Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:1885

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-06-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 12-06-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:1885, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201801359/1/A2


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:1885:DOC

201801359/1/A2.Datum uitspraak: 12 juni 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellant A] (hierna: [appellant A]), mede voor zijn minderjarige kind [appellant B], beiden wonend te [woonplaats],appellanten,tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 januari 2018 inzaak nr. 17/1097 in het geding tussen:[appellant A]enStichting Openbare Scholengroep Vlaardingen Schiedam (hierna: de Stichting).ProcesverloopBij besluit van 3 oktober 2016 heeft de locatiedirecteur van [school A] een verzoek van [appellant A], inhoudende toestemming voor zijn zoon [appellant B] om een kirpan (een religieuze dolk) te dragen op school, afgewezen.Bij besluit van 10 januari 2017 heeft de Stichting het door [appellant A] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 4 januari 2018 heeft de rechtbank het door [appellant A] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft [appellant A] hoger beroep ingesteld.De Stichting heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 januari 2019, waar [appellant A], bijgestaan door mr. S. Meijers, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, vergezeld van [appellant B], en de Stichting, vertegenwoordigd door mr. S. Ouwens, advocaat te Baarn, bijgestaan door [directeur-bestuurder] van de Stichting, zijn verschenen.OverwegingenFeiten en omstandigheden en standpunt Stichting1.    [appellant B] was tot aan het schooljaar 2017-2018 leerling van de openbare middelbare school "[school A]" te Vlaardingen, één van de scholen van de Stichting.    Op 5 september 2016 heeft [appellant A] een verzoek ingediend, inhoudende toestemming voor [appellant B] om een kirpan op school te dragen. Bij besluit van 3 oktober 2016 heeft de locatiedirecteur dit verzoek afgewezen, omdat volgens het door de Stichting op dit punt gevoerde beleid het dragen van een wapen of een voorwerp dat als zodanig kan worden gebruikt, zoals een kirpan, niet is toegestaan en de verantwoordelijkheid voor de veiligheid op school zwaarder weegt dan het belang van [appellant B] bij het dragen van een kirpan.    Bij het besluit op bezwaar heeft de Stichting het besluit van 3 oktober 2016 gehandhaafd. De Stichting heeft in het besluit op bezwaar te kennen gegeven dat [appellant B] niet welkom is op [school A] zolang hij de kirpan draagt. Dat geldt ook ingeval [appellant B] het door [appellant A] in bezwaar voorgestelde, kleinere alternatief, draagt.2.    [appellant A] heeft [appellant B] vervolgens met ingang van 24 augustus 2017 ingeschreven bij [school B]. Vanaf het schooljaar 2017-2018 volgt hij daar onderwijs. Wegens zijn goede schoolresultaten is hij, bij wijze van proef, overgestapt naar onderwijs op havo-niveau.Uitspraak rechtbank3.    De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant A] geen reëel en actueel belang heeft bij een oordeel over het door hem ingestelde beroep. Zij heeft daartoe overwogen dat nu [appellant B] is ingeschreven bij [school B] en hem daar wel is toegestaan om een kirpan te dragen, een beoordeling van het verzoek feitelijk geen betekenis meer heeft. De gestelde intentie om [appellant B] na het schooljaar van 2017-2018 opnieuw in te schrijven bij [school A] maakt dit niet anders, omdat dit een onzekere toekomstige gebeurtenis is. Dit geldt temeer nu tijdens de zitting is gebleken dat de mogelijkheid om [appellant B] in te schrijven afhankelijk is van de resultaten die hij in het huidige schooljaar aan [school B] zal behalen.Hoger beroep4.    [appellant A] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij door zijn inschrijving bij [school B] geen procesbelang meer heeft. Hij voert aan dat de inschrijving bij [school B] een tijdelijke oplossing is voor het niet mogen dragen van een kirpan door [appellant B] op [school A].[appellant B] heeft de intentie om bij deze school onderwijs te volgen op mavo-niveau, of om bij één van de andere scholen van de Stichting onderwijs te volgen op havo-niveau en vervolgens op vwo-niveau, zodra duidelijk wordt dat hij de kirpan mag dragen. [appellant A] heeft er verder op gewezen dat [school B] een particuliere school is en dat het lesgeld van deze school meer dan € 20.000,00 per jaar bedraagt en dat hij niet de financiële middelen heeft om dit meer schooljaren achtereen te betalen.4.1.    Gelet op hetgeen [appellant A] heeft aangevoerd is het aannemelijk dat [appellant B] opnieuw zou worden ingeschreven bij [school A] of één van de andere scholen van de Stichting zodra duidelijk wordt dat hij daar een kirpan mag dragen. Daardoor is het opnieuw inschrijven afhankelijk van de uitkomst van deze procedure en heeft de beoordeling van het (hoger) beroep tegen de in bezwaar gehandhaafde afwijzing van het verzoek van [appellant A] om toestemming voor [appellant B] voor het dragen van een kirpan, ondanks de inschrijving bij [school B], wel feitelijke betekenis. Dat de intentie om [appellant B] opnieuw in te schrijven met name afhankelijk is van de resultaten bij [school B] en die inschrijving daarom een onzekere toekomstige gebeurtenis is, zoals door de rechtbank is overwogen, is niet gebleken. De Stichting heeft haar stelling, dat de inschrijving bij [school B] was ingegeven door slechte schoolresultaten, waardoor [appellant B] zijn opleiding bij [school A] niet mocht afmaken, niet aannemelijk gemaakt. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat [appellant A] geen reëel en actueel belang meer heeft bij de beoordeling van zijn beroep.    Het betoog slaagt.Oordeel over het hoger beroep5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.Beroep6.    Ambtshalve overweegt de Afdeling dat de afwijzing van 3 oktober 2016 van het verzoek van [appellant A] geen beslissing betreft met een zuiver intern karakter. In zoverre wijkt het besluit af van de beslissing in de uitspraak van 21 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3785. De Stichting heeft [appellant B] in het besluit op bezwaar te kennen gegeven dat [appellant B] het schoolgebouw niet mag betreden zolang hij een kirpan draagt en zij heeft ter zitting bevestigd dat [appellant B] op geen van haar scholen welkom is, zolang hij de kirpan draagt. Gelet hierop komt de beslissing van 3 oktober 2016 neer op een definitief verwijderingsbesluit en is zij daarmee gericht op rechtsgevolg. De beslissing van 3 oktober 2016 betreft aldus een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.7.    In het hiernavolgende zal de Afdeling de door [appellant A] naar voren gebrachte gronden in beroep bespreken, waaraan de rechtbank niet is toegekomen.8.    [appellant A] heeft aangevoerd dat de afwijzing van zijn verzoek om toestemming voor [appellant B] om de kirpan te dragen op school in strijd is met artikel 9 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), gelezen in samenhang met artikel 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Daarnaast voert [appellant A] aan dat het besluit van de Stichting onverenigbaar is met artikel 1 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6 van die wet, en met artikel 1 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 7 van de Algemene wet gelijke behandeling (hierna: de Awgb).8.1.    Het wettelijk kader is opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.8.2.    Het door de Stichting op dit punt gevoerde beleid, dat onder meer is neergelegd in het Handelingsprotocol Schoolveiligheid, komt neer op een totaalverbod op het in het bezit hebben van voorwerpen met het karakter van een wapen of voorwerpen die als zodanig kunnen worden gehanteerd.8.3.    Een kirpan heeft de uiterlijke verschijningsvorm van een dolk. Het door [appellant A] in bezwaar voorgestelde, kleinere alternatief, heeft ook de karakteristieken van een dolk. Dat voorwerp, dat [appellant A] ter zitting heeft getoond, is weliswaar kleiner dan de meeste kirpans, maar heeft een lemmet met een lengte van ten minste zes centimeter, is krom en eindigt in een punt. Ook van dit voorwerp gaat, naar het oordeel van de Afdeling, een zekere dreiging uit. Het heeft daarmee het karakter van een wapen. Gelet hierop is het in bezit hebben van een kirpan, inclusief het door [appellant A] voorgestelde kleinere alternatief, op één van de scholen van de Stichting, op grond van het door de Stichting gevoerde beleid, verboden.Artikel 9 EVRM en artikel 2, Eerste Protocol bij het EVRM8.4.    Niet alle uitingen op religieuze gronden worden beschermd door artikel 9 van het EVRM. Er dient, gelet op de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM), een nauw en direct verband - "a sufficiently close and direct nexus" - te bestaan tussen die gedraging en de desbetreffende godsdienst of levensovertuiging. Zie EHRM, Eweida e.a./Verenigd Koninkrijk, arrest van 15 januari 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:0115JUD004842010 en EHRM (GK), S.A.S./Frankrijk, arrest van 1 juli 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:0701JUD004383511.    Het sikhisme is een monistische godsdienst. Wereldwijd zijn er  ongeveer 20 tot 27 miljoen sikhs. Door het EHRM wordt het sikhisme als een godsdienst beschouwd (vergelijk onder meer EHRM, Phull/Frankrijk, 11 januari 2005, nr. 35753/03; EHRM 30 juni 2009 en Jasvir Singh /Frankrijk, nr. 25463/08).    [appellant A] heeft erop gewezen dat een kirpan één van de vijf symbolen van Khālsā ("K") is en dat een mannelijke, gedoopte sikh, zoals ook [appellant B], verplicht is om deze K’s bij zich te dragen. Gelet hierop bestaat er een voldoende nauw en direct verband tussen het dragen van een kirpan en de door [appellant B] aangehangen godsdienst en valt de wens van [appellant B] om een kirpan te dragen binnen de reikwijdte van artikel 9 van het EVRM.8.5.    Het beleid van de Stichting is algemeen geformuleerd en niet specifiek gericht op het beperken van religieuze uitingen. Het levert in het geval van [appellant B] wel een beperking op van zijn rechten onder artikel 9 van het EVRM. De Stichting heeft immers het verzoek van [appellant A], inhoudende toestemming voor [appellant B] om in afwijking van dit beleid een kirpan te mogen dragen, afgewezen en [appellant A] in het besluit op bezwaar te kennen gegeven dat [appellant B] het schoolgebouw en het schoolterrein niet mag betreden zolang hij een kirpan draagt. De afwijzing van het verzoek betekent dan ook, anders dan de Stichting heeft gesteld, een beperking van de mogelijkheid van [appellant B] om zijn religieuze overtuiging te uiten.8.6.    Op grond van het tweede lid van artikel 9 van het EVRM kan een beperking van het in het eerste lid neergelegde recht worden gerechtvaardigd in het belang van de openbare veiligheid, gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Om de vraag of die beperking gerechtvaardigd is te kunnen beantwoorden, dient te worden bezien of zij bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van één van de in artikel 9, tweede lid, van het EVRM genoemde doelcriteria.8.7.    In het geval van [appellant B] is de regel waarop de Stichting haar beslissing heeft gebaseerd, opgenomen in het Handelingsprotocol Schoolveiligheid. Dit protocol vindt zijn grondslag in de artikelen 3b, 24 en 24a van de Wet op het Voortgezet Onderwijs (hierna: de WVO). De tekst in het Handelingsprotocol is te raadplegen op de website van de Stichting en is  helder en concreet. Daarmee is voldaan aan het vereiste dat de beperking bij wet is voorzien als vereist in artikel 9, tweede lid, van het EVRM. Daarbij is van belang dat volgens vaste rechtspraak van het EHRM het wetsbegrip materieel en niet formeel moet worden uitgelegd. Een formeelwettelijke grondslag is niet vereist: "It therefore includes everything that goes to make up the written law, including enactments of lower rank than statutes." (EHRM, Dogru t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2008:1204JUD002705805, para. 52).8.8.    [appellant A] heeft naar voren gebracht dat [appellant B] een groot belang heeft bij het dragen van een kirpan. Het dragen van de kirpan is een essentieel religieus symbool en behoort tot de kern van het geloof van een sikh. De kirpan is een gereedschap van genade, voor het dienen, beschermen en respecteren van menselijke waardigheid en zelfrespect. Het is onafscheidbaar van het lichaam en een integraal onderdeel van het geloof van de mannelijke sikh. Daarom is [appellant B] verplicht om dit voorwerp bij zich te dragen. [appellant A] wijst er verder op dat de kirpan veilig is, omdat deze is ingebonden in de schede. Het kleinere, door hem voorgestelde alternatief, is bot en is nog kleiner dan een pen. [appellant B] is, zolang hij de kirpan niet mag dragen, verplicht om te vasten, waardoor hij zich niet goed kan concentreren, hetgeen ten koste gaat van zijn schoolresultaten, aldus [appellant A].    De Stichting heeft naar voren gebracht dat zij, ingevolge artikel 3b van de WVO, zorgdraagt voor de veiligheid op school en dat zij verplicht is om beleid te voeren met betrekking tot de veiligheid. Het aantal incidenten op scholen met wapens en wapenbezit is toegenomen. Zij kiest er daarom voor om een duidelijke grens te trekken en om alle voorwerpen die het karakter van een wapen dragen en voorwerpen die als wapen kunnen worden gehanteerd, te verbieden en om dit verbod strikt te handhaven, aldus de Stichting.8.9.    De Afdeling stelt voorop dat aan de Stichting beleidsruimte toekomt. Zij mag, ter bescherming van de veiligheid van haar leerlingen en ter uitvoering van de verplichting in artikel 3b van de WVO om beleidsregels op te stellen met betrekking tot de veiligheid, gedragsregels vaststellen die gelden binnen haar scholen. Het totaalverbod op het in bezit hebben van alle voorwerpen die het karakter van een wapen dragen of als wapen kunnen worden gebruikt, valt binnen deze beleidsruimte. Dit beleid is algemeen geformuleerd. Het is er niet op gericht om geloofsuitingen te beperken, maar uitsluitend om de veiligheid van de leerlingen te bevorderen. Gelet hierop, gelet op de dreiging die van de kirpan uitgaat (vergelijk het hiervoor overwogene in 8.3) en gelet op de zorgplicht voor de veiligheid die ingevolge artikel 3b van de WVO op schoolbesturen rust, mocht de Stichting, naar het oordeel van de Afdeling, een groter gewicht toekennen aan het algemene belang, dat ziet op de zorg op de veiligheid op haar scholen door handhaving van het totaalverbod, dan aan het individuele belang van [appellant B]. De Stichting heeft in dat verband terecht aandacht gevraagd voor de druk die vanuit de maatschappij wordt gelegd op schoolbesturen om geweldsincidenten te voorkomen en er terecht op gewezen dat het onderscheid tussen wapens en voorwerpen waarvan een zekere dreiging uitgaat, niet altijd makkelijk kan worden gemaakt. Zij heeft voorts terecht aandacht gevraagd voor het gevaar van precedentwerking en aannemelijk gemaakt dat het stellen van een duidelijke grens bijdraagt aan een veilig schoolklimaat. Daarnaast heeft zij te kennen gegeven dat [appellant B] weer welkom is op één van haar scholen, als hij bereid is de kirpan tijdens schooluren af te doen en af te geven bij de conciërge, zoals hij voorafgaand aan het besluit van 3 oktober 2016 ook heeft gedaan. Nu [appellant B] bovendien is toegelaten op [school B], is er voor [appellant B] een alternatief voorhanden.    Gelet hierop is de beperking van de vrijheid van godsdienst in dit geval noodzakelijk in een democratische samenleving en daarmee gerechtvaardigd.8.10.    [appellant A] kan zich evenmin met succes beroepen op artikel 2, van het Eerste Protocol bij het EVRM. [appellant B] is immers welkom op school, zolang hij zich aan het neutraal geformuleerde beleid houdt en de kirpan afdoet. Daarnaast volgt hij onderwijs op [school B], waar hij de kirpan wel mag dragen.Artikel 6 Grondwet8.11.    Een redelijke uitleg van artikel 6 brengt met zich dat dit artikel niet zover strekt dat een algemeen geformuleerde, neutrale interne huisregel binnen een schoolgebouw moet worden opgevat als een beperking van het recht op het vrij belijden van een godsdienst (vergelijk ook ABRvS 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1448). In dat verband overweegt de Afdeling dat uit de memorie van toelichting bij de Grondwet (Kamerstukken II 1975/76, 13872, nrs. 1-5, p. 30) blijkt dat de grondwetgever een tamelijk restrictieve benadering van ‘het vrij belijden’ van een godsdienst voor ogen heeft gestaan. Artikel 6 van de Grondwet omvat onder meer het recht om binnen de grenzen van de eigen private sfeer een godsdienst vrij te belijden, maar niet om dat ook te doen binnen ruimten en instellingen die van een andere maatschappelijke organisatie zijn. Dergelijke maatschappelijke organisaties alsmede overheidsorganen, zoals hier de Stichting, hebben zelf de ruimte om interne huisregels te stellen en deze ook te handhaven. [appellant A] kan zich dan ook niet met succes beroepen op artikel 6 van de Grondwet.Artikel 1 Grondwet en artikel 7 Awgb8.12.    Ingevolge artikel 1 van de Grondwet worden allen die zich in Nederland bevinden, in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan. Met de Awgb is beoogd om de betekenis van het gelijkheidsbeginsel, zoals in artikel 1 van de Grondwet is vervat, voor bepaalde terreinen, zoals het onderwijs, nader te specificeren. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Awgb is onderscheid verboden bij het verlenen van toegang tot diensten indien dit geschiedt door instellingen die werkzaam zijn op het gebied van onderwijs. Ingevolge artikel 2 geldt het in artikel 7, eerste lid, neergelegde verbod niet als het gaat om een indirect onderscheid dat objectief gerechtvaardigd wordt door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. Volgens de memorie van toelichting bij deze wet mag worden verwacht dat bij de beoordeling van het gemaakte onderscheid wordt nagegaan of de ten behoeve van het doel gekozen middelen beantwoorden aan een werkelijke behoefte, geschikt zijn om dat doel te bereiken en daarvoor ook noodzakelijk zijn. Bovendien mag het nagestreefde doel niet discriminerend zijn (Kamerstukken II 1990/91, 22014, nr. 3, p. 14).    Nu het door de Stichting geformuleerde beleid neutraal is geformuleerd en van toepassing is op een ieder die zich op het schoolterrein en binnen het schoolgebouw van één van de scholen van de Stichting begeeft, maakt de Stichting geen direct onderscheid. Zij maakt wel een indirect onderscheid (vergelijk ook het hiervoor overwogene in 8.5). Gelet op het hiervoor overwogene onder 8.5 tot en met 8.9, heeft de Stichting, gegeven de aan haar toekomende beleidsruimte, het totaalverbod, hiervoor weergegeven onder 8.2, in redelijkheid omwille van overwegingen van veiligheid, effectiviteit en generieke behandeling mogen toepassen. Een dergelijk wapenverbod is, mede gegeven de taakstelling die het bevoegd gezag ingevolge artikel 3b van de WVO heeft, objectief gerechtvaardigd. [appellant A] kan zich daarom evenmin met succes beroepen op artikel 1 van de Grondwet en artikel 7 van de Awgb.Eindconclusie8.13.    De Stichting mocht het verzoek van [appellant A], inhoudende toestemming voor [appellant B] voor het dragen van een kirpan, afwijzen.    Het betoog faalt.Eindoordeel beroep9.    Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [appellant A] ingestelde beroep tegen het besluit van 10 januari 2017 alsnog ongegrond verklaren.10.    De Stichting dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:I.    verklaart het hoger beroep gegrond;II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 januari 2018 in zaak nr. 17/1097;III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;IV.    veroordeelt Stichting Openbare Scholengroep Vlaardingen Schiedam tot vergoeding van bij [appellant A] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1024,00 (zegge: duizendvierentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;V.    verstaat dat de griffier van de Raad van State aan [appellant A] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 253,00 (zegge: tweehonderddrieënvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. F. Nales, griffier.w.g. Van Altena    w.g. Nalesvoorzitter    griffierUitgesproken in het openbaar op 12 juni 2019680.Bijlage - het wettelijk kader EVRMArtikel 9. Vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst1. Een ieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als privé zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uitdrukking te brengen in erediensten, in onderricht, in praktische toepassing ervan en in het onderhouden van geboden en voorschriften.2. De vrijheid zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uiting te brengen kan aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die die bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de openbare veiligheid, voor de bescherming van de openbare orde, gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.Artikel 14. Verbod van discriminatieHet genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.Protocol 1 bij het EVRMArtikel 2. Recht op onderwijsNiemand mag het recht op onderwijs worden ontzegd. Bij de uitoefening van alle functies die de Staat in verband met de opvoeding en het onderwijs op zich neemt, eerbiedigt de Staat het recht van ouders om zich van die opvoeding en van dat onderwijs te verzekeren, die overeenstemmen met hun eigen godsdienstige en filosofische overtuigingen.GrondwetArtikel 1Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.Artikel 61. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.2. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.AwgbArtikel 2Het in deze wet neergelegde verbod van onderscheid geldt niet ten aanzien van indirect onderscheid indien dat onderscheid objectief gerechtvaardigd wordt door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.Artikel 71. Onderscheid is verboden bij het aanbieden van of verlenen van toegang tot goederen of diensten en bij het sluiten, uitvoeren of beëindigen van overeenkomsten ter zake, alsmede bij het geven van loopbaanoriëntatie en advies of voorlichting over school- of beroepskeuze, indien dit geschiedt:[…]c. door instellingen die werkzaam zijn op het gebied van volkshuisvesting, welzijn, gezondheidszorg, cultuur of onderwijs ofd. […].2. Het eerste lid, onderdeel c, laat onverlet dat een instelling van bijzonder onderwijs bij de toelating en ten aanzien van de deelname aan het onderwijs onderscheid mag maken op grond van godsdienst, levensovertuiging of geslacht, voor zover deze kenmerken vanwege de aard van het onderwijs een wezenlijk, legitiem en gerechtvaardigd vereiste vormen, gezien de grondslag van de instelling. Onderscheid op grond van geslacht is slechts toegestaan, indien voor leerlingen van beide geslachten gelijkwaardige voorzieningen aanwezig zijn. Een zodanig onderscheid mag niet verder gaan dan passend is, gelet op de houding van goede trouw en loyaliteit aan de grondslag van de instelling die van leerlingen mag worden verlangd en mag niet leiden tot onderscheid op een andere in artikel 1 genoemde grond, onverminderd artikel 2, eerste lid.3. […].WVOArtikel 3b. Zorgplicht veiligheid op school1. Het bevoegd gezag draagt zorg voor de veiligheid op school, waarbij het bevoegd gezag in ieder geval:a. beleid met betrekking tot de veiligheid voert,[…]2. Onder veiligheid, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan de sociale, psychische en fysieke veiligheid van leerlingen.[…].Artikel 24. Schoolplan1.  Het schoolplan bevat een beschrijving van het beleid met betrekking tot de kwaliteit van het onderwijs dat binnen de school wordt gevoerd […]2. De beschrijving van het onderwijskundig beleid omvat in elk geval:[…]d. het zorg dragen voor de veiligheid op school, bedoeld in artikel 3b […].Artikel 24a. Schoolgids1. De schoolgids bevat voor ouders, voogden, verzorgers en leerlingen informatie over de werkwijze van de school en bevat in elk geval informatie over:[…]g. het beleid met betrekking tot de veiligheid […]Handelingsprotocol Schoolveiligheid[…] Veel onder jeugdigen circulerende wapens vallen niet onder de werking van de Wet Wapens en Munitie omdat ze qua afmeting of model net even iets anders zijn. Toch zijn veel van deze wapens daardoor niet minder gevaarlijk en daarmee onwenselijk.[…] In het kader van het volgen van onderwijs is het bezit/voorhanden hebben van dergelijke wapens en voorwerpen niet alleen onnodig, maar tevens gevaarlijk en bedreigend voor het klimaat binnen een school. De school verbiedt het dan ook om voorwerpen die het karakter van een wapen dragen (stilletto’s, vlindermessen valmessen en dergelijke) alsmede voorwerpen die als wapen kunnen worden gehanteerd (wanneer bijvoorbeeld een schroevendraaier wordt gebruikt om mee te dreigen) in bezit te hebben of als wapen te hanteren. Wanneer de school kennis heeft, dan wel een redelijk vermoeden heeft dat een persoon een dergelijk wapen bezit of ziet dat een voorwerp als wapen wordt gehanteerd binnen het schoolgebouw of schoolterrein, zal de bezitter van het voorwerp worden bewogen tot afgifte.