Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:1558

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 15-05-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 15-05-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:1558, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201805845/1/A3


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:1558:DOC

201805845/1/A3.Datum uitspraak: 15 mei 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:Stichting Leefbaar Buitengebied (hierna: SLB), gevestigd te Geerdijk, gemeente Twenterand,appellante,tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 1 juni 2018 in zaak nr. 18/169 in het geding tussen:SLBenhet college van gedeputeerde staten van Overijssel.ProcesverloopBij besluit van 26 oktober 2017 heeft het college aan de gemeente Almelo op grond van de Wet natuurbescherming een ontheffing verleend van het verbod om nesten en rustplaatsen van de roek opzettelijk te verstoren, te vernielen, te beschadigen en weg te nemen buiten de kritische voortplantingsmaanden voor de roek van 1 februari tot 1 september ten behoeve van het projectplan Wet natuurbescherming Vislust en Hubregtse, Almelo.Bij besluit van 10 januari 2018 heeft het college het door SLB daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.Bij uitspraak van 1 juni 2018 heeft de rechtbank het door SLB daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft SLB hoger beroep ingesteld.Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 maart 2019, waar SLB, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. H.G. Bos, zijn verschenen.Overwegingen1.    De bij het besluit van 26 oktober 2017 verleende ontheffing ziet op twee rijen populieren binnen de bebouwde kom van Almelo waarin zich een kolonie roeken had gevestigd en waar nesten waren gemaakt. Het projectplan voorzag in het kappen van de bomen vanwege het gevaar van takbreuk.    Bij het besluit van 10 januari 2018 heeft het college het bezwaar van SLB tegen de verleende ontheffing niet-ontvankelijk verklaard omdat SLB geen belanghebbende is bij dat besluit. De ontheffing is namelijk aangevraagd voor twee locaties binnen de bebouwde kom en in artikel 2 van de statuten van SLB staat dat zij ten doel heeft het evenwicht van diverse gebruiksfuncties in het buitengebied te bevorderen. Omdat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is heeft het college SLB niet gehoord in bezwaar.2.    SLB betoogt dat de rechtbank haar beroep ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Zowel het college als de rechtbank zijn er ten onrechte van uitgegaan dat het buitengebied gelijk loopt aan het gebied dat buiten het stedelijk gebied valt. SLB wijst erop dat de roeken vliegen van de ene populier naar de andere populier en voedsel halen van akkers en weilanden, die zich bevinden aan de rand van het bedrijventerrein waar de populieren  stonden. De roeken gebruiken zowel het stedelijk gebied als het gebied daarbuiten. De roeken in het buitengebied lijden schade door het wegnemen van nesten aan de rand van de stad. Ter zitting bij de Afdeling in hoger beroep heeft SLB nog aangevoerd dat het niet-ontvankelijk verklaren van haar bezwaar in strijd is met het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (hierna: Verdrag van Århus).2.1.    Ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift stond in artikel 2, eerste lid, van de statuten van SLB dat de stichting tot doel heeft het bevorderen van evenwicht tussen diverse gebruiksfuncties in het buitengebied met daarbij speciale zorg voor de natuur, het water, het landschap en het milieu in het buitengebied. Deze doelstelling is territoriaal begrensd. Op basis hiervan heeft de rechtbank terecht overwogen dat het belang van SLB beperkt is tot het buitengebied en dat ontwikkelingen in het stedelijk gebied niet tot het belang van SLB behoren. Op overgelegde plattegronden is te zien waar de populieren destijds stonden. De twee locaties zijn volledig omringd door bebouwing in het stedelijk gebied. Er is geen dichtbijgelegen landelijk gebied. De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat de bomenrijen niet op zodanig korte afstand van het buitengebied stonden dat op grond daarvan moet worden aangenomen dat de ontheffing de gebruiksfuncties in het buitengebied, waarvoor SLB opkomt, direct raakt. Dat roeken ook naar het buitengebied vliegen doet daaraan niet af, omdat dit zou betekenen dat SLB altijd belanghebbende zou zijn bij iedere ontwikkeling die tot aantasting van nesten kan leiden buiten haar werkgebied. Niet is aannemelijk geworden dat de gebruiksfuncties in het buitengebied, waarvoor SLB opkomt, direct geraakt worden door de kap van de populieren in het stedelijk gebied, nu de bomenkap immers geen effecten heeft voor die gebruiksfuncties dan wel voor de instandhouding van de natuur, het water, het landschap of het milieu in het buitengebied. Het voorgaande brengt mee dat SLB geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Niet valt in te zien dat dit uit de Awb voortvloeiende oordeel in strijd is met het Verdrag van Århus. In artikel 2, vijfde lid, van dat verdrag is bepaald dat onder "het betrokken publiek" wordt verstaan het publiek dat gevolgen ondervindt, of waarschijnlijk ondervindt van, of belanghebbende is bij, milieubesluitvorming en dat voor de toepassing van deze omschrijving niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor milieubescherming en voldoen aan de eisen van nationaal recht worden geacht belanghebbende te zijn. SLB voldoet niet aan de nationaal rechtelijke eisen van belanghebbendheid, nu zij door het besluit van 26 oktober 2017 niet in haar statutaire doelstelling wordt geraakt, zoals hiervoor overwogen. Nu SLB geen belanghebbende is, heeft het college het bezwaar van SLB terecht niet-ontvankelijk verklaard en heeft de rechtbank het beroep terecht ongegrond verklaard.    Het betoog faalt.3.    SLB betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat zij ten onrechte niet in bezwaar is gehoord en dat haar ten onrechte geen proceskosten in bezwaar en beroep zijn vergoed.3.1.    Ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb kan het horen van een belanghebbende worden afgezien indien het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar van SLB, gelet op hetgeen hiervoor onder 2.1 is overwogen, vast stond ongeacht wat er op de hoorzitting naar voren zou kunnen worden gebracht. Er was dus redelijkerwijs geen twijfel mogelijk over de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar en daarom heeft het college mogen afzien van een hoorzitting, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld. Voor het toekennen van een proceskosten vergoeding was daarom geen aanleiding.    Het betoog faalt.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:bevestigt de aangevallen uitspraak.Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Niane-van de Put, griffier.w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Niane-van de Putlid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 15 mei 2019805.