Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:1573

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 15-05-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 15-05-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:1573, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201800650/1/R3


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:1573:DOC

201800650/1/R3.Datum uitspraak: 15 mei 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak in het geding tussen:1.    [appellant sub 1], wonend te Tricht, gemeente Geldermalsen,2.    [appellant sub 2], wonend te Tricht, gemeente Geldermalsen,3.    [appellant sub 3 A] en [appellant sub 3 B], beiden wonend te Tricht, gemeente Geldermalsen,4.    [appellante sub 4], handelend onder de naam [bedrijf], gevestigd te Geldermalsen,5.    [appellant sub 5], wonend te Tricht, gemeente Geldermalsen,6.    [appellante sub 6], wonend te Tricht, gemeente Geldermalsen,7.    [appellante sub 7] en anderen, gevestigd te Tricht, gemeente Geldermalsen, en anderen,8.    [appellant sub 8], wonend te Tricht, gemeente Geldermalsen,9.    [appellant sub 9], wonend te Tricht, gemeente Geldermalsen,10.    Leefbaar Geldermalsen, gevestigd te Geldermalsen,appellanten,ende staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,verweerder.ProcesverloopBij besluit van 9 december 2017 heeft de staatssecretaris het tracébesluit "Spooromgeving Geldermalsen" vastgesteld.Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3 A] en [appellant sub 3 B], [bedrijf], [appellant sub 5], [appellante sub 6], [appellante sub 7] en anderen, [appellant sub 8], [appellant sub 9] en Leefbaar Geldermalsen beroep ingesteld.De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht (hierna: het StAB-advies). [appellant sub 1], [appellant sub 3 A] en [appellant sub 3 B], [appellant sub 8], [appellant sub 9] en de staatssecretaris hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.[bedrijf] en [appellante sub 7] en anderen hebben nadere stukken ingediend.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 december 2018, waar zijn verschenen:-    [appellant sub 1];-    [appellant sub 2], bijgestaan door [gemachtigde A];-    [appellant sub 3 A] en [appellant sub 3 B], bij monde van [appellant sub 3 A];-    [bedrijf], vertegenwoordigd door [gemachtigden B];-    [appellante sub 6], vertegenwoordigd door mr. M.F.A. Dankbaar, advocaat te Haarlem,-    [appellante sub 7] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigden C];-    [appellant sub 8], vertegenwoordigd door [gemachtigde D];-    [appellant sub 9];-    de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. A. Dane,        ing. M.F.T. Poos, C.F.J. de Vries, mr. M.A. Versloot, ing. R.F. Breevoort, ir. T.W.M. Gunther, ing. M.A. Laarmans, ir. E.J. Vlijm en ing. C.J.M. Vernooij.OverwegingenInleiding1.    Het project Spooromgeving Geldermalsen, dat met het tracébesluit mogelijk wordt gemaakt, bestaat uit de wijziging van een landelijke spoorweg, waarmee wordt beoogd de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van die spoorweg te verbeteren. Daarvoor wordt de ligging van de sporen aangepast en het aantal perrons op het station Geldermalsen uitgebreid. Tussen de aansluiting van de spoorlijn van en naar Dordrecht en het station Geldermalsen wordt een derde spoor met een lengte van circa 1500 m aangelegd en worden de sporen aangepast zodat langere goederentreinen kunnen worden ingehaald. In Tricht worden de huidige gelijkvloerse kruisingen met het spoor vervangen door onderdoorgangen. Ook wordt ten noorden van Tricht een nieuwe onderdoorgang onder het spoor gemaakt en een randweg aangelegd die aansluit op de bestaande wegenstructuur.2.    [bedrijf], [appellante sub 7] en anderen en [appellant sub 8] zijn ondernemers. Zij richten zich hoofdzakelijk tegen de randweg, die in het tracébesluit gedeeltelijk is voorzien op hun gronden.[appellante sub 6] is eigenaar van een perceel aan de Lingedijk in Tricht waar een horecagelegenheid is gevestigd. Een gedeelte van het perceel is in het tracébesluit aangewezen voor een van de onderdoorgangen. [appellante sub 6] vreest problemen bij de exploitatie van de horecagelegenheid.Leefbaar Geldermalsen is een politieke partij.De overige appellanten zijn inwoners van Tricht die met name aanvoeren dat het tracébesluit leidt tot een toename van hinder. Het gaat hun vooral om trillinghinder, die volgens hen in de huidige situatie al te ernstig is. Zij menen dat de huidige hinder reden had moeten zijn voor sanering.3.    Ter zitting heeft [appellant sub 1] de beroepsgronden over het Trichtse voetpad en de invloed van het gebruik van stillere goederentreinen ingetrokken.4.    Hierna wordt eerst ingegaan op de ontvankelijkheid van het beroep van Leefbaar Geldermalsen. Daarna worden de door appellanten naar voren gebrachte beroepsgronden zoveel mogelijk per onderwerp gezamenlijk behandeld (de nummers verwijzen naar de eerste overweging over het onderwerp):- geen verkenningsfase (6),- inspraak (7),- m.e.r.-beoordeling en alternatieven (8),- schaal en leesbaarheid kaarten (12),- randweg (13),- trillingen (18),- onderdoorgang Lingedijk (39),- onderdoorgang Nieuwsteeg (47),- verkeersgegevens (autoverkeer) (48),- geluidhinder (50),- veiligheid (54),- landschappelijke inrichting nabij [appellant sub 3 A] en [appellant sub 3 B] (55),- overige beroepsgronden [appellant sub 8] (56),- overige beroepsgronden [appellant sub 2] (59).Ontvankelijkheid Leefbaar Geldermalsen5.    Artikel 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt:"1. Van de indiener van het beroepschrift wordt door de griffier een griffierecht geheven.(…)4. De griffier deelt de indiener van het beroepschrift mede welk griffierecht is verschuldigd en wijst hem daarbij op het bepaalde in het vijfde en zesde lid.5. Het griffierecht dient binnen vier weken na verzending van de mededeling van de griffier te zijn bijgeschreven op de rekening van het gerecht dan wel ter griffie te zijn gestort.6. Indien het bedrag niet tijdig is bijgeschreven of gestort, is het beroep niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.(…)"5.1.    Leefbaar Geldermalsen heeft niet binnen de daartoe gestelde termijn het verschuldigde griffierecht betaald. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat Leefbaar Geldermalsen in verzuim is geweest. Daarom is het beroep van Leefbaar Geldermalsen niet-ontvankelijk.Geen verkenningsfase6.    [appellant sub 3 A] en [appellant sub 3 B] voeren aan dat zij geen invloed hebben kunnen uitoefenen op het kader waarbinnen het tracébesluit is opgesteld, omdat pas laat in het proces de keuze is gemaakt het project te realiseren via de tracéwetprocedure. Ten onrechte heeft geen verkenningsfase plaatsgevonden waarin de verschillende alternatieven voor het uiteindelijk gekozen tracé zijn verkend.6.1.    Het betoog strekt ertoe dat voorafgaand aan de vaststelling van het tracébesluit een startbeslissing had moeten worden genomen en een verkenning had moeten worden uitgevoerd overeenkomstig hoofdstuk II van de Tracéwet zoals dat luidt sinds de inwerkingtreding op 1 januari 2012 van de wet van 1 december 2011 tot wijziging van de Tracéwet met het oog op de versnelling en verbetering van besluitvorming over infrastructurele projecten (hierna: Wijzigingswet).6.2.    In het overgangsrecht neergelegd in artikel III, eerste lid, van de Wijzigingswet is bepaald dat indien een beslissing is genomen op grond van artikel 2, tweede lid, van de Tracéwet (oud), onder meer hoofdstuk II van de Tracéwet zoals dat luidt na de inwerkingtreding van de Wijzigingswet niet van toepassing is op het desbetreffende project. Ingevolge artikel III, tweede lid, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing op door de minister binnen een jaar na inwerkingtreding van de Wijzigingswet aan te wijzen projecten waarvoor de in het eerste lid bedoelde beslissing nog niet is genomen maar waarvan de verkenning zich reeds in een vergevorderd stadium bevindt.Op 13 december 2012 heeft de minister van Infrastructuur en Milieu een besluit genomen waarmee een aantal projecten als zodanig is aangewezen (Staatscourant 2012, nr. 25926). Het gaat daarbij onder meer om projecten ter uitwerking van de voorkeursbeslissing Programma Hoogfrequent Spoorvervoer (hierna: PHS), waaronder de trajecten Amsterdam-Utrecht-Eindhoven en Schiphol-Utrecht-Arnhem/Nijmegen.6.3.    De staatssecretaris heeft toegelicht dat het besluit tot het vrijleggen van de MerwedeLingelijn al dateert van 2004, waarna het project aanvankelijk door de gemeente is opgepakt als bestemmingsplanprocedure. In dat kader is gebleken van samenhang tussen dit project en de (uitvoering van de) PHS. Voor de uitvoering van de PHS-dienstregeling en de verbetering van de betrouwbaarheid is randvoorwaardelijk dat de capaciteit en robuustheid van het spoor rondom Geldermalsen worden uitgebreid en verbeterd. Het vrijleggen van de MerwedeLingelijn maakt daar onderdeel van uit. Daarom is in 2014 besloten om dit project onderdeel te maken van de PHS en te betrekken in de tracéwetprocedure, aldus de staatssecretaris.6.4.    Gelet op de hiervoor bedoelde samenhang is de Afdeling van oordeel dat de staatssecretaris er terecht van is uitgegaan dat het vrijleggen van de MerwedeLingelijn mede strekt tot uitwerking van de voorkeursbeslissing PHS. Dit heeft tot gevolg dat op basis van het overgangsrecht neergelegd in artikel III, eerste en tweede lid, van de Wijzigingswet, hoofdstuk II van de gewijzigde Tracéwet niet van toepassing is op dit tracé. Daarom was de staatssecretaris niet verplicht om op basis van die gewijzigde regeling een startbeslissing te nemen en een verkenning uit te voeren.Inspraak7.    [appellant sub 2], [appellant sub 3 A] en [appellant sub 3 B], [appellant sub 5] en [appellante sub 7] en anderen betogen dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gedaan met de inspraak van de inwoners van Tricht. De staatssecretaris heeft geen van de aangedragen alternatieven en voorstellen overgenomen of serieus onderzocht. Volgens appellanten blijkt daaruit dat de uitkomst van de besluitvorming al op voorhand vaststond en dat geen daadwerkelijke en zorgvuldige afweging heeft plaatsgevonden.7.1.    [appellant sub 2] stelt in aanvulling hierop dat ProRail druk blijkt te hebben uitgeoefend op adviseurs van bepaalde belanghebbenden om te stoppen met hun werkzaamheden. Anders zouden zij in de toekomst geen opdrachten van ProRail meer tegemoet kunnen zien.Ook is in Tricht volgens [appellant sub 2] het ernstige vermoeden gerezen dat deskundigen in opdracht van de staatssecretaris rauwe data hebben aangepast. Dat wil zeggen dat de overlast in de vorm van geluid, trillingen en luchtkwaliteit tijdens de onderzoeksperiode ineens significant lager was dan op andere momenten. Dit komt vermoedelijk doordat er destijds minder of minder zwaar beladen treinen over het spoor zijn gestuurd.[appellant sub 2] stelt verder dat de staatssecretaris in mededelingen aan de Tweede Kamer over het tracébesluit een kostenoverschrijding van 200 miljoen euro als grootste zorgenkind heeft aangemerkt en niet zozeer een zorgvuldige besluitvorming, behoorlijke belangenafweging of het minimaliseren van overlast en schade.Uit het voorgaande trekt [appellant sub 2] de conclusie dat het tracébesluit niet voldoet aan de eis van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (hierna: Verdrag van Aarhus) dat inspraak wordt geboden op een moment waarop alle opties nog open zijn. Dit betekent volgens hem dat ook Richtlijn 2003/35/EG niet in acht is genomen. Daarnaast voert hij aan dat het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel is geschonden. Ook is volgens [appellant sub 2] gehandeld in strijd met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).7.2.    De staatssecretaris stelt dat een transparant besluitvormingsproces is gevolgd waarin op diverse momenten inspraak mogelijk is geweest. Dit is toegelicht in paragraaf 2.3 van de toelichting van het tracébesluit. In de zienswijzennota is ingegaan op de zienswijzen die over het ontwerp-tracébesluit naar voren zijn gebracht. Naar aanleiding van de zienswijzen zijn wijzigingen aangebracht in de tekst van het besluit, de kaarten en de toelichting. Dit is toegelicht in paragraaf 2.5 van de toelichting. Belangrijke wijzigingen of aanvullingen zijn volgens de staatssecretaris dat nader onderzoek is gedaan naar trillingen op het tracé Utrecht-Geldermalsen, dat het ecologisch onderzoek is geactualiseerd vanwege de nieuwe versie van Aerius en dat een overwegveiligheidsanalyse is uitgevoerd vanwege het rijden van de twee extra intercity’s.De staatssecretaris is van mening dat er dan ook geen strijd is met de inspraakverplichtingen uit het Verdrag van Aarhus. Dit betekent dat er ook geen strijd met Richtlijn 2003/35/EG kan zijn. Overigens wijst de staatssecretaris er op dat de vraag naar de rechtstreekse werking van de bepalingen van de richtlijn alleen kan rijzen in gevallen van incorrecte implementatie of indien de volledige toepassing van de richtlijn niet daadwerkelijk is verzekerd. Daar is geen sprake van. De staatssecretaris wijst er ook op dat voor het tracé geen m.e.r.-plicht geldt.7.3.    Artikel 10, vierde lid, van de Tracéwet luidt:"Bij het tracébesluit wordt aangegeven op welke wijze burgers en maatschappelijke organisaties betrokken zijn. Indien geen structuurvisie is vastgesteld, wordt bij het tracébesluit aangegeven wat de resultaten van de verkenning, bedoeld in artikel 3, zijn en verantwoording afgelegd over de wijze waarop burgers, maatschappelijke organisaties, betrokken bestuursorganen, en, voor zover van toepassing, de beheerder van de landelijke spoorweg zijn betrokken bij die verkenning en de resultaten daarvan.7.4.    In paragraaf 2.3 van de toelichting is uiteengezet hoe burgers en maatschappelijke organisaties bij de besluitvorming zijn betrokken. In dit kader zijn onder meer twee enquêtes uitgevoerd, inloopavonden over verschillende onderwerpen georganiseerd en hebben gesprekken met en huisbezoeken bij verschillende omwonenden plaatsgevonden. Ook heeft onder meer overleg plaatsgevonden met de Dorpsraad Tricht, de Werkgroep Spoor en de Werkgroep Trilvrij Tricht, is er een workshop georganiseerd voor direct omwonenden, zijn er projectpresentaties gegeven bij de gemeenteraad van Geldermalsen, is er voorlichtingsmateriaal samengesteld over geluid, trillingen, planschade en veiligheid, zijn er nieuwsbrieven verzonden en is er een website opgezet over het project, inclusief documentenbibliotheek.7.5.    De Afdeling stelt vast dat daarmee de mogelijkheid van inspraak is geboden. Bovendien heeft het ontwerp van het tracébesluit ter inzage gelegen en kon eenieder daarover zienswijzen naar voren brengen. De gevolgde procedure voldoet wat betreft de geboden inspraak dan ook aan de Tracéwet en de Awb.7.6.    Voor zover de bezwaren van appellanten voortkomen uit het gevoel dat er niets met hun inspraak is gedaan, overweegt de Afdeling als volgt. Bij de besluitvorming over tracébesluiten zijn meerdere, vaak tegenstrijdige, belangen betrokken. Dat de bestaande situatie moest worden aangepakt, hebben appellanten op zichzelf niet bestreden. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris om vervolgens, na afweging van alle betrokken belangen, tot een weloverwogen besluit te komen en dat besluit ten uitvoer te (laten) brengen. De enkele omstandigheid dat inspraak niet wordt overgenomen of dat er andere keuzes worden gemaakt dan de varianten of voorstellen die door omwonenden worden aangedragen, betekent niet dat die inspraak zonder serieuze bestudering daarvan of zonder gegronde redenen daarvoor terzijde is geschoven. De staatssecretaris heeft in de toelichting van het tracébesluit inzicht gegeven in de gemaakte afwegingen. In de zienswijzennota is antwoord gegeven op de over het ontwerp-tracébesluit naar voren gebrachte zienswijzen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de staatssecretaris hiermee toereikend gemotiveerd hoe hij is omgegaan met de resultaten van de inspraak.7.7.    Verder stelt de Afdeling vast dat [appellant sub 2] zijn stellingen over de beïnvloeding van adviseurs door ProRail en het aanpassen van data niet heeft onderbouwd. Dat de staatssecretaris in mededelingen aan de Tweede Kamer een kostenoverschrijding van 200 miljoen euro als grootste probleem zou hebben aangemerkt - wat daarvan ook zij - betekent niet dat daarmee vast staat dat alleen de kosten van belang zijn geacht in de besluitvorming. Dit acht de Afdeling overigens ook niet aannemelijk. Wat [appellant sub 2] heeft aangevoerd, biedt om deze redenen geen aanleiding voor het oordeel dat het tracébesluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid of dat de betrokken belangen niet evenwichtig zijn afgewogen.Op het punt waar [appellant sub 2] aanvoert dat de inspraak niet overeenkomstig het Verdrag van Aarhus is verlopen, kan in het midden blijven of dat verdrag in dit geval van toepassing is en zo ja, of [appellant sub 2] daar een beroep op kan doen. Uit wat hiervoor in deze uitspraak is overwogen volgt namelijk dat inspraak is geboden op een vroegtijdig moment waarop alle opties over het tracé nog open waren en doeltreffende inspraak kon plaatsvinden. Daarmee voldoet de geboden inspraak aan de eisen die het Verdrag van Aarhus - voor zover hier relevant - stelt. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraken van 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2938, en 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616. Strijd met Richtlijn 2003/35/EG kan er om deze reden in dit geval ook niet zijn.Het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel strekt ertoe dat nationale (proces)regels de uitoefening van de door de rechtsorde van de Europese Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken. Gelet op het voorgaande is dit in dit geval niet aan de orde.Ter zitting is vast komen te staan dat het beroep van [appellant sub 2] op het Handvest alleen gaat over de gang van zaken bij de inspraak. De Afdeling ziet in wat [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris de uit het Handvest voortvloeiende rechten, voor zover toepasselijk, in dit kader niet in acht heeft genomen.M.e.r.-beoordeling/alternatieven8.    [appellant sub 8] betoogt dat in de vormvrije m.e.r.-beoordeling van een te beperkte insteek is uitgegaan. Er heeft geen daadwerkelijke afweging plaatsgevonden, waarin is bezien welk alternatief de minst nadelige gevolgen heeft, zowel voor de ecologie in algemene zin als voor het woon- en leefklimaat van omwonenden. In plaats daarvan heeft de staatssecretaris zich beperkt tot de vraag of de al gemaakte keuze voor het tracé wettelijk inpasbaar is. De keuze voor het tracé van de randweg is alleen ingegeven door financiële motieven, omdat daarvoor maar één woning hoeft te worden aangekocht.Ook de afweging over het geluid dat afkomstig is van de randweg is volgens [appellant sub 8] te beperkt gemaakt. In plaats van te kijken naar alternatieve scenario’s of liggingen van de randweg waardoor mogelijk minder bewoners worden getroffen door overlast, is alleen bezien of de al gemaakte keuze past binnen de normen van de Wet geluidhinder. Een totaaloverzicht van de belasting op de alle woningen langs de randweg, zowel voor als na aanleg van die weg, ontbreekt. Daarnaast wordt in de m.e.r.-beoordeling ten onrechte vermeld dat bij alle wegen die de randweg doorkruist geen sprake is van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder en dat om die reden geen maatregelen aan de orde zijn. Voor de Meersteeg klopt dit in ieder geval niet volgens [appellant sub 8].8.1.    De staatssecretaris stelt dat alternatieven of varianten als bedoeld in artikel 7.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer, alleen onderzocht moeten worden als er een besluitmilieueffectrapport moet worden opgesteld. In dit geval is dat niet gebeurd en bestond daarvoor ook geen wettelijke verplichting. Het tracébesluit is niet m.e.r.-beoordelingsplichtig in de zin van artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer, wat appellanten ook niet bestrijden. Dat laat onverlet dat ook voor projecten die beneden de voor de m.e.r.-beoordeling gedefinieerde drempelwaarden blijven, geldt dat op grond van artikel 2, vijfde lid, onder b, van het Besluit milieueffectrapportage (hierna: het Besluit m.e.r.) het bevoegd gezag zich ervan moet vergewissen of een activiteit aanzienlijke milieugevolgen kan hebben. Daarvoor heeft Arcadis een zogenoemde vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. De conclusie hiervan luidt dat, uitgaande van de mitigerende maatregelen die in het rapport worden genoemd, belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Om die reden is het niet wettelijk verplicht een formele m.e.r.-procedure te doorlopen.De staatssecretaris benadrukt overigens dat, ondanks dat in het kader van een vormvrije m.e.r.-beoordeling alleen hoeft te worden gekeken of de voorgenomen activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen heeft, ter voorbereiding van het tracébesluit toch ook naar andere varianten voor de randweg is gekeken.8.2.    Artikel 7.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer luidt:"Bij algemene maatregel van bestuur worden de activiteiten aangewezen ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.Het vierde lid luidt:"Terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden de categorieën van besluiten aangewezen in het kader waarvan het bevoegd gezag krachtens de artikelen 7.17 of 7.19 moet beoordelen of die activiteiten de in dat onderdeel bedoelde gevolgen hebben, en indien dat het geval is, bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt."Artikel 7.23, aanhef en onder d, luidt:"Een milieueffectrapport bevat ten minste een beschrijving van de redelijke alternatieven, die relevant zijn voor de activiteit en de specifieke kenmerken ervan, met opgave van de belangrijkste motieven voor de gekozen optie, in het licht van de milieueffecten van de activiteit."Categorie D2.2 in de bijlage bij het Besluit m.e.r. is: "Aanleg, wijziging of uitbreiding van een tramrails, boven- en ondergrondse spoorwegen, zweefspoor en dergelijke bijzondere constructies."Hiervoor gelden als drempelwaarden: "a. de aanleg van een nieuwe trambaan, boven- of ondergrondse spoorweg, zweefspoor of andere bijzondere constructie die over een lengte van 500 meter of meer op een afstand van 25 meter of meer is gelegen van de grens van de voor tram- of spoorwegdoeleinden aangewezen bestemming, voor zover deze is gelegen in een gevoelig gebied als bedoeld onder a of b van onderdeel A van deze bijlage;b. de wijziging of uitbreiding van een trambaan, boven- of ondergrondse spoorweg, zweefspoor of andere bijzondere constructie indien deze bestaat uit een uitbreiding van de tram- of spoorweg met één of meer sporen met een aaneengesloten tracélengte van 5 kilometer of meer en voor zover deze is gelegen in een gevoelig gebied als bedoeld onder a of b van onderdeel A van deze bijlage."Artikel 2, vijfde lid, van het Besluit m.e.r., voor zover van belang, luidt:"Voor zover in de bijlage, onderdeel D, categorieën van gevallen zijn aangegeven, geldt de verplichting tot het toepassen van de artikelen 7.16 tot en met 7.19 van de Wet milieubeheer:a. in zodanige gevallen enb. in overige gevallen waarin op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling (hierna: m.e.r.-richtlijn) niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In deze bijlage bij de m.e.r.-richtlijn zijn kenmerken van het project, waaronder cumulatie met andere projecten, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect als omstandigheden genoemd."8.3.    Niet in geschil is dat het tracébesluit valt onder categorie D2.2 in de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Ook niet in geschil is dat de drempelwaarden voor die categorie niet worden overschreden. Dit betekent dat de staatssecretaris alleen een vormvrije m.e.r.-beoordeling moest doen als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, aanhef en onder b van het Besluit m.e.r. Voor deze vormvrije m.e.r.-beoordeling geldt niet de plicht om alternatieven te beschrijven. Daarom faalt het betoog in zoverre.8.4.    Het betoog dat de uitkomst van de gemaakte keuzen alleen voortkomt uit financiële overwegingen mist feitelijke grondslag. Uit de m.e.r.-beoordeling en uit de overige onderzoeksrapporten die aan het tracébesluit ten grondslag zijn gelegd, blijkt voldoende dat ook andere overwegingen - waaronder verkeersveiligheid en landschappelijke inpasbaarheid - leidend zijn geweest in de besluitvorming. In aanvulling daarop overweegt de Afdeling dat de vaststelling van een tracébesluit een belangenafweging vergt waarbij, naast ruimtelijke belangen, ook politieke en bestuurlijke inzichten een belangrijke rol spelen. Het is dus niet zo dat financiële overwegingen in het geheel niet in de afweging mochten worden betrokken.8.5.    Tot slot gaat de m.e.r.-beoordeling voor de Meersteeg terecht niet uit van een reconstructie van een weg in de zin van de Wet geluidhinder.8.6.    Artikel 1 van de Wet geluidhinder, voor zover nu van belang, luidt:"In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder reconstructie van een weg: een of meer wijzigingen op of aan een aanwezige weg ten gevolge waarvan uit akoestisch onderzoek als bedoeld in artikel 77, eerste lid, onder a, en artikel 77, derde lid, blijkt dat de berekende geluidsbelasting vanwege de weg in het toekomstig maatgevende jaar zonder het treffen van maatregelen ten opzichte van de geluidsbelasting die op grond van artikel 100, dan wel het bepaalde krachtens artikel 100b, aanhef en onder a, als de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting geldt met 2 dB of meer wordt verhoogd."8.7.    De Meersteeg wordt door het tracébesluit niet fysiek gewijzigd. Ook de maximale snelheid op die weg blijft gehandhaafd. Gelet daarop valt de situatie aan de Meersteeg niet onder de in artikel 1 van de Wet geluidhinder opgenomen definitie van een reconstructie van een weg.Het betoog faalt.9.    Daarnaast kan [appellant sub 8] kan zich niet verenigen met de wijze waarop de m.e.r.-beoordeling is uitgevoerd. Hij betoogt dat deze, door het tegen elkaar wegstrepen van positieve en negatieve effectscores, te grofmazig is en om die reden een vertekend beeld als uitkomst heeft. Voor zover dat niet al het beoogde resultaat heeft, wordt nog meer afstand genomen en wordt alleen nog maar gekeken naar de vraag wat het project toevoegt aan de al bestaande hinder. De conclusie van de m.e.r.-beoordeling is dan ook ten onrechte dat geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen als gevolg van het tracébesluit en dat daarom geen formele m.e.r.-beoordelingsprocedure behoeft te worden doorlopen.Verder zijn volgens [appellant sub 8] op het punt van ruimtebeslag de gevolgen van het tracébesluit voor de agrarische ondernemingen die door het besluit worden getroffen ten onrechte niet in de besluitvorming betrokken.9.1.    De staatssecretaris stelt dat in de m.e.r.-beoordeling aan de hand van de selectiecriteria als bedoeld bijlage III van de m.e.r.-richtlijn is beoordeeld of uitgesloten is dat het project belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Deze criteria hebben onder meer betrekking op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect. Omdat ten tijde van de m.e.r.-beoordeling wel aandacht is gevraagd voor de gevolgen van water en archeologie, is in het ontwerp rekening gehouden met effecten op de grondwaterstand, de waterkering, het bergend vermogen en het doorstroomprofiel van de Linge en de watergangen die worden gekruist. De conclusie van het rapport is dat uitgaande van de mitigerende maatregelen belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten.9.2.    Ter uitvoering van artikel 2, vijfde lid, onder b, van het Besluit m.e.r., heeft de staatssecretaris een vormvrije m.e.r.-beoordeling laten uitvoeren. Het resultaat daarvan is neergelegd in het onderzoeksrapport ‘Vormvrije M.E.R.-beoordeling spooromgeving Geldermalsen’ van Arcadis van 20 januari 2017. In dit rapport wordt voor de verschillende thema’s (zijnde: geluid, luchtkwaliteit, trillingen, externe veiligheid, bodem, water, natuur, landschap en cultuurhistorie, archeologie, grondgebruik - waaronder ook het ruimtebeslag valt - en verkeers- en sociale effecten) bezien welke effecten te verwachten zijn als gevolg van het tracébesluit. Het resultaat daarvan is schematisch weergegeven in tabel 4-1 van dit rapport. Omdat voor water en archeologie belangrijke nadelige milieugevolgen zonder aanvullend onderzoek en aanvullende maatregelen op voorhand niet met zekerheid uit te sluiten zijn, is in het besluit rekening gehouden met effecten op de grondwaterstand, de waterkering, het bergend vermogen en het doorstroomprofiel van de Linge en de watergangen die worden gekruist. Daarmee worden belangrijke nadelige gevolgen voor water uitgesloten. Ook op het punt van archeologie wordt door nader onderzoek, dat deels al is uitgevoerd, bij de benodigde ruimtelijke besluiten rekening gehouden met eventuele aanwezige archeologische waarden en worden waar mogelijk maatregelen getroffen om deze archeologische waarden in de bodem ongestoord te behouden. Het resultaat hiervan is dat op elk van de thema’s die in het rapport zijn bezien belangrijke nadelige milieugevolgen worden uitgesloten. Daarom wordt het totale effect van het project inclusief maatregelen door Arcadis positief beoordeeld. Anders dan [appellant sub 8] betoogt, is van het tegen elkaar wegstrepen van positieve en negatieve effectscores geen sprake.Het betoog faalt.10.    [appellant sub 3 A] en [appellant sub 3 B] betogen dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar alternatieve trajecten voor het vrijleggen van de MerwedeLingelijn die minder impact hebben op de omgeving, in welk kader ook een gezondheidseffectscreening had moeten worden verricht. Hierover voeren zij aan dat de variant waarbij de MerwedeLingelijn ten noorden van Tricht naar Culemborg afbuigt tot aanzienlijk minder overlast voor omwonenden leidt en tegelijk voor de landelijke spoorverbindingen een optimalisatieslag betekent. In de besluitvorming is onder meer benoemd dat de verlegging van de MerwedeLingelijn naar Culemborg wordt gezien als het weggeven van de functie van een regionaal knooppunt. Volgens [appellant sub 3 A] en [appellant sub 3 B] zijn daarmee oneigenlijke, niet ruimtelijk relevante argumenten beslissend geweest bij de keuze voor het tracé.10.1.    De staatssecretaris stelt dat de wens voor het vrijleggen van de MerwedeLingelijn al is terug te voeren op het programma Herstelplan spoor  2e fase uit 2004. In 2010 is daarvoor een eerste verkenning van alternatieve oplossingen uitgevoerd van de spoorkruisingen. Het resultaat daarvan is neergelegd in het rapport ‘Vrijleggen MerwedeLingelijn Verkenning spoorkruisingen in Tricht’ van Movares van 7 juli 2010. Verder heeft de staatssecretaris toegelicht dat de variant waarbij de MerwedeLingelijn ten noorden van Tricht naar Culemborg afbuigt in het kader van de besluitvorming over dit tracébesluit niet meer betrokken is als een realistisch alternatief. De aanleg van een nieuw tracé Beesd-Culemborg valt volgens de staatssecretaris buiten de basisaanpak in Nederland om zoveel mogelijk met kleine maatregelen de capaciteit van het bestaande spoor te vergroten. Daarnaast is deze variant financieel niet haalbaar, omdat hiervoor een nieuwe spoorlijn van circa 6 km vanuit Beesd naar Culemborg nodig is, waarbij drie wegen moeten worden doorkruist, en ook de perroncapaciteit van station Culemborg moet worden uitgebreid. Tot slot is deze variant volgens de staatssecretaris ook vanuit het spoorgebruik een onlogische keuze.10.2.    Over de vraag in hoeverre de staatssecretaris in dit geval gehouden was in het kader van de besluitvorming over het tracébesluit alternatieve trajecten te onderzoeken, verwijst de Afdeling naar wat daarover onder 6.4. en 8.3. is overwogen.Daarnaast overweegt de Afdeling dat de staatssecretaris beleidsvrijheid heeft bij het vaststellen van het tracébesluit. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de staatssecretaris voldoende gemotiveerd waarom de variant waarbij de MerwedeLingelijn ten noorden van Tricht naar Culemborg afbuigt niet (meer) betrokken is als realistisch alternatief. Het aangevoerde biedt geen grond voor het oordeel dat de betrokken belangen zo onevenwichtig zijn afgewogen dat de staatssecretaris hier niet in redelijkheid toe heeft kunnen beslissen.Het betoog faalt.11.    [appellant sub 5] voert aan dat financiële overwegingen de overhand hebben gekregen.11.1.    Bij de vaststelling van een tracébesluit mogen de kosten van maatregelen en voorzieningen een rol spelen in de belangenafweging. [appellant sub 5] heeft niet toegelicht waarom de door de staatssecretaris bij de door hem gemaakte afweging wat betreft de kosten van maatregelen en voorzieningen de betrokken belangen niet op evenwichtige wijze heeft afgewogen. Daarom slaagt het betoog niet.Schaal en leesbaarheid kaarten12.    [appellant sub 1] betoogt dat het tekenwerk van de kaarten die deel uitmaken van het tracébesluit op te kleine schaal en bovendien onvolledig is uitgevoerd. Volgens [appellant sub 5] is verder de maatvoering op de tekeningen slecht leesbaar. Daarom kan op grond van die kaarten de rechtmatigheid van het tracébesluit niet worden beoordeeld.12.1.    De staatssecretaris stelt dat de detailkaarten van het tracébesluit een schaal van 1:2000 hebben en daarmee voldoen aan artikel 10, eerste lid, aanhef en onder e, van de Tracéwet. Appellanten maken volgens de staatssecretaris niet duidelijk op welke punten de tekeningen onduidelijk of onvolledig zouden zijn.12.2.    Artikel 10, eerste lid, van de Tracéwet luidt:"Het tracébesluit bevat ten minste:[…]e. de aanduiding op een of meer topografische of geografische kaarten van het verloop en de geografische omvang van het werk, waarbij gebruik wordt gemaakt van een of meer detailkaarten met een schaal van ten minste 1:2500 en van een of meer overzichtskaarten;[…]."12.3.    De detailkaarten van het tracébesluit hebben een schaal van 1:2000 en voldoen daarmee aan artikel aan artikel 10, eerste lid, aanhef en onder e, van de Tracéwet. [appellant sub 1] en [appellant sub 5] hebben niet onderbouwd waarom de kaarten niettemin onduidelijk of onvolledig zouden zijn. Daarom faalt het betoog.Randweg[appellante sub 7] en anderen13.    [appellante sub 7] en anderen stellen dat het tracébesluit onvoldoende recht doet aan hun belangen bij exploitatie van hun bedrijfslocaties en daarnaast een ernstige aantasting vormt voor het woongenot op de locaties [locatie 1] en [locatie 2]. Daarover voeren zij aan dat het gekozen tracé loopt over hun huiskavel en de fruitopstanden die tot hun volwaardig fruitteeltbedrijf behoren. Volgens [appellante sub 7] en anderen heeft de staatssecretaris dit in de besluitvorming onvoldoende onderkend en is onvoldoende feitelijk onderzoek verricht naar de gevolgen van het tracébesluit en de effectiviteit van de landschappelijke inpassingsmaatregelen waarin het besluit voorziet. [appellante sub 7] en anderen waren graag een inhoudelijke dialoog aangegaan over de noodzaak van verwerving van (een deel van) de gronden aan de [locatie 1A] en [locatie 2], afgezet tegen hun belangen bij het behoud van een volwaardig en duurzaam agrarisch bedrijf op die locatie. Dat het maar om een klein percentage van het totale grondareaal van [appellante sub 7] en anderen gaat, vormt op zichzelf onvoldoende rechtvaardiging voor de gemaakte keuze. Zij stellen vermogensschade te lijden omdat hun woningen en andere onroerende zaken als gevolg van het tracébesluit in waarde zullen dalen.13.1.    De staatssecretaris stelt dat een deel van het perceel van [appellante sub 7] en anderen nodig is om de randweg te realiseren. Voor het ontwerp is uitgegaan van een zo beperkt mogelijk ruimtebeslag, waarbij de huiskavel vanwege de ligging tot de sportvelden niet versnipperd wordt. Het benodigde ruimtebeslag bedraagt ongeveer 7 procent van de huiskavel, die momenteel in gebruik is als perenboomgaard. Volgens de staatssecretaris is het benodigde perceel op de kopakkers en halverwege en langs de westgrens voorzien van wendakkers en een windkering/-haag. Verder blijft de bereikbaarheid aan de oostzijde gegarandeerd doordat het perceel nog steeds via een pad over de naastgelegen percelen op de huiskavel van de eigenaar ontsloten blijft. Voor de verwerving van de betreffende gronden wordt bovendien uitgegaan van volledige schadeloosstelling. Volgens de staatssecretaris is bij de voorbereiding van het (ontwerp-)tracébesluit zorgvuldig onderzoek verricht naar de effecten van de voorgenomen plannen op de omgeving. De staatssecretaris benadrukt dat het gelet op het stadium van besluitvorming in 2013 te vroeg was voor concreet overleg over grondverwerving, maar dat later voldoende mogelijkheden zijn geboden zich uit te spreken over de besluitvorming in zijn algemeenheid en het tracé van de randweg in het bijzonder.Voor het woongenot op het adres [locatie 1] wijst de staatssecretaris erop dat de kortste afstand tussen de aan te leggen randweg en de woningen ongeveer 170 m bedraagt. Gelet op deze afstand en omdat de randweg en de woningen van elkaar worden gescheiden door een boomgaard en bebouwing, bestaat er vanuit de woningen geen direct zicht op de randweg. Ook acht de staatssecretaris van belang dat ter plaatse geen overschrijding plaatsvindt van de grenswaarden voor de geluidsbelasting en de concentratie stikstofdioxide en fijnstof.De kortste afstand tussen de woning op het adres [locatie 2] en de randweg bedraagt volgens de staatssecretaris ongeveer 65 m, waarop zich percelen en bebouwing van derden bevinden. Vanuit de woning bestaat een beperkt zicht op de randweg. In het landschapsplan is beschreven hoe de randweg in het landschap wordt ingepast, waarbij expliciet ook aandacht is besteed aan de ligging van deze woning. Onderdeel van de inpassing is om aan de achterzijde van de woning langs de randweg een bomensingel aan te planten met een lage haag. Aan de voorzijde zal het zicht op de randweg grotendeels ontnomen worden door de bebouwing op het perceel [locatie 3] en de boomgaard. Zo worden de ruimtelijke effecten voor de woning op de [locatie 2] zo beperkt mogelijk gehouden. Verder is uit onderzoek gebleken dat geen grenswaarden voor geluidsbelasting en luchtkwaliteit zullen worden overschreden, aldus de staatssecretaris.13.2.    Voor de uitvoering van het tracébesluit is van [appellante sub 7] en anderen een strook grond nodig aan de rand van de perenboomgaard met een oppervlakte van 6.158 m². Op dit moment wordt het perceel van [appellante sub 7] en anderen begrensd door een dichte haag en een watergang of sloot. Deze scheiden de perenboomgaard af van de sportvelden die ten noordwesten van het perceel liggen.13.3.    [appellante sub 7] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat door de verwerving van hun gronden de bedrijfsvoering moet worden gestaakt. In dit verband acht de Afdeling van belang dat [appellante sub 7] en anderen in gesprek zijn over compensatie van de te verwerven gronden, tegen de achtergrond dat [appellante sub 7] en anderen voor eventueel verlies van gronden volledig zullen worden gecompenseerd.13.4.    Schade door verwerving van gronden die benodigd zijn voor de aanleg van het tracé in het kader van de toekenning van een schadeloosstelling komt op grond van de Onteigeningswet voor vergoeding in aanmerking. Uitgangspunt hiervan is een volledige schadeloosstelling.Voor eventuele resterende schade vanwege de realisering van het tracébesluit kan op grond van artikel 22, van de Tracéwet, bezien in samenhang met artikel 15, tweede lid, van het Tracébesluit, een verzoek om nadeelcompensatie worden ingediend. De Afdeling acht niet aannemelijk gemaakt dat de schade voor [appellante sub 7] en anderen zo zal zijn dat de staatssecretaris het tracébesluit niet in redelijkheid heeft kunnen nemen.13.5.    Waar [appellante sub 7] en anderen betogen dat zij onevenredig nadeel ondervinden van het tracébesluit omdat de randweg is voorzien tussen de bestaande waterweg en hun perceel, zodat het voor derden gemakkelijker wordt hun perceel ongeoorloofd te betreden, maakt dat het voorgaande niet anders. Niet aannemelijk is dat als gevolg van het tracébesluit zo’n groot risico op ongeoorloofde betreding ontstaat dat dat het gekozen tracé onrechtmatig maakt.13.6.    De staatssecretaris heeft verder toegelicht bij de voorbereiding van het ontwerp-tracébesluit zorgvuldig onderzoek te hebben verricht naar de effecten van de voorgenomen plannen op de omgeving. Ten behoeve van deze onderzoeken heeft, indien noodzakelijk, feitelijk onderzoek plaatsgevonden op representatieve locaties. Indien het feitelijk onmogelijk is om een locatie te betreden, zoals bij de eigendommen van [appellante sub 7] en anderen omdat toestemming daarvoor ontbrak, is gekozen voor andere representatieve locaties. Daarbij kan gedacht worden aan bodemonderzoek op naastgelegen percelen. Daarnaast is voor onderzoeken naar bijvoorbeeld geluid of luchtkwaliteit het betreden van het terrein niet noodzakelijk en kan waar nodig gebruik worden gemaakt van bureauonderzoek, luchtfoto’s en andere waarnemingen. Verder hebben [appellante sub 7] en anderen niet geconcretiseerd op welke onderdelen zij de onderzoeksrapporten onduidelijk of inhoudelijk onjuist vinden.Gelet op het voorgaande volgt de Afdeling [appellante sub 7] en anderen niet in het betoog dat onvoldoende feitelijk onderzoek is verricht naar de gevolgen van het tracébesluit en de mogelijkheid tot inpassing. Over de communicatie in het kader van de besluitvorming heeft de staatssecretaris naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid kunnen vinden dat concreet overleg over de verwerving van de gronden naar aanleiding van de brief van [appellante sub 7] van 9 augustus 2013, gelet op de fase van besluitvorming op dat moment, nog niet aan de orde was. Voor zover het betoog ook over de later in de besluitvorming door de staatssecretaris geboden inspraakmogelijkheden gaat, verwijst de Afdeling naar wat daarover onder 7.5 en 7.6 is overwogen.13.7.    Over het woon- en leefklimaat van de woningen aan de [locatie 1] overweegt de Afdeling als volgt. Het aangevoerde biedt geen grond voor twijfel aan de hierover door de staatssecretaris gegeven toelichting. Omdat vanuit de woningen geen direct zicht bestaat op de randweg en aanleg van de randweg ook niet leidt tot een overschrijding van de voorkeursgrenswaarden voor de geluidsbelasting en grenswaarden voor de concentratie stikstofdioxide en fijnstof, kan het betoog dat het tracébesluit ter plaatse leidt tot een ernstige aantasting van het woongenot niet worden gevolgd.13.8.    De woning aan de [locatie 2] ligt op een afstand van ongeveer 65 m van de randweg. Ter zitting is gebleken dat met name wordt gevreesd voor overlast als gevolg van schijnende koplampen in de woning. In dit kader heeft de staatssecretaris toegezegd dat de in het landschapsplan beschreven lage haag aan de achterzijde van de woning zal worden gerealiseerd en dat de keuze voor de beplanting zo zal zijn, dat deze haag ook in de winter zijn afschermende functie behoudt. Verder zal de randweg ook ter hoogte van deze woning niet leiden tot een overschrijding van de voorkeursgrenswaarden voor de geluidsbelasting en de grenswaarden voor concentratie stikstofdioxide en fijnstof. Daarom kan ook hier het betoog dat het tracébesluit ter plaatse leidt tot een ernstige aantasting van het woongenot niet worden gevolgd.13.9.    Het betoog faalt.14.    [appellant sub 8] betoogt dat er in het tracébesluit aan wordt voorbijgegaan dat de randweg waarin het besluit voorziet zijn woon- en bedrijfsperceel doorsnijdt. De voor hem ingrijpende gevolgen hiervan zijn volgens [appellant sub 8] niet in de besluitvorming betrokken. Dit klemt temeer omdat alleen schadevergoeding zal worden uitgekeerd voor het aantal m² grond dat [appellant sub 8] zal moeten afstaan en niet voor de andere schade en overlast die hij van het bestreden besluit zal ondervinden. Deze regeling volstaat volgens [appellant sub 8] dan ook niet.14.1.    De staatssecretaris stelt dat met [appellant sub 8] gesprekken plaatsvinden over de verwerving van de voor het tracé benodigde gronden en dat uitgangspunt hiervan een volledige schadeloosstelling is. Indien [appellant sub 8] meent ook daarnaast nog schade te lijden kan hij hiervoor op grond van artikel 22 van de Tracéwet, bezien in samenhang met artikel 15, tweede lid, van het Tracébesluit een verzoek indienen voor nadeelcompensatie.14.2.    De randweg waarin het tracébesluit voorziet doorsnijdt het perceel van [appellant sub 8] op de plek waar nu een kersenboomgaard gelegen is. Hiervoor is een stuk grond met een oppervlakte van ongeveer 1560 m² nodig. Ter zitting heeft de staatssecretaris hierover nog toegelicht dat er gekeken is naar andere oplossingen, maar dat er geen uitvoering van het tracé mogelijk was waarin het perceel van [appellant sub 8] in zijn geheel kon worden ontzien. Daarnaast moet als gevolg van dit tracé één woning worden verwijderd en waren andere uitvoeringen ten koste gegaan van meer woningen.14.3.    Vast staat dat het gekozen tracé ingrijpende gevolgen zal hebben voor de kersenboomgaard en het handelsbedrijf van De Jon[appellant sub 8] heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat door de verwerving van de gronden die nodig zijn voor het tracébesluit de bedrijfsvoering moet worden gestaakt. In dit verband acht de Afdeling van belang dat het bedrijf van [appellant sub 8] meer omvat dan alleen de kersenteelt. Verder zal [appellant sub 8] voor het nadeel dat hij lijdt door verlies van de grond die hij voor het tracébesluit moet afstaan op basis van volledige schadeloosstelling worden gecompenseerd en kan hij voor eventuele resterende schade op grond van artikel 22 van de Tracéwet, bezien in samenhang met artikel 15, tweede lid, van het Tracébesluit een verzoek indienen om nadeelcompensatie. Zoals de staatssecretaris heeft toegelicht geschiedt de schadevergoeding in beginsel in geld, maar kan, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, in voorkomende gevallen ook in de schade worden voorzien door het aanbieden van vervangende grond en/of andere feitelijke voorzieningen. Gesprekken hierover tussen [appellant sub 8] en de staatssecretaris zijn inmiddels ook gaande. De vraag of de regelingen voor toekenning van schadeloosstelling volstaan, zoals door [appellant sub 8] wordt betwist, staat in deze procedure niet ter beoordeling.Gelet op het voorgaande acht de Afdeling niet aannemelijk dat de schade voor [appellant sub 8] zo zal zijn, dat de staatssecretaris het tracébesluit niet in redelijkheid heeft kunnen nemen.Het betoog faalt.[bedrijf]15.    [bedrijf] voert aan dat de randweg haar perceel splitst. Op het zuidelijke deel staat de huidige bedrijfsbebouwing. Het noordelijke deel wordt een agrarisch restperceel zonder waarde voor het bedrijf. Op de lange termijn is dit perceelsgedeelte volgens [bedrijf] nodig voor uitbreiding van het bedrijf. Uitbreiding in noordelijke richting sluit namelijk beter aan op de bestaande bedrijfsprocessen dan uitbreiding in oostelijke richting, die volgens de staatssecretaris nog mogelijk is. Bovendien zijn de mogelijkheden voor uitbreiding in oostelijke richting sowieso beperkt.[bedrijf] heeft twee alternatieven voor de ligging van de randweg aangedragen die volgens haar niet of minder bezwaarlijk voor haar zijn. Het eerste alternatief is een aansluiting van de randweg op het bestaande tracé van de Weistraat. Het tweede is een versprongen aansluiting op de Langestraat.15.1.    De staatssecretaris stelt dat zowel het huidige bestemmingsplan als het in voorbereiding zijnde nieuwe bestemmingsplan "Buitengebied 2018" niet voorziet in uitbreiding van het bedrijf van [bedrijf] op het noordelijke deel van het perceel. Uitbreiding op het zuidelijke deel is wel mogelijk. Volgens de staatssecretaris blijkt uit een gemeentelijke verkenning dat uitbreiding van het bedrijf aan de oostelijke zijde ook mogelijk is. Daarin staat ook dat de randweg een structurerend element in het landschap is. Met het oog op het dorpse karakter van Tricht en een goede ruimte inpassing is bedrijfsbebouwing op korte afstand van deze weg volgens de verkenning niet wenselijk.De door [bedrijf] naar voren gebrachte alternatieven vindt de staatssecretaris niet aanvaardbaar. Het eerste alternatief, waarbij de randweg aansluit op het kruispunt Langstraat-Weistraat, is volgens de staatssecretaris geen optie, omdat de Weistraat niet geschikt is voor doorgaand vrachtverkeer. Bovendien zou de karakteristieke Walnotenlaan in de verdrukking komen. Het tweede alternatief heeft volgens de staatssecretaris als nadeel dat er twee T-splitsingen dicht bij elkaar zouden komen. Daarnaast zou de bocht naar de Langstraat te scherp worden, aldus de staatssecretaris.15.2.    Vast staat dat de rondweg gedeeltelijk is voorzien op gronden die [bedrijf] in eigendom heeft. [bedrijf] heeft schetsen overgelegd voor een mogelijke uitbreiding van haar bedrijfsbebouwing op deze gronden. Hoewel [bedrijf] naar voren heeft gebracht dat zij met de gemeente in overleg is over het planologisch mogelijk maken van deze uitbreiding, heeft dat er in ieder geval niet toe geleid dat een procedure voor het wijzigen van het bestemmingsplan is gestart. [bedrijf] heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat door een bevoegd orgaan van de gemeente is toegezegd dat de benodigde planologische medewerking zal worden verleend. In zoverre is dan ook geen sprake van een concreet voornemen van [bedrijf] dat door het tracébesluit onmogelijk wordt gemaakt. Dit neemt niet weg dat de uitvoering van het tracébesluit ertoe zal leiden dat [bedrijf] een deel van haar eigendom verliest en dat een eventuele toekomstige uitbreiding van het bedrijf niet meer kan worden gerealiseerd op de wijze die volgens [bedrijf] het beste is voor het bedrijf.Volgens [bedrijf] kan de staatssecretaris dit nadeel voorkomen door de randweg uit te voeren volgens de door haar aangedragen alternatieven. Het eerste alternatief van [bedrijf], een aansluiting van de randweg meer naar het noorden bij de Weistraat, zou echter nopen tot het treffen van ingrijpende wijzigingen aan de Weistraat en de daaraan gelegen woonpercelen. Aan het tweede alternatief kleven verkeerskundige bezwaren, gelet op de relatief scherpe bocht die de randweg zou moeten maken en het feit dat er op korte afstand van elkaar twee afslagen op de Langstraat zouden moeten worden gerealiseerd. Daarom is de Afdeling van oordeel dat de staatssecretaris in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor de variant van de randweg die in het tracébesluit is voorzien.16.    [bedrijf] voert ook aan dat het wegprofiel, inclusief berm en ligging van de fietspaden, van de randweg onnodig beslag legt op haar perceel. Volgens de zienswijzennota zou een vrijliggend fietspad nodig zijn. Het zou volgens [bedrijf] veel logischer zijn om die aan de noordkant van de randweg aan te leggen. Dat sluit aan bij de richting die de meeste fietsers op zullen gaan. Ook is dit volgens haar veiliger in verband met het vrachtverkeer dat van en naar het bedrijfsterrein rijdt.16.1.    De staatssecretaris stelt dat een vrijliggend fietspad ten noorden van de randweg leidt tot een verkeersonveilige situatie ten oosten van het spoor vanwege de aansluiting op de Willem Mechteldstraat. Het scheiden van fietsers en wandelaars van de rijloper voor gemotoriseerd verkeer dient ertoe om de onderdoorgang met toeritten zo klein en zo kort mogelijk te houden. Ook is de veiligheid daarbij gebaat, aangezien op de weg 60 km/u gereden mag worden, aldus de staatssecretaris.16.2.    Uit detailkaart 2 van het tracébesluit volgt dat, zoals de staatssecretaris stelt, als het fietspad ten noorden van de randweg zou worden voorzien, fietsers bij de aansluiting op de Willem Mechteldstraat de randweg zouden moeten oversteken. Gelet hierop heeft de staatssecretaris in redelijkheid meer gewicht kunnen toekennen aan de verkeerskundige belangen die gemoeid zijn met de locatie van het fietspad zoals die in het tracébesluit is voorzien dan aan het belang van [bedrijf] gevrijwaard te blijven van een inbreuk op haar eigendommen.17.    [bedrijf] stelt dat de staatssecretaris onvoldoende rekening heeft gehouden met haar bedrijfsbelangen. Zij verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 29 december 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AR8375. Volgens [bedrijf] had de staatssecretaris meer onderzoek moeten doen naar de schade die het tracébesluit veroorzaakt.17.1.    De staatssecretaris schat de verwachte schade van [bedrijf] als zeer gering in. Zo zal volgens hem de huidige bedrijfsvoering niet worden beperkt, zal de ontsluiting van en naar het bedrijf verbeteren, komt er een eigen toerit en resteren er nog mogelijkheden voor het bedrijf om uit te breiden. De gronden van [bedrijf] die nodig zijn voor het tracé zullen op basis van volledige schadeloosstelling worden verworven, aldus de staatssecretaris.17.2.    In de door [bedrijf] genoemde uitspraak is overwogen:"2.4.5. De aanleg van de Hanzelijn kan negatieve gevolgen hebben voor betrokkenen, zoals in dit geval verlies en waardevermindering van gronden en mogelijke beperking van de bedrijfsvoering. De Afdeling dient te beoordelen of verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het tracébesluit kon besluiten. Hierbij dient onder meer te worden betrokken of verweerder heeft onderzocht welke schade mogelijkerwijs kan optreden en of hierbij sprake is van zodanige schade dat deze zwaarder zou moeten wegen dan het belang dat is gediend bij de aanleg van de Hanzelijn.Bij de beoordeling van de vraag of verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het tracébesluit kon besluiten, dient voorts te worden betrokken dat ten aanzien van mogelijk optredende schade in ieder geval dient vast te staan dat er een regeling is voor de afhandeling van deze schade en welke regeling dat is. (…)."17.3.    Gelet op wat hiervoor in 15.2. en 16.2. is overwogen, staat vast dat [bedrijf] als gevolg van de uitvoering van het tracébesluit schade zal lijden. Deze schade is naar het oordeel van de Afdeling echter niet zo groot dat de staatssecretaris in redelijkheid het tracébesluit niet heeft kunnen vaststellen. Voor het nadeel dat [bedrijf] lijdt door verlies van de grond die zij voor het tracébesluit moet afstaan zal zij op basis van volledige schadeloosstelling worden gecompenseerd. Daarnaast kan zij voor eventuele resterende schade op grond van artikel 22 van de Tracéwet, bezien in samenhang met artikel 15, tweede lid, van het Tracébesluit een verzoek indienen om nadeelcompensatie.Het betoog faalt.TrillingenInleiding18.    De staatssecretaris is voor de beoordeling van mogelijke schade en hinder door trillingen als gevolg van het tracébesluit uitgegaan van de "Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen" van de Stichting Bouwresearch. Die bestaan uit - voor zover hier van belang - deel A voor schade aan gebouwen (hierna: SBR-richtlijn A) en deel B voor hinder voor personen in gebouwen (hierna: SBR-richtlijn B). Wat hinder betreft, heeft de staatssecretaris het tracébesluit vastgesteld met toepassing van de Beleidsregel trillinghinder spoor (hierna: Bts), die SBR-richtlijn B wijzigt en aanvult.19.    In opdracht van de staatssecretaris heeft Railinfra Solutions onderzoek gedaan naar de gevolgen van trillingen vanwege het treinverkeer op het tracé. De resultaten daarvan zijn neergelegd in onder meer de rapporten "Trillingsonderzoek" van 8 november 2016 en "Maatregelrapport trillingsonderzoek" van 15 november 2016.20.    De staatssecretaris stelt zich in de toelichting van het tracébesluit op het standpunt dat de kans op schade aan woningen als gevolg van treinverkeer in het projectgebied zeer klein is (minder dan een procent) en dat wordt voldaan aan SBR-richtlijn A. De gemeten trillingsniveaus aan de fundering van de gebouwen liggen namelijk onder de onderste grenswaarde voor gebouwen uit de meest maatgevende categorie 3 (slecht onderhouden of monumentale panden).21.    Wat hinder van trillingen betreft, stelt de staatssecretaris zich op het standpunt dat op grond van de Bts in dit geval voor de maximale trillingsniveaus (Vmax) geen maatregelen hoeven te worden afgewogen. De maximale trillingsniveaus (Vmax) zullen namelijk niet toenemen en de bovenste grenswaarde van 3,2 wordt ook niet overschreden.De grenswaarde voor de gemiddelde trillingsniveaus (Vper) wordt bij één woning ([locatie 4] in Tricht) overschreden. Voor deze woning heeft de staatssecretaris daarom beoordeeld of trillingsbeperkende maatregelen doelmatig zijn. Hiervoor is een richtbedrag van € 47.000,00 aangehouden. De enige doelmatige maatregel is het aanbrengen van verlengde overgangsplaten bij de onderdoorgang Lingedijk. Deze maatregel is in het ontwerp van het tracé opgenomen.22.    De staatssecretaris heeft verder voorzien in aanvullende maatregelen ter beperking van hinder door trillingen, ook al verplicht de Bts daar niet toe. In de toelichting op het tracébesluit staat hierover dat de Bts is gericht op de beoordeling van de gevolgen van het project zelf op de trillinghinder en niet op de beoordeling van de huidige situatie. In de huidige situatie ondervinden veel inwoners van Tricht echter al hinder van trillingen. De gemeente Geldermalsen heeft geld ter beschikking gesteld om daartegen maatregelen te nemen. Om zoveel mogelijk hinder weg te nemen is volgens de staatssecretaris gekeken naar het gebied met de grootste concentratie aan woningen en trillinghinder. Dit is Tricht (deelgebied 1 in het onderzoek). Hier zal een 320 m lange en 10 m diepe ondergrondse trillingsreducerende constructie worden aangelegd, een zogenoemde jetgrouten wand. Verder zal worden voorzien in een verlengde stootplaat bij onderdoorgang Nieuwsteeg.Afstand en verloop trillingen23.    [appellant sub 3 A] en [appellant sub 3 B] stellen dat voor goederentreinen het verloop van het trillingsniveau in relatie tot de afstand van het spoor erg onregelmatig is. Dit blijkt volgens hen uit een nulmeting die in 2007 is uitgevoerd vanwege de toen aanstaande aansluiting op de Betuweroute. Het is ook in lijn met bewonersonderzoek. Er zijn pieken op 20 tot 40 m en op 140 tot 160 m. Volgens [appellant sub 3 A] en [appellant sub 3 B] gaat het trillingsonderzoek ten onrechte uit van een dwarsraaimeting in een weiland waaruit zou volgen dat de afstandsdemping een gelijkmatig afnemende karakteristiek heeft. Zelfs als dit zo zou zijn, dan zegt dat nog niks over afstandsdemping in de bebouwde omgeving, aldus [appellant sub 3 A] en [appellant sub 3 B].[appellant sub 1] stelt dat de staatssecretaris niet heeft onderkend dat de bodem aan weerszijden van het spoor zeer gevarieerd in samenstelling is, omdat hier door de Linge eeuwenlang verschillende soorten en dikten sediment zijn afgezet.23.1.    De staatssecretaris heeft ter zitting toegelicht dat de mate van demping van trillingen afhangt van de samenstelling van de bodem. Om de mate van demping in dit geval vast te stellen is daarom eerst informatie opgevraagd via het zogenoemde DINOloket. Volgens die informatie is er in Tricht niet veel variatie in de samenstelling van de bodem. Daarom geeft een dwarsraaimeting volgens de staatssecretaris een goed beeld van het verloop van de trillingen. De meting laat een exponentiële afname van de trillingssterkte zien, wat volgens de staatssecretaris op basis van de theorie ook te verwachten is. Ook heeft de staatssecretaris ter zitting gesteld dat sonderingen die inmiddels zijn gedaan voor de aanleg van de ondergrondse trillingwerende constructie bevestigen dat de grond ter plaatse homogeen is.De staatssecretaris heeft verder gesteld dat uit een in 2007 door Movares verricht onderzoek volgt dat tot op 50 m van het spoor trillinghinder kan ontstaan met een sterkte van de streefwaarde A2 voor Vmax en dat tot op 30 m een overschrijding van de streefwaarde voor Vper zou kunnen optreden. Overschrijdingen van grenswaarden op 100 m of meer zijn op basis van dat eerdere onderzoek dus ook niet aannemelijk, aldus de staatssecretaris.23.2.    In het StAB-advies staat dat volgens het door [appellant sub 3 A] en [appellant sub 3 B] genoemde bewonersonderzoek in een gebied op 20 tot 40 m en in een gebied op 140 tot 160 m de meeste trillinghinder wordt gerapporteerd, maar dat de trillingssterkte niet is vastgelegd. Om deze reden is niet duidelijk of de mate van hinder in beide situaties ook in kwantitatieve zin gelijk is. Normaal gesproken is dat ook niet zo en neemt de trillingsbelasting af met toenemende afstand tot de bron, aldus het StAB-advies.23.3.    Gelet op het StAB-advies kunnen op basis van het door [appellant sub 3 A] en [appellant sub 3 B] genoemde bewonersonderzoek geen uitspraken worden gedaan over de representativiteit van de dwarsraaimeting die in het kader van het trillingsonderzoek is uitgevoerd. Verder ziet de Afdeling niet in waarom de dwarsraaimeting ook anderszins niet geschikt zou zijn voor bebouwd gebied. [appellant sub 3 A] en [appellant sub 3 B] hebben hun stellingen op dit punt onvoldoende onderbouwd.Op het punt dat [appellant sub 1] betwist dat de bodem in Tricht gelijkmatig is samengesteld, stelt de Afdeling vast dat hij daarvoor geen onderbouwing heeft gegeven die steunt op relevante openbare bronnen of de bevindingen van een ter zake deskundige.Om deze redenen is de Afdeling van oordeel dat de staatssecretaris bij de beoordeling van de gevolgen van het tracébesluit voor trillingen in Tricht gebruik mocht maken van de dwarsraaimeting.24.    [appellant sub 3 A] en [appellant sub 3 B] voeren in hun reactie op het StAB-advies aan dat hun woning tegen de Lingedijk aan is gebouwd. Volgens hen is dit een bijzondere situatie waarmee in het trillingsonderzoek onvoldoende rekening is gehouden.24.1.    De staatssecretaris heeft ter zitting toegelicht dat is gemeten bij de woning aan de [locatie 4], omdat die het dichtst bij het spoor staat, in de huidige situatie op ongeveer 35 m. Uit het onderzoek volgt dat bij die woning een overschrijding van de grenswaarden optreedt. Verder weg neemt de trillingssterkte echter snel af. De woning van [appellant sub 3 A] en [appellant sub 3 B] staat op ongeveer 70 m van het spoor. Weliswaar kan de trillingssterkte bij een dijklichaam variëren, maar het is uitgesloten dat op deze afstand de trillingssterkte een factor twee of drie hoger is. Daarom is de woning van [appellant sub 3 A] en [appellant sub 3 B] niet als maatgevend aangemerkt, aldus de staatssecretaris ter zitting.24.2.    In het trillingsonderzoek staat dat om mogelijk optreden van trillinghinder in kaart te kunnen brengen het van belang is om voor alle woningen langs het spoor in het projectgebied de trillingsbelasting te bepalen. Vanwege het grote aantal woningen is met een combinatie van meten en rekenen gewerkt. In vijf woningen zijn langdurige metingen (een week) verricht, die met behulp van onder meer de dwarsraaimeting zijn geëxtrapoleerd naar de andere woningen. Twee van de vijf woningen staan in Tricht. Voor deze en zeven andere woningen in Tricht zijn aanvullend kortdurende metingen (24 uur) gedaan. De zeven woningen worden clusterwoningen genoemd. Deze woningen zijn gekozen omdat zij representatief zijn geacht voor een cluster van woningen.Voor het cluster met nummer 9 is gemeten in de woning aan de [locatie 4]. Deze woning staat op ongeveer 35 m van het spoor in de huidige situatie, ongeveer 28 m in de toekomstige.De woning van [appellant sub 3 A] en [appellant sub 3 B] aan de Lingedijk staat aan de andere kant van de straat, iets meer dan twee keer zo ver van het spoor.24.3.    Het betoog van [appellant sub 3 A] en [appellant sub 3 B] komt erop neer dat de metingen die voor de clusterwoning aan de [locatie 4] zijn gedaan niet representatief zijn voor hun woning, omdat die tegen de dijk aan is gebouwd. Dit is volgens hen van invloed op de manier waarop trillingen worden doorgegeven. Zij hebben echter geen kwantitatieve onderbouwing van het veronderstelde effect gegeven. Ook hebben zij geen wetenschappelijke of technische bronnen genoemd die hun zienswijze ondersteunen. Hier staat tegenover dat de deskundige die het trillingsonderzoek heeft uitgevoerd namens de staatssecretaris op de zitting heeft toegelicht dat het dijklichaam weliswaar enige invloed op het verloop van de trillingen zal hebben, maar dat de woning aan de [locatie 4] maatgevend blijft, omdat die op veel kortere afstand van het spoor staat dan de woning van [appellant sub 3 A] en [appellant sub 3 B]. De Afdeling ziet geen redenen om aan deze toelichting te twijfelen. Daarom faalt het betoog.25.    [appellant sub 1], [appellant sub 3 A] en [appellant sub 3 B] en [appellant sub 5] voeren aan dat op grotere afstand van het spoor trillinghinder wordt ondervonden dan waarvan de staatssecretaris is uitgegaan.2