Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:1587

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 15-05-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 15-05-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:1587, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201804689/1/A1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:1587:DOC

201804689/1/A1.Datum uitspraak: 15 mei 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellant], wonend te [woonplaats],tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 april 2018 in zaak nr. 17/5906 in het geding tussen:[appellant]enhet algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Centrum van de gemeente Amsterdam (thans: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam).ProcesverloopBij besluit van 21 april 2017 heeft het algemeen bestuur geweigerd om de door [appellant] gevraagde omgevingsvergunning te verlenen voor het intern wijzigen van de indeling en de bestemming van één naar twee woningen, het vergroten van het souterrain en de beletage, het herstellen van de fundering, het vervangen van kozijnen in de achtergevel en het aanbrengen van een balkon, dakterras, dakramen en een dakkapel op het gebouw op het perceel aan de [locatie] te Amsterdam (hierna: het perceel).Bij besluit van 29 augustus 2017 heeft het algemeen bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 30 april 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.Het algemeen bestuur heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 december 2018, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.A. van der Aa, en mr. H. Koolen, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Luttik, zijn verschenen.Overwegingen1.    Het bouwplan voorziet in het wijzigen van de indeling van de woning op het perceel zodat twee woningen ontstaan. Daarbij wordt de achterzijde van het souterrain met 3,75 m en van de overige verdiepingen met 1,75 m uitgebouwd. Verder is op de eerste verdieping een dakterras, met een trap naar de tuin, en op de tweede verdieping een balkon voorzien. Voorts voorziet het bouwplan in dakramen, een dakkapel, het herstel van de fundering en het vervangen van de kozijnen in de achtergevel van de woning(en).2.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Zuidelijke Binnenstad" rust op de locatie van het bouwplan de bestemming "Tuin - 1".    Artikel 26.1 van de planregels luidt:"De voor 'Tuin - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voora. tuinen en erven, met inachtneming van het bepaalde in artikel 26.5.1;b. keurtuinen en daarop aanwezige tuinhuizen, ter plaatse waar de aanduiding 'specifieke vorm van tuin - keurtuin' op de verbeelding voorkomt;(…) "    Artikel 26.2. luidt:"Op de tot 'Tuin - 1' bestemde gronden mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, worden opgericht indien en voor zover voorkomend in de volgende bouwregels, met inachtneming van deze bouwregels."    Artikel 26.2.2 luidt:"Dakterrassen zijn niet toegestaan."    Artikel 26.2.3. luidt:"Voor zover balkons, erkers, galerijen, luifels, buitentrappen of andere ondergeschikte delen van gebouwen aanwezig zijn ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan, mogen deze geheel worden vernieuwd, maar niet worden vergroot."3.    Niet in geschil is dat de beoogde uitbouw in strijd is met artikel 26.1, het dakterras met artikel 26.2.2. en de buitentrap met artikel 26.2.3, van de planregels.4.    [appellant] betoogt dat het algemeen bestuur de door hem gevraagde omgevingsvergunning in redelijkheid niet heeft kunnen weigeren.    Hij voert daartoe aan dat de grond waarop hij wil bouwen geen keurtuin is, waarvoor strengere regels gelden dan voor de overige tuinen. Volgens [appellant] heeft het algemeen bestuur ten onrechte een ruimtelijke afweging gemaakt als zou de bouwlocatie wel een keurtuin zijn.    Verder voert hij aan dat zijn achtergevel 5 m, respectievelijk 3,80 m terug ligt ten opzichte van een historisch monumentaal pakhuis aan de ene zijde en een meerlaagse uitbouw bij een monument aan de andere zijde. Hierdoor ontvangt de tussenruimte volgens [appellant] nauwelijks zonlicht en vult het bouwplan een nis op. Het is volgens hem dan ook tegenstrijdig dat het algemeen bestuur in beroep enerzijds de tussenruimte heeft bestempeld als een nis en zich anderzijds op het standpunt heeft gesteld dat het bouwen in die tussenruimte het open en groene karakter van de tuin aantast.    Voorts bevreemdt het [appellant] dat het uitbouwen van gebouwen aan de achterzijde ter plaatse van de geldende bestemming "Tuin - 1" niet is toegestaan, terwijl ter plaatse van de bestemming "Gemengd-1" het uitbouwen van gebouwen aan de achterzijde wel is toegestaan. Volgens [appellant] kan niet worden volgehouden dat realisatie van bebouwing aan de achterzijden van panden aan de Kerkstraat en nabij de hoek Reguliersgracht-Kerkstraat, waar de bestemming "Gemengd-1" geldt, minder invloed heeft op de waarde van een keurtuin dan de realisatie van het bouwplan.4.1.    Het algemeen bestuur heeft de weigering om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen gebaseerd op een advies van de gemeentelijke afdeling Ruimte en Duurzaamheid. In dit advies wordt geconcludeerd dat het waarborgen van het open en groene binnenterrein en van de waarden van het beschermde stadsgezicht zwaarder weegt dan het belang van [appellant] bij het realiseren van het bouwplan.Verder heeft het algemeen bestuur aan de weigering ten grondslag gelegd dat het niet wil afwijken van het beleid dat aan het bestemmingsplan ten grondslag is gelegd. Het algemeen bestuur verwijst hierbij onder meer naar §5.3.4 van de plantoelichting. Hierin staat dat voor de binnenterreinen binnen gesloten bouwblokken met de bestemming 'Tuin-1', het ontwerpbestemmingsplan en de voordracht aan de raad een afwijkingsmogelijkheid kende voor het realiseren van aanbouwen, maar dat deze afwijkingsbevoegdheid bij amendement is geschrapt. Dit omdat de gemeenteraad van mening is dat de extra bebouwing in de tuin die hiermee zou kunnen worden gerealiseerd in strijd is met de doelstelling van open en groene binnenterreinen.Aldus zijn naar het oordeel van de Afdeling bij de totstandkoming van het bestemmingsplan de belangen van de bewoners om hun woningen aan de achterzijde te mogen vergroten afgewogen tegen het belang om het open karakter van de binnentuin te beschermen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het algemeen bestuur bij de weigering om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen in redelijkheid heeft kunnen aansluiten bij deze belangenafweging en bij het advies van de gemeentelijke afdeling Ruimte en Duurzaamheid.4.2.    [appellant] betoogt tevergeefs dat het algemeen bestuur ten onrechte een ruimtelijke afweging heeft gemaakt als zou de bouwlocatie wel een keurtuin zijn. De motivering van het algemeen bestuur om de gevraagde omgevingsvergunning te weigeren, heeft, zo blijkt ook uit de plantoelichting,  uitsluitend betrekking op gronden waarop de bestemming "Tuin - 1" rust.Daarbij wordt in aanmerking genomen dat blijkens het aan het bestemmingsplan ten grondslag gelegde beleid, zoals verwoord in diezelfde plantoelichting, de mogelijkheden om te bouwen in een keurtuin waarop dezelfde bestemming rust, nog beperkter zijn.4.3.    Verder betoogt [appellant] tevergeefs dat het tegenstrijdig is dat het algemeen bestuur enerzijds de tussenruimte waar wordt gebouwd heeft bestempeld als een nis en zich anderzijds op het standpunt heeft gesteld dat het bouwen in die tussenruimte het open en groene karakter van de tuin aantast. Daarbij is van belang dat de omstandigheid dat er weinig zonlicht valt op een tuin, zoals [appellant] heeft gesteld, nog niet betekent dat er geen sprake kan zijn van een open karakter als die tuin niet wordt bebouwd. Het algemeen bestuur heeft in dat verband deugdelijk  gemotiveerd dat door het openhouden van relatief kleine gedeelten tussen de bestaande bebouwing het binnenterrein zo open mogelijk wordt gehouden. Bovendien heeft het algemeen bestuur deugdelijk gemotiveerd dat door de realisatie van het bouwplan de structuur van het bouwblok onevenredig zou worden aangetast, de lijn van de achtergevels zou worden doorbroken en de achtergevelrooilijn zou verwateren.4.4.    Ten slotte betoogt [appellant] tevergeefs dat het uitbouwen van gebouwen aan de achterzijde onder de ter plaatse geldende bestemming "Tuin - 1" niet is toegestaan, terwijl binnen de bestemming "Gemengd-1" het uitbouwen van gebouwen aan de achterzijde wel is  toegestaan. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is het bestemmingsplan vastgesteld en onherroepelijk geworden. De omstandigheid dat het bij een andere bestemming wel is toegestaan om een gebouw aan de achterzijde uit te breiden, leidt niet tot het oordeel dat het algemeen bestuur de ter afwijking van de ter plaatse geldende bestemming "Tuin - 1" gevraagde omgevingsvergunning niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:bevestigt de aangevallen uitspraak.Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, griffier.w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Van Leeuwenvoorzitter    griffierUitgesproken in het openbaar op 15 mei 2019543.