Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:1538

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 15-05-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 15-05-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:1538, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201807723/1/A2


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:1538:DOC

201807723/1/A2.Datum uitspraak: 15 mei 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellante], wonend te [woonplaats],tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 6 augustus 2018 in zaak nr. 17/2107 in het geding tussen:[appellante]ende Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (hierna: de CSG).ProcesverloopBij besluit van 26 januari 2017 heeft de CSG een aanvraag van [appellante] om een uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven (hierna: het schadefonds) afgewezen.Bij besluit van 7 april 2017 heeft de CSG het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 6 augustus 2018 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.De CSG heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en een nader stuk ingediend.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 maart 2019, waar [appellante], bijgestaan door mr. N.A. de Kock, advocaat te Utrecht, en de CSG, vertegenwoordigd door mr. M. Zoethout, zijn verschenen.OverwegingenInleiding1.    De CSG kent uit het schadefonds uitkeringen toe aan een ieder die door een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft opgelopen.2.    Op 18 augustus 2016 heeft [appellante] een aanvraag om een uitkering uit het schadefonds bij de CSG ingediend. In de aanvraag is vermeld dat zij op 5 november 2011 is mishandeld door haar ex-partner, waardoor zij een gecompliceerde armbreuk en een posttraumatische stressstoornis heeft opgelopen en tot op heden beperkt is in haar dagelijkse leven.3.    Aan het besluit van 26 januari 2017, gehandhaafd in bezwaar, is ten grondslag gelegd dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij slachtoffer werd van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf, bedoeld in artikel 3 van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (de Wsg). Het ontbreekt aan voldoende objectieve informatie waaruit blijkt wat de precieze aanleiding, toedracht en omstandigheden waren van het voorval.Betoog in hoger beroep4.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte dit standpunt van de CSG heeft onderschreven. De overgelegde stukken bieden volgens haar voldoende duidelijkheid over de feitelijke geweldshandeling en de toedracht om een uitkering te rechtvaardigen. [appellante] stelt dat zij een melding huiselijk geweld heeft gedaan, de politie ter plekke is geweest en dat zij naar de spoedeisende hulp is gegaan. Volgens [appellante] bevatten de medische gegevens informatie uit objectieve bron en blijkt uit de aard van het letsel dat dit het gevolg is van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. [appellante] stelt dat het letsel past bij haar verklaring over de mishandeling. Ter zitting heeft [appellante] gesteld dat ook een buurman een melding bij de politie heeft gedaan en dat de Raad voor de Kinderbescherming een rapport heeft opgesteld. Hulpverleners hebben de kwestie besproken en de melding is gecheckt, waaruit blijkt dat haar ex-partner betrokken was bij het voorval. Van de melding van de buurman heeft de politie een mutatie opgemaakt, aldus [appellante]. Wettelijk kader en beleid4.1.    Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsg luidt: "Uit het fonds kunnen uitkeringen worden gedaan: a. aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen".4.2.    Bij de beoordeling van een aanvraag om een uitkering hanteert de CSG beleid dat is neergelegd in de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven (versie 1 juli 2016). Volgens paragraaf 1.1.4 van de Beleidsbundel hoeft een geweldsmisdrijf niet bewezen te worden, maar moet deze aannemelijk worden gemaakt.    Volgens paragraaf 1.1.4.6 van de Beleidsbundel kan, als geen aangifte is gedaan en er geen strafrechtelijk onderzoek plaatsvond, alleen in uitzonderlijke gevallen het geweldsmisdrijf op een andere manier worden onderbouwd. De enkele verklaring van het slachtoffer over wat er is gebeurd is niet voldoende. Objectieve aanwijzingen moeten de verklaring van het slachtoffer ondersteunen. Een objectieve aanwijzing is informatie afkomstig van een andere bron dan het slachtoffer. Het moet ook een objectieve bron zijn. In die gevallen bepaalt het Schadefonds op basis van deze aanvullende informatie of het geweldsmisdrijf aannemelijk is.    Volgens paragraaf 1.1.4.7 van de Beleidsbundel kan medische informatie helpen om te bepalen of letsel is toegebracht door geweld. Het feit dat iemand bepaald fysiek of psychisch letsel heeft kan echter geen uitsluitsel geven over wat er is gebeurd. Medische informatie kan dus in beginsel niet worden gebruikt om de toedracht van het geweldsmisdrijf, de aanleiding ervan en de omstandigheden waaronder het plaatsvond aannemelijk te maken. Medische informatie kan een verklaring van het slachtoffer over de aannemelijkheid doorgaans slechts in (zeer) beperkte mate ondersteunen.Oordeel in hoger beroep4.3.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1446), is het aan de aanvrager van een uitkering uit het schadefonds om met voldoende objectieve aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij slachtoffer is van een tegen hem opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. [appellante] is hier niet in geslaagd. Zij heeft geen aangifte bij de politie gedaan en er heeft geen strafrechtelijk onderzoek plaatsgevonden. Zij heeft ook geen verifieerbare informatie overgelegd over de gestelde meldingen bij de politie van haarzelf en van haar buurman. [appellante] heeft wel informatie van de chirurg van 5 november 2011 overgelegd waarin is geconcludeerd dat de linkerarm van [appellante] gebroken is. Bij de anamnese heeft de chirurg vermeld "Ruzie gehad met vriend. Denkt dat haar linkerarm kapot is getrokken. Haar linkerbovenarm doet ondraaglijk pijn". Deze vermelding biedt te weinig inzicht in de toedracht van het voorval, de aanleiding ervan en de omstandigheden waaronder het plaatsvond. Naar de Afdeling uit de toelichting van [appellante] ter zitting heeft begrepen, biedt de mutatie van de melding van de buurman, die de gemachtigde van [appellante] bij de politie heeft ingezien, ook onvoldoende inzicht hierin. Dit laatste geldt ook voor de door [appellante] overgelegde stukken over huishoudelijke hulp, bijzondere bijstand voor fysiotherapie en het verzoek om onderzoek van Bureau Jeugdzorg Utrecht. Concluderend is de Afdeling van oordeel dat [appellante] niet met voldoende objectieve aanwijzingen aannemelijk heeft gemaakt dat het in de aanvraag vermelde letsel het gevolg is van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf, bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsg. De rechtbank heeft het beroep van [appellante] tegen het besluit van 7 april 2017 terecht ongegrond verklaard.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:bevestigt de aangevallen uitspraak.Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. de Vlieger-Mandour, griffier.w.g. Van Altena    w.g. De Vliegerlid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 15 mei 2019615. Bijlage Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven van 1 juli 2016Paragraaf 1.1.4 Aannemelijkheid van het geweldsmisdrijfParagraaf 1.1.4.1 AlgemeenEen geweldsmisdrijf hoeft niet bewezen te worden (zoals bij de strafrechter), maar moet aannemelijk worden gemaakt. Deze beoordeling bestaat uit de volgende elementen. In de eerste plaats is de feitelijke geweldshandeling van belang. Dit is de handeling waardoor het slachtoffer letsel opliep: bijvoorbeeld het uitdelen van een klap, het schieten met een vuurwapen of het steken met een mes. Daarnaast moet voor de aannemelijkheid ook de toedracht van het geweldsmisdrijf, de aanleiding ervan en de omstandigheden waaronder het heeft plaatsgevonden voldoende duidelijk zijn.Paragraaf 1.1.4.2 Achterliggende gedachteHet Schadefonds voert deze beoordeling uit, omdat de wetgever aan het Schadefonds Geweldsmisdrijven de taak heeft gegeven om vorm te geven aan de bijzondere verantwoordelijkheid van de maatschappij voor slachtoffers van geweld. De tegemoetkoming uit het Schadefonds is een uiting van solidariteit van de samenleving met het slachtoffer en een erkenning van zijn slachtofferschap. Dit is belangrijk, al is het maar omdat de dader niet zelden onbekend blijft. Door middel van deze erkenning wordt gehoopt dat een bijdrage wordt geleverd aan het herstel van vertrouwen van het slachtoffer. Juist vanwege deze maatschappelijke solidariteit moet voldoende duidelijk zijn wat de toedracht van het geweldsmisdrijf is, wat de aanleiding ervoor was en onder welke omstandigheden het heeft plaatsgevonden. Een uitkering is alleen op zijn plaats als maatschappelijke solidariteit passend is.Paragraaf 1.1.4.3 Het slachtoffer deed aangifteEen eigen verklaring van een slachtoffer is - als dat het enige is - onvoldoende om de aannemelijkheid vast te stellen. Het doen van aangifte bij de politie is geen vereiste voor het in behandeling nemen van de aanvraag door het Schadefonds. In de praktijk is een aangifte en het strafrechtelijk onderzoek dat erop volgt wel belangrijk voor de onderbouwing van een aanvraag. Ook om die reden is het belangrijk dat een slachtoffer zo spoedig mogelijk na het geweldsmisdrijf aangifte doet. Als er geen sprake is van een aangifte, dan moet de aannemelijkheid op basis van zogenaamde objectieve andere verklaringen vastgesteld kunnen worden. Met objectief wordt gedoeld op informatie uit betrouwbare en onpartijdige bronnen.(…)Paragraaf 1.1.4.6 Het slachtoffer deed geen aangifteAls geen aangifte is gedaan, en er dus ook geen strafrechtelijk onderzoek plaatsvond, dan kan alleen in uitzonderlijke gevallen het geweldsmisdrijf op een andere manier worden onderbouwd. De enkele verklaring van het slachtoffer over wat er is gebeurd is niet voldoende. Objectieve aanwijzingen moeten de verklaring van het slachtoffer ondersteunen. Een objectieve aanwijzing is informatie afkomstig van een andere bron dan het slachtoffer. Het moet ook een objectieve bron zijn. In die gevallen bepaalt het Schadefonds op basis van deze aanvullende informatie of het geweldsmisdrijf aannemelijk is.Paragraaf 1.1.4.7 Medische informatieMedische informatie kan helpen om te bepalen of letsel is toegebracht door geweld. Het feit dat iemand bepaald fysiek of psychisch letsel heeft kan echter geen uitsluitsel geven over wat er is gebeurd. Medische informatie kan dus in beginsel niet worden gebruikt om de toedracht van het geweldsmisdrijf, de aanleiding ervan en de omstandigheden waaronder het plaatsvond aannemelijk te maken. Medische informatie kan een verklaring van het slachtoffer over de aannemelijkheid doorgaans slechts in (zeer) beperkte mate ondersteunen. Daarom is het Schadefonds bij de beoordeling van de aannemelijkheid van het geweldsmisdrijf terughoudend in het gebruik van medische informatie. Zo nodig wordt in het individuele geval wel bekeken of de medische informatie zich leent ter onderbouwing van de aannemelijkheid van wat er is gebeurd. Medische informatie is uiteraard ook nodig om de ernst van het letsel vast te stellen.