Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:1527

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-05-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 13-05-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:1527, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201807609/1/V1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:1527:DOC

201807609/1/V1.Datum uitspraak: 13 mei 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,appellant,tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 20 augustus 2018 in zaak nr. 18/4242 in het geding tussen:[de vreemdeling]ende staatssecretaris.ProcesverloopBij besluit van 11 april 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen afgewezen.Bij besluit van 11 mei 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.Bij mondelinge uitspraak van 20 augustus 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.C.M.E. Schijvenaars, advocaat te Vlissingen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.Vervolgens is het onderzoek gesloten.Overwegingen1.    De in de enige grief opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling bij uitspraak van 15 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1171, beantwoord. Uit de overwegingen van die uitspraak volgt dat de grief slaagt.2.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling ziet in dit geval aanleiding de zaak naar de rechtbank terug te wijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van wat in de hiervoor genoemde uitspraak is overwogen, omdat zij niet is toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van andere beroepsgronden van de vreemdeling dan de beroepsgrond die verband houdt met de grief. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:I.    verklaart het hoger beroep gegrond;II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 20 augustus 2018 in zaak nr. 18/4242;III.    wijst de zaak naar de rechtbank terug.Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.w.g. Drop    w.g. Schuurmanlid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 13 mei 2019282-862.