Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:1526

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-05-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 13-05-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:1526, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201808560/1/V3


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:1526:DOC

201808560/1/V3.Datum uitspraak: 13 mei 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,appellant,tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 18 oktober 2018 in zaak nr. NL18.17748 in het geding tussen:[de vreemdeling]ende staatssecretaris.ProcesverloopBij besluit van 27 september 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.Bij uitspraak van 18 oktober 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R.M. Seth Paul, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.De vreemdeling heeft nadere stukken ingediend.Vervolgens is het onderzoek gesloten.Overwegingen1.    De in de grieven opgeworpen rechtsvraag of onder meer het wetsdecreet van de Italiaanse autoriteiten van 24 september 2018 ertoe leidt dat de staatssecretaris ten aanzien van Italië ten onrechte van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaat, heeft de Afdeling in de uitspraken van 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4131, en 8 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1085, beantwoord. De door de vreemdeling in haar schriftelijke uiteenzetting en nadere stukken overgelegde informatie, die opgenomen is in de bijlage bij deze uitspraak, geeft een vergelijkbaar beeld van de situatie in Italië, als beoordeeld door de Afdeling in die uitspraken. Uit de overwegingen van die uitspraken, waarbij de Afdeling blijft, volgt dus dat de grieven slagen.2.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 27 september 2018 toetsen in het licht van de daartegen bij de rechtbank aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na wat hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.3.    In beroep heeft de vreemdeling betoogd dat niet gegarandeerd is dat Italië haar asielaanvraag in behandeling zal nemen. Zij wijst erop dat sprake is van een fictief claimakkoord.3.1.    De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 27 september 2018 en het daarin ingelaste voornemen terecht op het standpunt gesteld dat uit artikel 22, zevende lid, van de Dublinverordening (Pb 2013, L 180), volgt dat de Italiaanse autoriteiten, door het laten verstrijken van de in het eerste lid genoemde termijn van twee maanden, verantwoordelijk zijn voor de behandeling van de asielaanvraag van de vreemdeling. Daarbij heeft de staatssecretaris terecht betrokken dat de Italiaanse autoriteiten geen reden hebben gezien om het claimverzoek af te wijzen. Hieruit volgt dat Italië met het fictieve claimakkoord heeft gegarandeerd de asielaanvraag van de vreemdeling in behandeling te zullen nemen.    De beroepsgrond faalt.4.    De vreemdeling heeft in beroep verder betoogd dat de staatssecretaris haar asielverzoek aan zich had moeten trekken, omdat haar overdracht aan Italië van een onevenredige hardheid getuigt. In dat verband voert zij aan dat zij kwetsbaar is en dat de medische voorzieningen in Italië niet vergelijkbaar zijn met die in Nederland. Verder voert zij aan dat zij heeft verklaard dat zij eerder in Italië heeft ervaren dat daar een gebrek was aan begeleiding, informatie, tolken en juridische bijstand en dat zij daarover heeft geklaagd bij de Italiaanse autoriteiten, maar dat dit op niets is uitgelopen. Tot slot wijst zij erop dat haar zus in Nederland woont, dat zij veel steun aan elkaar hebben en dat zij beide psychische problemen hebben.4.1.    De staatssecretaris heeft zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat voormelde omstandigheden geen bijzondere individuele omstandigheden zijn die maken dat overdracht van de vreemdeling aan Italië van onevenredige hardheid getuigt, zodat hij daarin in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien om krachtens artikel 17 van de Dublinverordening het asielverzoek aan zich te trekken. Daarbij heeft de staatssecretaris terecht betrokken dat in beginsel mag worden verondersteld dat sprake is van vergelijkbare medische voorzieningen in de lidstaten en dat er geen aanwijzingen zijn dat Nederland de meest aangewezen lidstaat is om de vreemdeling te behandelen. De staatssecretaris heeft er voorts terecht op gewezen dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt met medische stukken of met haar verklaring over haar eerdere ervaringen in Italië dat zonder aanvullende individuele garanties onvoldoende gewaarborgd is dat zij na haar overdracht aan Italië adequate zorg- en opvangvoorzieningen zal kunnen krijgen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 11 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1258). Voorts is van belang dat de staatssecretaris de Italiaanse autoriteiten conform artikel 32 van de Dublinverordening zal informeren over de medische omstandigheden van de vreemdeling, zodat ervan wordt uitgegaan dat in haar behoefte aan medische zorg wordt voorzien. Tot slot heeft de staatssecretaris terecht bij zijn standpunt betrokken dat de vreemdeling de gestelde afhankelijkheid tussen haar en haar zus niet met (medische) documenten heeft gestaafd, dat haar zus al langere tijd in Nederland verblijft en dat op geen enkele wijze is gebleken dat de vreemdeling dan wel haar zus zorg nodig heeft of dat zij afhankelijk zijn van elkaar.    De beroepsgrond faalt.5.    Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:I.    verklaart het hoger beroep gegrond;II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 18 oktober 2018 in zaak nr. NL18.17748;III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.w.g. Troostwijk    w.g. Vosvoorzitter    griffierUitgesproken in het openbaar op 13 mei 2019644. BIJLAGE 1.    rapport "Country Report: Italy (2017 update)" van AIDA van 21 maart 2018;2.    rapport "Out of Sight - second edition" van Médecins Sans Frontieres van 8 februari 2018;3.    berichten van Al Jazeera van 24 september 2018, RTE van 14 november 2018, ANSA van 15 november 2018, The Local van 13 en 22 november 2018, de Italian Refugee Council van 28 november 2018, The Times van 3 december 2018, The Independent van 5 december 2018, de Qatar Tribune van 5 december 2018, The Guardian van 7 december 2018 en IRIN van 7 december 2018.