n vormverandering wordt in de Lir in hoofdstuk 7 met de titel "Indeling in categorieën van de meest voorkomende ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied" als categorie-2-ontwikkeling genoemd. Het plan voorziet daarom, anders dan IVN en anderen stellen in een categorie-2-ontwikkeling.Het betoog slaagt niet.19.    IVN en anderen betogen dat het plan in strijd met artikel 6.3, eerste lid, onder c, en tweede lid, onder a, sub II, van de Verordening is vastgesteld. In dat verband voeren zij aan dat bij de beoordeling of de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving inpasbaar is in de omgeving, ten onrechte niet is uitgegaan van de maximale mogelijkheden van het plan.In dat verband voeren zij aan dat niet wordt voldaan aan de in artikel 6.3, tweede lid, onder a, sub III, van de Verordening gestelde normen voor cumulatieve geurhinder. Volgens hen is de raad er ten onrechte van uitgegaan dat de kans op cumulatieve geurhinder niet hoger is dan 20%. Zij menen dat de raad voor de beoordeling van de kans op cumulatieve geurhinder ten onrechte bijlage 6 bij de Handreiking wet geurhinder en veehouderij ten grondslag heeft gelegd. Volgens hen had de raad bij die beoordeling de resultaten van het rapport "Geurhinder van veehouderijen nader onderzocht" van de GGD Brabant/Zeeland en het IRAS instituut van de universiteit van Utrecht van 23 maart 2015 (hierna: het GGD-rapport) moeten betrekken. In dat verband voeren zij aan dat, anders dan in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 13 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2445, ten tijde van het nemen van het hier aan de orde zijnde besluit vervolgonderzoeken beschikbaar waren, waaruit blijkt dat de handreiking niet langer kon of mocht worden gebruik of waarin de nieuwe inzichten omtrent de aanvaardbaarheid van geurhinder waren opgenomen. In dat verband wijzen zij erop dat in het RIVM-rapport 2015-2016 wordt geadviseerd om binnen de concentratiegebieden in Noord-Brabant en Noord-Limburg de in het GGD-rapport opgenomen zogenoemde blootstellingsrelaties te gebruiken voor het bepalen van hinder.Daarnaast betogen IVN en anderen dat de raad de geurhinder die wordt veroorzaakt door de in het plan mogelijk gemaakte veehouderij te laag heeft ingeschat omdat voor het beperken van geurhinder gebruik zal worden gemaakt van zogenoemde combiwassers en gebleken is dat het rendement van dat type luchtwassers tegenvalt. In dat verband wijzen zij erop dat de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat in haar brief van 3 april 2018 aan de Tweede Kamer heeft laten weten dat uit onderzoek is gebleken dat de combiwassers niet de volgens de Regeling geurhinder verwachte gemiddelde geurreductie van 81%, maar van slechts 40% behalen. Volgens IVN en anderen had de raad moeten anticiperen op hogere geuremissiefactoren.19.1.    In de plantoelichting staat dat voor de beoordeling van de geurhinder die van de in het plan mogelijk gemaakte veehouderij is te verwachten, berekeningen zijn gemaakt met V-Stacks. Daarbij is uitgegaan van het veebestand en de stalsystemen zoals die zijn vergund in de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu van 1 juni 2017. Waar IVN en anderen aanvoeren dat daarmee niet is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden overweegt de Afdeling dat met de bouw van de beoogde nieuwe stal het in het plan opgenomen bouwvlak vrijwel geheel is bebouwd, waardoor verdere uitbreiding van stallen fysiek niet mogelijk is. Daarnaast bepaalt artikel 3, lid 3.2, van de planregels dat het bouwen ten behoeve van een veehouderij niet is toegestaan. Hierbij gaat het om het oprichten van nieuwe bebouwing voor zover niet vergund ten tijde van de vaststelling van het plan. Onder die omstandigheden bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de berekening van de van de inrichting te verwachten geurhinder niet is uitgegaan van de maximale planologische situatie.IVN en anderen hebben de juistheid van de geurberekeningen verder niet betwist. Wat zij hebben aangevoerd geeft daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de raad die berekeningen niet aan het besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Uit de geurberekeningen volgt namelijk dat de cumulatieve geurhinder overal minder dan 20 ouE/m3 bedraagt. Volgens tabel A in bijlage 6 bij de Handreiking geurhinder en veehouderij bedraagt het percentage geurgehinderden in een concentratiegebied, zoals hier aan de orde, bij een achtergrondbelasting van 20 ouE/m3 20%. Uit de door de raad aan het besluit ten grondslag gelegde geurberekeningen volgt daarom dat wordt voldaan aan de in artikel 6.3, eerste lid, onder d en tweede lid, onder a, sub III, van de Verordening gestelde normen voor cumulatieve geurhinder.19.2.    Waar IVN en anderen onder verwijzing naar het GGD-rapport hebben gesteld dat de raad niet mocht uitgaan van tabel A in bijlage 6 bij de Handreiking geurhinder en veehouderij overweegt de Afdeling het volgende.De Afdeling heeft in de door IVN en anderen aangehaalde uitspraak van 13 september 2017 overwogen dat in het GGD-rapport en in de aankondigingsbrief niet is vermeld dat de handreiking niet langer gebruikt mag worden. Ook is in die uitspraak overwogen dat niet is gebleken dat documenten beschikbaar waren waaruit volgt dat de handreiking niet langer kon of mocht worden gebruikt of waarin nieuwe inzichten omtrent de aanvaardbaarheid van geurhinder waren opgenomen.Uit het door IVN en anderen genoemde rapport volgt niet dat de handreiking niet langer kon of mocht worden gevolgd. De raad heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat bij het nemen van het besluit onvoldoende aanleiding bestond om bij de toepassing van de Verordening de geurgehinderdenpercentages en de bijbehorende indelingen in het leefklimaat van bijlage 6 van de handreiking los te laten.19.3.    Waar IVN en anderen betogen dat de raad naar aanleiding van de brief aan de Tweede Kamer van de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 3 april 2018 had moeten anticiperen op andere geuremissiefactoren overweegt de Afdeling dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan in beginsel moet uitgaan van de op dat moment geldende wet- en regelgeving. De raad heeft voor de beoordeling van de geurhinder aansluiting gezocht bij de geuremissienormen van bijlage 1 van de Regeling geurhinder en veehouderij zoals die golden ten tijde van het nemen van het besluit. Dat de staatssecretaris in die brief aan de Tweede Kamer heeft laten weten dat reductie van geur door combiwassers aanzienlijk minder was dan waarvan tot dan toe werd uitgegaan, maakt niet dat de raad niet voor de berekening van de geurhinder die te verwachten is van de in het plan mogelijk gemaakte veehouderij mocht uitgaan van de geuremissiefactoren van bijlage 1 bij de Regeling geurhinder en veehouderij zoals die toen luidde.19.4.    Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in het plan mogelijk gemaakte veehouderij op het perceel [locatie 1] niet leidt tot onaanvaardbare geurhinder. Wat IVN en anderen hebben aangevoerd geeft daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met artikel 6.3, eerste lid, onder c, en tweede lid, onder a, sub II, van de Verordening is vastgesteld.Het betoog slaagt niet.20.    IVN en anderen betogen dat de raad in strijd met artikel 3.3, sub b (lees: artikel 3.1, derde lid, onder b) van de Verordening bij de beoordeling van de effecten op de volksgezondheid ten onrechte niet is uitgegaan van de maximale planologische situatie.20.1.    In de plantoelichting staat dat de GGD op 18 januari 2017 een gezondheidskundige beoordeling heeft uitgevoerd in het kader van de aanvraag om de omgevingsvergunning. Daarbij is uitgegaan van het bedrijf zoals dat in de aanvraag om de omgevingsvergunning is weergegeven. Zoals hiervoor onder 19.1 is overwogen is de raad daarmee uitgegaan van de maximale planologische situatie.Het betoog slaagt niet.21.    IVN en anderen betogen tot slot dat de raad het plan ten onrechte heeft vastgesteld in strijd met de artikelen 6.3, eerste lid, aanhef en onder g, van de Verordening. In dat verband voeren zij aan dat geen zorgvuldige dialoog is gevoerd, omdat de initiatiefnemer niet heeft gereageerd op een verzoek om de dialoog op neutraal terrein te voeren.21.1.    In de toelichting van de Verordening staat dat de zorgvuldige dialoog erop is gericht om in een vroegtijdig stadium, nog voordat het concrete plan vastligt, kennis te nemen van eventuele bezwaren, wensen en belangen van omwonenden zodat die bij de uitwerking kunnen worden betrokken. De gemeente beslist daarbij of de dialoog op een (voldoende) zorgvuldige wijze is gevoerd. In paragraaf 8.2 van de plantoelichting staat dat het conceptontwerp van het bestemmingsplan in het kader van de inspraak aan de burgers is voorgelegd. Hiertoe is het plan ter inzage gelegd en is een informatiebijeenkomst gehouden. De resultaten van de inspraak zijn verwerkt in een aparte commentaarnota inspraak die als bijlage bij de toelichting is gevoegd. Het betoog van IVN en anderen geeft geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende invulling is gegeven aan de eis van een zorgvuldige dialoog als bedoeld in artikel 6.3, eerste lid, aanhef en onder g, van de Verordening.Het betoog slaagt niet.22.    De beroepsgronden van IVN en anderen tegen het besluit van 17 mei 2018 slagen geen van alle.Het beroep van IVN en anderen, [appellant sub 6] en [appellant sub 5] tegen het besluit van 13 juli 201723.    De beroepsgronden van IVN en anderen tegen het besluit van 17 mei 2018 slagen niet, zoals onder 22 is overwogen. Aan de door [appellant sub 6] en [appellant sub 5] ingestelde beroepen tegen het besluit van 13 juli 2017 wordt in het besluit van 17 mei 2018 volledig tegemoet gekomen. Onder deze omstandigheden en nu ook overigens niet is gebleken van enig belang ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat IVN en anderen, [appellant sub 6] en [appellant sub 5] geen belang meer hebben bij een inhoudelijke bespreking van hun beroep tegen het besluit van 13 juli 2017.Overakkerstraat 372 (Manege Overakker)24.    Met het plan wordt een bestaande paardenbak op het perceel Overakkerstraat 372 voor het eerst als zodanig bestemd en wordt voorzien in uitbreidingsruimte voor het realiseren van een nieuwe binnenbak. A.J. Investments B.V. is eigenaar van het perceel. De binnenbak is nodig omdat de huidige capaciteit voor het binnenrijden onvoldoende is. A.J. Investments B.V. stelt dat met het realiseren van een tweede binnenbak ook tijdens groepslessen binnen gereden kan worden met pensionpaarden. Zij wenst geen uitbreiding van het aantal paarden.25.    De vogelwerkgroep en andere betogen dat het plan in strijd met artikel 3.2, eerste lid en 6.10, derde lid, onder c, van de Verordening 2014 is vastgesteld. Ter zitting hebben de vogelwerkgroep en andere uiteengezet dat hun bezwaar erin bestaat dat in het plan de krachtens die artikelen vereiste kwaliteitsverbetering en positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken, onvoldoende zijn geborgd. Weliswaar levert uitvoering van het in opdracht van A.J. Investments B.V. opgestelde landschappelijk inpassingsplan voor het perceel Overakkerstraat 372 een voldoende bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische en landschappelijke waarden, maar volgens de vogelwerkgroep en andere is de uitvoering daarvan onvoldoende verzekerd in het plan. In dat verband wijzen zij erop dat een deel van de in het plan voorziene elementen van landschappelijke inpassing zich niet bevinden in de bestemming "Natuur" maar in de bestemming "Sport". Het betreft weliswaar bestaande houtsingels en bomen, maar binnen de bestemming "Sport" bestaat er geen verplichting om die houtsingels en bomen in stand te houden. Verder wijst zij er in dit verband op dat de aanduiding "specifieke vorm van natuur - landschapsinvesteringsregeling" alleen is toegekend aan de gronden met de bestemming "Natuur" ter plaatse van de entree van het perceel.25.1.    In de plantoelichting staat dat op regionaal niveau in overleg met de provincie afspraken zijn gemaakt over de uitvoering van de in de Verordening 2014 vereiste kwaliteitsverbetering van het landschap. Om met name de landschappelijke inpassing handen en voeten te geven, zo staat in de plantoelichting, is de Lir opgesteld en is deze als bijlage bij de planregels gevoegd. In de uitspraak van 1 februari 2017 heeft de Afdeling overwogen dat de plantoelichting daarmee in overeenstemming met artikel 3.2, vijfde lid, van de Verordening 2014 een verantwoording bevat over de wijze waarop de afspraken over de kwaliteitsverbetering van het landschap die zijn gemaakt in het regionaal overleg, worden nagekomen. De Afdeling heeft in die uitspraak voorts overwogen dat die kwaliteitsverbetering ingevolge artikel 3.2, eerste lid, van de Verordening 2014 wel in het plan moet zijn gewaarborgd. Dat volgt ook uit de toelichting bij het vijfde lid van deze bepaling. Daarin staat dat kan worden verwezen naar afspraken die zijn gemaakt in het kader van het regionaal overleg, maar dat het daarbij nog steeds nodig is dat conform de gemaakte afspraken de kwaliteitsverbetering bij concrete ontwikkelingen in het bestemmingsplan wordt geborgd. De Afdeling overwoog daarover dat in het plan voor de op het perceel Overakkerstraat 372 voorziene ruimtelijke ontwikkeling niet was gewaarborgd dat de kwaliteitsverbetering is gerealiseerd, bijvoorbeeld met een verwijzing in de planregels naar de Lir.25.2.    De raad heeft ter zitting uiteengezet dat de manege op het perceel al vrijwel geheel landschappelijk is ingepast. In dat verband wijst hij erop dat rondom vrijwel de gehele manege al brede houtsingels staan, waarvan het behoud in de planregels is verzekerd, door het opnemen van een planregel die voor het verrichten van werkzaamheden als het vellen van bomen een omgevingsvergunning vereist. Die bestaande houtsingels zijn in het landschappelijk inpassingsplan ook als bestaand aangewezen. Wat betreft die houtsingels behoeft daarom in het plan niet meer te worden verzekerd dat die ook zullen worden gerealiseerd. Volgens de raad behoeft daarom alleen de verdichting van de houtsingels aan de entree van het perceel te worden verzekerd. De raad heeft daarom aan de gronden waarop in het landschappelijk inpassingsplan de verdichting van die houtsingels is voorzien de bestemming "Natuur" en de aanduiding "specifieke vorm van natuur - landschapsinvesteringsregeling" toegekend. Daarmee is verzekerd dat op die gronden een kwaliteitsverbetering die voldoet aan de Lir wordt verwezenlijkt, aldus de raad.25.3.    De Afdeling stelt vast dat in het landschappelijk inpassingsplan de bestaande houtsingels rondom de manege en bestaande solitaire bomen op het erf weliswaar staan vermeld, maar dat dat plan niet voorziet in verdere ontwikkeling van die elementen. Waar de vogelwerkgroep en andere aanvoeren dat het behoud van die elementen niet verzekerd is overweegt de Afdeling dat de brede houtsingels staan op gronden waaraan in het plan de bestemmingen "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden", "Agrarisch met waarden - Natuur en Landschapswaarden" en "Natuur" zijn toegekend.In de artikelen 4.6, 5.6, en 13.4 van de planregels is op het uitvoeren van werken en werkzaamheden artikel 26, lid 26.8.1, van de planregels van toepassing verklaard.In artikel 26, lid 26.8.1, van de planregels is bepaald dat het verboden is zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders binnen de bestemde of nader aangeduide gebieden houtgewas als bos, houtsingels, boomgroepen, struwelen te vellen, alsmede landschapselementen als poelen, moerasjes en ruigten te verwijderen. Voorts is in dat artikellid, voor zover hier van belang, bepaald dat een omgevingsvergunning daarvoor slechts toelaatbaar is indien door die werken en of werkzaamheden de natuur- en landschappelijke waarden en de cultuurhistorische en archeologische waarden op deze gronden niet in onevenredige mate worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het behoud, de versterking en of het herstel van die waarden niet in onevenredige mate worden verkleind.De Afdeling overweegt dat daarmee het behoud van de in het landschappelijk inpassingsplan opgenomen bestaande landschapselementen voldoende is verzekerd. Waar de vogelwerkgroep en andere betogen dat het behoud van de bestaande solitaire bomen op de gronden met de bestemming "Sport" onvoldoende verzekerd is, overweegt de Afdeling dat, wat daarvan ook zij, die bomen voor de landschappelijke inpassing niet nodig zijn, omdat die, door de houtsingels om het bedrijf, van buiten het bedrijf niet zichtbaar zullen zijn. Overigens heeft A.J. Investments B.V. ter zitting verklaard niet voornemens te zijn bomen op het perceel te vellen.In het landschappelijk inpassingsplan staat dat de bestaande houtsingels bij de entree van het bedrijf zullen worden versterkt door het toevoegen van nieuwe inheemse beplanting waaronder eik, els, wilg, berk, populier, hazelaar, lijsterbes, vogelkers, hulst, vuilboom en Gelderse roos. Aan de gronden waarop volgens het landschappelijk inpassingsplan de versterking van de bestaande houtsingels bij de entree van het perceel zal plaatsvinden is de bestemming "Natuur" met de aanduiding "specifieke vorm van natuur - landschapsinvesteringsregeling" toegekend. Die gronden zijn, voor zover hier van belang, ingevolge artikel 13, lid 13.1, van de planregels bestemd voor de duurzame instandhouding van natuurgebieden; behoud, herstel en/of ontwikkeling van de aan de natuurgebieden eigen zijnde natuur- en hydrologische waarden en behoud of versterking van landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden. Daarmee is de beoogde versterking van de houtsingels ter plaatse mogelijk gemaakt. De raad heeft voorts in artikel 13, lid 13.3, van de planregels bepaald dat ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van natuur - landschapsinvesteringsregeling" een op basis van een toegestane ruimtelijke ontwikkeling vereiste kwaliteitsverbetering dient te worden aangelegd en in stand gehouden die voldoet aan de Lir. Daarmee heeft de raad de vereiste kwaliteitsverbetering voldoende in het plan gewaarborgd.Het betoog slaagt niet.Den Dogdreef 13 (Dierenpension Den Dog)26.    De vogelwerkgroep en andere kunnen zich niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" met de aanduiding "dierenpension" op het perceel Den Dogdreef 13. Zij betogen dat de raad hier ten onrechte een dierenpension mogelijk maakt. Daarover voeren zij aan dat het ter plaatse gevestigde dierenpension valt onder categorie 3.2 uit de VNG-brochure, terwijl in het bestemmingsplan ter plaatse uitsluitend een dierenpension tot en met categorie 2 is toegestaan. De raad heeft het ter plaatse bestaande dierenpension daarom niet als zodanig bestemd, aldus de vogelwerkgroep en andere. Zij wijzen erop dat de Afdeling in de uitspraak van 1 februari 2017 heeft geoordeeld dat de raad niet heeft onderbouwd dat het bestaande dierenpension vergelijkbaar is met een categorie-2-bedrijf. De vogelwerkgroep en andere voeren aan dat de raad dit in het nu voorliggend plan nog steeds niet heeft onderbouwd. In dat verband wijzen zij erop dat het akoestisch rapport dat de raad bij het nu voorliggende plan aan die conclusie ten grondslag heeft gelegd ook aan het door de Afdeling in de uitspraak van 1 februari 2017 vernietigde besluit ten grondslag was gelegd.26.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat hij het legaal bestaande dierenpension aan de Den Dogdreef als zodanig heeft bestemd. Volgens de raad laten de planregels ook bedrijven toe in een hogere milieucategorie, als die bedrijven wat betreft omvang, aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met bedrijven in de categorieën 1 en 2. De raad heeft voor de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de ruimtelijke gevolgen van het dierenpension aansluiting gezocht bij de VNG-brochure. De raad stelt zich op het standpunt dat het op het perceel Den Dogdreef 13 bestaande dierenpension op basis van de daadwerkelijke hinder gelijkgesteld kan worden met een bedrijf in milieucategorie 2 uit de VNG-brochure. In het raadsvoorstel staat daarover de volgende motivering:"Het initiatief Den Dogdreef 13 is onderbouwd met een akoestisch onderzoek van 23 oktober 2012. In dit rapport is het volgende geconstateerd: ‘Op 15 meter is een woning van derden aanwezig, die ook is meegenomen in het akoestisch onderzoek. De toetsing en de daaruit voortvloeiende geluidsnormering in de omgevingsvergunning sluit aan bij de normering voor een rustige woonwijk, namelijk 45, 40 en 35 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode. Hiervan uitgaande wordt op een afstand van 15 meter aan deze normering voldaan. De conclusie is dan ook dat een categorie-aanduiding 3.2 niet in verhouding staat met de activiteiten die worden aangevraagd. De inrichting is dan ook qua omvang en milieuhinder te vergelijken met een inrichting in milieucategorie 2. Dit betekent dat op basis van de destijds verleende vergunning ruimschoots wordt voldaan aan de afstandsnorm van 30 meter die behoort bij categorie-2 inrichtingen en het onderhavige bedrijf is daarmee dan ook vergelijkbaar."26.2.    De Afdeling stelt voorop dat zij in deze procedure het bestemmingsplan beoordeelt en niet de omgevingsvergunning voor de Den Dogdreef of de feitelijke situatie ter plaatse.De raad heeft voor de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de ruimtelijke gevolgen van het dierenpension aansluiting gezocht bij de VNG-brochure. In de VNG-brochure en de staat van bedrijfsactiviteiten die als bijlage bij de planregels is gevoegd, wordt een dierenpension aangemerkt als een bedrijf in categorie 3.2, waarvoor een richtafstand van 100 m geldt. Ingevolge artikel 4, lid 4.2, aanhef en onder g, van de planregels, mag het dierenpension aan de Den Dogdreef 13 maximaal milieucategorie 2 zijn, waarvoor in de VNG-brochure een richtafstand van 30 m geldt. Zoals de Afdeling ook al heeft overwogen in de uitspraak van 1 februari 2017 maakt de omstandigheid dat wordt voldaan aan zowel deze richtafstand als de geluidnormen die voortvloeien uit het Activiteitenbesluit milieubeheer niet dat het dierenpension aan de Den Dogdreef 13 vergelijkbaar is met een bedrijf in milieucategorie 2.Anders dan waarvan de raad uitgaat staat in het ten behoeve van de verlening van een omgevingsvergunning voor het bedrijf aan de Den Dogdreef 13 uitgevoerde akoestisch onderzoek van milieuadviesbureau M&A van 23 oktober 2012 niet dat op een afstand van 15 meter ter plaatse van een woning van derden wordt voldaan aan de geluidnormen voor een rustige woonwijk. Weliswaar staat daarin dat ter plaatse van de omliggende woningen wordt voldaan aan die geluidnormen, maar de bij de beoordeling betrokken woningen liggen allemaal op een afstand van meer dan 30 meter van Den Dogdreef. Daarnaast is de berekende geluidbelasting ter plaatse van die woningen niet zo laag dat daaruit afgeleid kan worden dat op een afstand van 15 meter wordt voldaan aan de geluidnormen voor een rustige woonwijk.De raad heeft daarom niet onderbouwd dat de ruimtelijke uitstraling van het bestaande dierenpension aan de Den Dogdreef zo anders is dan van andere dierenpensions waarvan in de VNG-brochure en de staat van bedrijfsactiviteiten is uitgegaan, dat het dierenpension aan de Den Dogdreef 13, mede gelet op het ingevolge de omgevingsvergunning aantal toegestane honden, vergelijkbaar is met een bedrijf in milieucategorie 2.Gelet op het voorgaande heeft de raad het legaal bestaande dierenpension aan de Den Dogdreef niet als zodanig bestemd. Nu de raad dit blijkens het vaststellingsbesluit wel heeft beoogd, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre is vastgesteld in strijd met de daarbij te betrachten zorgvuldigheid.Het betoog slaagt.27.    Daarnaast voeren de vogelwerkgroep en andere aan dat het plan op het perceel Den Dogdreef voorziet in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. Volgens hen voorziet het plan in strijd met artikel 3.2, eerste lid, van de Verordening 2014 ten onrechte niet in een kwaliteitsverbetering van het gebied of de omgeving. De vogelwerkgroep en andere hebben in een nader stuk uiteengezet dat het standpunt van de raad dat voor een plan een omgevingsvergunning is verleend, niet maakt dat het plan niet in een ruimtelijke ontwikkeling voorziet. In dat verband hebben zij erop gewezen dat de oppervlakte van de gronden met de aanduiding "dierenpension" in totaal 3.000 m2 is. Weliswaar is de oppervlakte van de gebouwen die daarbinnen gebouwd mogen worden beperkt tot de oppervlakte van de bestaande 400 m2 die ook op grond van de omgevingsvergunning is toegelaten, maar, anders dan in de omgevingsvergunning, maakt het plan het mogelijk die gebouwen op een andere plaats neer te zetten dan op grond van de omgevingsvergunning mogelijk is gemaakt.27.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat een kwaliteitsverbetering niet nodig is omdat voor het dierenpension een omgevingsvergunning is verleend die inmiddels onherroepelijk is. Daarom voorziet het plan volgens de raad niet in een ruimtelijke ontwikkeling en is artikel 3.2, eerste lid, van de Verordening 2014 hier niet van toepassing.27.2.    In artikel 1.76 van de Verordening 2014 is ruimtelijke ontwikkeling gedefinieerd als: bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten waarvoor een wijziging van het planologisch regime nodig is.27.3.    Op 11 april 2013 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten:1. bouwen;2. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, regels gesteld door Rijk of provincie of een voorbereidingsbesluit;3. milieu, inrichting oprichten of veranderen.Wat betreft de onder 2 en 3 genoemde activiteiten heeft die omgevingsvergunning betrekking op de gronden waaraan in het plan de aanduiding "dierenpension" is toegekend. In zoverre maakt het plan geen ruimtelijke ontwikkeling mogelijk.Wat betreft de onder 1 genoemde activiteit bouwen zijn de mogelijkheden tot bouw van gebouwen ten behoeve van het dierenpension beperkt tot de plaatsing van de gebouwen zoals die in de plattegrondtekening die behoort bij het besluit van 11 april 2013 is aangegeven. De raad heeft met juistheid gesteld dat, gelet op artikel 4, lid 4.2, aanhef en onder o, van de planregels maximaal 400 m2 aan bebouwing ten behoeve van het dierenpension aanwezig mag zijn. Niet in geschil is dat die omvang gelijk is aan de bestaande bebouwing van het dierenpension. Anders dan waarvan de raad is uitgegaan voorziet het plan echter wel in een ruimtelijke ontwikkeling, omdat het plan weliswaar geen uitbreiding in oppervlakte van de bebouwing mogelijk maakt, maar wel bebouwing van eenzelfde oppervlakte op een andere plaats binnen de aanduiding "dierenpension" mogelijk maakt. Het plan maakt daarmee een andere ruimtelijke ontwikkeling mogelijk dan in de omgevingsvergunning van 11 april 2013 mogelijk is gemaakt. Daarmee voorziet het plan in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.76 van de Verordening 2014.Ingevolge artikel 3.2, eerste lid, van de Verordening 2014 bepaalt een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk maakt, dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied of de omgeving. De in verband met een ruimtelijke ontwikkeling vereiste kwaliteitsverbetering moet, gelet op die bepaling, zijn verantwoord in de plantoelichting. De Afdeling stelt vast dat in de toelichting bij het plan niet is onderbouwd dat de ruimtelijke ontwikkeling aan de Den Dogdreef voldoet aan de vereiste kwaliteitsverbetering.Gelet op het voorgaande slaagt het betoog van de vogelwerkgroep en andere dat de vereiste kwaliteitsverbetering bij de ontwikkeling aan de Den Dogdreef niet is gewaarborgd in het plan, waardoor het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 3.2, eerste lid, van de Verordening 2014.Glastuinbouw28.    De vogelwerkgroep en andere betogen dat in artikel 4, lid 4.3, onder f, van de planregels ten onrechte opnieuw de zinsnede "of de bouw of uitbreiding van kassen" is opgenomen. In dat verband voeren zij aan dat de Afdeling dat artikel in zoverre heeft vernietigd in de uitspraak van 1 februari 2017 en de raad in de toelichting bij het besluit stelt dat daarom geen reparatie meer nodig is.Ook voeren zij aan dat in artikel 4, lid 4.7, onder a, onder 5, van de planregels ten onrechte de zinsnede "of de uitbreiding van kassen" is opgenomen. Omdat uitbreiding van kassen in beginsel niet mogelijk is, is deze zinsnede volgens de vogelwerkgroep en andere een dode letter.28.1.    De raad stelt in het verweerschrift dat de door de vogelwerkgroep en andere bedoelde zinsneden abusievelijk zijn gehandhaafd en het beter was geweest als de zinsnede niet langer in de bepalingen was opgenomen.28.2.    Omdat de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit, voor zover in artikel 4, lid 4.3, onder f, van de planregels de zinsnede "of de bouw of uitbreiding van kassen" is opgenomen en voor zover in artikel 4, lid 4.7, onder a, onder 5, van de planregels de zinsnede "of de uitbreiding van kassen" is opgenomen, niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.Het betoog slaagt.Seizoenarbeiders29.    De vogelwerkgroep en andere hebben bezwaar tegen de mogelijkheden die het plan biedt voor de huisvesting van seizoenarbeiders. Zij betogen dat de raad, om een goed woon- en leefklimaat van omwonenden te verzekeren, in de planregels een minimale afstand had moeten opnemen die moet worden aangehouden tussen woonunits voor seizoenarbeiders en nabijgelegen woningen. Het in de planregels gestelde vereiste dat moet worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat niet wordt aangetast, vinden de vogelwerkgroep en andere onvoldoende.29.1.    Het plan voorziet niet bij recht in de realisatie van huisvesting voor seizoenarbeiders. Wel voorzien artikel 3, lid 3.3, aanhef en onder a, en artikel 4, lid 4.3, aanhef en onder a, van de planregels erin dat het college van burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning kan verlenen om, in afwijking van lid 3.1, onder a, en lid 4.1, onder a, stacaravans en/of woonunits te plaatsen en gebruiken of een bedrijfsgebouw te verbouwen en gebruiken voor de tijdelijke huisvestiging van seizoenarbeiders. In lid 3.3, onder a, sub 3 en 7, en lid 4.3, onder a, sub 3 en 7 zijn daaraan de vereisten gesteld dat per bedrijf maximaal veertig seizoenarbeiders mogen worden gehuisvest en dat aangetoond wordt dat door de huisvesting van seizoenarbeiders geen extra negatieve effecten zullen ontstaan voor het woon- en leefklimaat in de omgeving.Daarnaast voorzien artikel 3, lid 3.5, aanhef en onder g, en artikel 4, lid 4.7, aanhef en onder g, van de planregels erin dat het college van burgemeester en wethouders een wijzigingsplan kan vaststellen voor het huisvesten van meer seizoenarbeiders dan is aangegeven in lid 3.3, onder a, sub 3 en 4.3, onder a, sub 3, met een maximum van 120 seizoenarbeiders. Voorts moet daarbij ook worden voldaan aan het vereiste dat aangetoond wordt dat door de huisvesting van seizoenarbeiders geen extra negatieve effecten zullen ontstaan voor het woon- en leefklimaat in de omgeving.29.2.    De Afdeling is van oordeel dat uit artikel 3, lid 3.3, aanhef en onder a en lid 3.5, aanhef en onder g, en artikel 4, lid 4.3, aanhef en onder a, en lid 4.7, aanhef en onder g, van de planregels voldoende duidelijk blijkt onder welke omstandigheden het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor het afwijken van een plan mag verlenen of een wijzigingsplan mag vaststellen voor de realisatie van woonunits binnen het bouwvlak van een agrarisch bedrijf voor ten hoogste veertig onderscheidenlijk 120 seizoenarbeiders die bij het desbetreffende bedrijf werkzaam zijn. Bij de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning en bij het vaststellen van een wijzigingsplan zal het bevoegd gezag aan de hand van de specifieke omstandigheden van het geval moeten beoordelen of geen extra negatieve effecten zullen ontstaan voor het woon- en leefklimaat van de omgeving en zo’n beslissing kan in rechte worden getoetst. Indien aan dat vereiste niet kan worden voldaan staat het plan aan verlening van zo’n omgevingsvergunning in de weg. Omdat de vereiste beoordeling geldt voor alle gevallen waarin zo’n aanvraag wordt gedaan behoefde de raad geen minimale afstand tot omliggende woningen in de planregels op te nemen.Het betoog slaagt niet.Landschapsinvesteringsregeling30.    Wat betreft het betoog van de vogelwerkgroep en andere dat in de bijlage van de in bijlage 2 bij de planregels opgenomen Lir een zestal boomsoorten ontbreekt overweegt de Afdeling dat, omdat bijlage 1 bij de Lir uitsluitend een niet-limitatieve lijst met voorbeelden van inheemse beplanting bevat, het ontbreken van de zes door de vogelwerkgroep en andere genoemde bomen er niet toe leidt dat die boomsoorten voor landschappelijke inpassing niet mogen worden gebruikt. Wat de vogelwerkgroep en andere hebben aangevoerd geeft daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre onvolledig is.Het betoog slaagt niet.[locatie 7]31.    Sintels B.V. en [appellant sub 5] kunnen zich niet verenigen met de mogelijkheden die het plan biedt voor de vestiging van een paardenhouderij aan de [locatie 7]. [appellanten sub 8] wensen ter plaatse een paardenhouderij te vestigen met veertien fokmerries en zestien opfokpaarden. Daarvoor willen zij een africhtstal met stallen bouwen met een totale omvang van ongeveer 3.200 m2. Op het perceel is daarvoor een bouwvlak opgenomen met een oppervlakte van 5.000 m2. Aan de gronden binnen het bouwvlak is de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "paardenhouderij" toegekend.Het ponyfok en opfokbedrijf van Sintels B.V. ligt op een afstand van ongeveer 450 m tot de [locatie 7]. [appellant sub 6] exploiteert een intensieve veehouderij aan de [locatie 1], op een afstand van ongeveer 90 m van de [locatie 7].32.    Sintels B.V. en [appellant sub 5] betogen dat de raad aan een deel van de gronden van het perceel [locatie 7] in strijd met artikel 6.10 van de Verordening 2014 de bestemming "Bedrijf" met de aanduidingen "paardenhouderij" en "bouwvlak" heeft toegekend.Volgens hen heeft de raad daarmee in strijd met artikel 6.10 van de Verordening 2014 via de in artikel 6, lid 6.3, aanhef en onder d, van de planregels opgenomen afwijkingsbevoegdheid nieuwvestiging van een niet-agrarische functie mogelijk gemaakt. Sintels B.V. betoogt daarover dat aan de gronden van het perceel in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" de bestemming "Agrarisch met waarden" was toegekend en een bouwvlak van ongeveer 1.400 m2