Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:1542

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 15-05-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 15-05-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:1542, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201806753/1/A2


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:1542:DOC

201806753/1/A2.Datum uitspraak: 15 mei 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellant], wonend te [woonplaats],tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 juli 2018 in zaak nr. 17/7854 in het geding tussen:[appellant]ende Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (hierna: de CSG).ProcesverloopBij besluit van 31 augustus 2017 heeft de CSG [appellant] bericht dat de hem toegekende uitkering uit het Schadefonds geweldsmisdrijven (hierna: het schadefonds) ten bedrage van € 5.000,00 zal worden verrekend met de schadevergoeding die door het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna: het CJIB) van de dader zal worden geïnd.Bij besluit van 8 november 2017 heeft de CSG het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 6 juli 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.De CSG heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 maart 2019, waar [appellant], bijgestaan door mr. O. Emre, advocaat te Rotterdam, en de CSG, vertegenwoordigd door mr. J.E. Wijnhorst-Bouterse, zijn verschenen.OverwegingenInleiding1.    De CSG kent uit het schadefonds uitkeringen toe aan een ieder die door een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft opgelopen.2.    [appellant] is eigenaar van een fietshandel. Hij heeft in zijn aanvraag om een uitkering uit het schadefonds van 17 februari 2017 vermeld dat hij op 30 november 2016 slachtoffer is geworden van een poging tot doodslag, waarbij hij steekwonden heeft opgelopen, onder meer aan zijn linkerarm, waardoor hij zijn beroep als fietsenmaker niet meer kan uitoefenen.3.    Op 22 maart 2017, gehandhaafd bij besluit van 30 april 2018, heeft de CSG [appellant] een uitkering uit het schadefonds toegekend van € 5.000,00 voor de schade die hij heeft geleden ten gevolge van het misdrijf. Deze besluiten liggen hier nu niet ter beoordeling voor.Verrekening4.    De dader is op 6 juni 2017 berecht voor dit misdrijf en is in het strafvonnis van de rechtbank veroordeeld tot betaling aan [appellant] van een schadevergoeding van € 8.153,58, vermeerderd met de wettelijke rente, waarvan € 653,58 voor de door [appellant] geleden materiële schade en € 7.500,00 voor immateriële schade. De schadevergoeding zal door het CJIB worden geïnd.5.    De CSG heeft [appellant] naar aanleiding van deze veroordeling bij het besluit van 31 augustus 2017 bericht dat de hem toegekende uitkering van € 5.000,00 op grond van artikel 6 van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (hierna: Wsg) zal worden verrekend met deze schadevergoeding. Volgens het besluit zal het CJIB de geïnde schadevergoeding tot het bedrag van € 5.000,00 aan de CSG overmaken. [appellant] zal het resterende bedrag van € 3.153,58 zelf ontvangen.6.    [appellant] heeft in bezwaar aangevoerd dat hij recht heeft op een hogere schadevergoeding, gelet op alle schade die hij lijdt ten gevolge van het geweldsmisdrijf. Dit kan hij bereiken als de CSG niet tot verrekening overgaat, aldus het bezwaarschrift.7.    Het bezwaar van [appellant] is kennelijk ongegrond verklaard bij het besluit van 8 november 2017. De rechtbank heeft het hiertegen gerichte beroep ongegrond verklaard.Hoger beroep8.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat verrekening in dit geval onredelijk is, gelet op de ernstige blijvende beperkingen in zijn beroepsmatig en sociaal functioneren en zijn blijvende afhankelijkheid. [appellant] heeft ten gevolge van de steekwonden een "dropping hand". Hij kan zijn linkerarm en -hand niet meer gebruiken, waardoor hij zijn beroep als fietsenmaker niet goed meer kan uitoefenen, omdat hij niet meer beschikt over de daarvoor benodigde fijne motoriek in beide handen. Naar verwachting zal hij niet volledig herstellen. Hij kampt daarnaast ook met psychisch letsel. Deze bijzondere omstandigheden rechtvaardigen volgens [appellant] een hogere vergoeding. Dit kan hij niet in de strafprocedure bereiken, omdat hij als benadeelde partij geen hoger beroep kan instellen. Het verkrijgen van een hogere vergoeding kan wel worden bereikt als het bedrag dat hij van de dader ontvangt, niet wordt verrekend met de uitkering die hij van de CSG heeft ontvangen, aldus [appellant]. 8.1.    Artikel 6 van de Wsg luidt:"1. Het fonds houdt bij het doen van een uitkering rekening met schadevergoeding die het slachtoffer langs burgerrechtelijke weg kan verhalen of heeft verhaald en met overige vergoedingen van schade die als gevolg van het misdrijf aan het slachtoffer zijn of kunnen worden vergoed.(…)3. Het fonds kan bij de toekenning de op grond van het eerste lid door het slachtoffer ontvangen vergoedingen in mindering brengen. Indien het fonds na de uitkering kennis krijgt van een aan het slachtoffer gedane vergoeding, bedoeld in het eerste lid, kan het dit bedrag alsnog in mindering op het bedrag van de uitkering brengen. Het fonds doet mededeling van deze verrekening aan de aanvrager."8.2.    Uit de geschiedenis van totstandkoming van de Wsg (Kamerstukken II 1972, 12 131, nr. 3, blz. 4 en 5, en Kamerstukken II 1989-1990, 21 345, nr. 3, blz. 21 en 22) volgt dat uit het schadefonds in bepaalde, schrijnende gevallen uitkeringen kunnen worden gedaan aan personen die letsel hebben geleden als gevolg van een geweldsmisdrijf waarin zij buiten hun schuld betrokken zijn geraakt. De uitkeringen hebben het karakter van een tegemoetkoming in schade die door het letsel of overlijden is veroorzaakt, voor zover geen verhaal op de dader mogelijk is en in de vergoeding van die schade ook niet op andere wijze kan worden voorzien, terwijl het onredelijk en onbillijk zou zijn haar ten laste van de benadeelde te laten. In de uitkering wordt alleen de schade betrokken die ten gevolge van het toegebrachte letsel is ontstaan.8.3.    Vast staat dat de dader een schadevergoeding van € 8.153,58,  vermeerderd met de wettelijke rente, aan [appellant] moet betalen. Gelet op het uitgangspunt dat de dader primair verantwoordelijk is voor vergoeding van de schade aan het slachtoffer en het schadefonds niet tot doel heeft een volledige schadevergoeding maar een tegemoetkoming aan het slachtoffer te geven, is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat de CSG in redelijkheid tot verrekening heeft kunnen overgaan.8.4.    De door [appellant] gestelde omstandigheden geven geen aanleiding tot een ander oordeel. De CSG heeft in het besluit van 8 november 2017 gesteld dat met de ernst van het letsel en de gevolgen hiervan voor het beroepsmatig en sociaal functioneren van [appellant] reeds rekening is gehouden in het besluit van 22 maart 2017, gehandhaafd bij besluit van 30 april 2018, waarin een uitkering van € 5.000,00 is toegekend. [appellant] heeft op de zitting naar voren gebracht dat hij beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 30 april 2018, en inmiddels ook hoger beroep hiervoor heeft ingesteld. Dat [appellant] de uitkering van € 5.000,00 te laag vindt, kan in die procedure aan de orde komen. Daarnaast kan hij zich, zoals de CSG in de besluiten van 22 maart 2017 en 30 april 2018 naar voren heeft gebracht, opnieuw tot de CSG wenden als in de toekomst wordt vastgesteld dat hij een blijvende functiebeperking heeft opgelopen door het misdrijf. Ten tijde van laatstgenoemde besluiten kon nog niet worden gesproken van een eindtoestand van het letsel. Zoals in het strafvonnis en de aangevallen uitspraak is overwogen, kan [appellant] ook een vordering tot schadevergoeding indienen bij de burgerlijke rechter.9.    [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de CSG van het horen in bezwaar heeft mogen afzien.9.1.    Op grond van artikel 7.3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan van het horen van een belanghebbende worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is.    Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, mag van het horen  slechts met toepassing van die bepaling worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.    Gelet op de motivering van het besluit van 31 augustus 2017, hetgeen [appellant] daartegen in bezwaar heeft aangevoerd, en het karakter van het schadefonds, zoals onder 8.2 aangehaald, is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat aan deze maatstaf is voldaan en van het horen in bezwaar mocht worden afgezien.    Het betoog faalt.10.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:bevestigt de aangevallen uitspraak.Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. de Vlieger-Mandour, griffier.w.g. Van Altena    w.g. De Vlieger-Mandourlid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 15 mei 2019615.