Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:1252

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 17-04-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 17-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:1252, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201805279/1/A1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:1252:DOC

201805279/1/A1.Datum uitspraak: 17 april 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:de Vereniging Inretail, gevestigd te Zeist, 17 bij de Vereniging Inretail aangesloten leden, de Vereniging Fietsersbond, gevestigd te Utrecht, de Vereniging Milieudefensie, gevestigd te Amsterdam en de Stichting Milieu- en Natuurbescherming Kennemerland gevestigd te Haarlem,appellanten,tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 15 mei 2018 in zaak nr. 16/364 in het geding tussen:Inretail, 23 bij Inretail aangesloten leden, de Fietsersbond, Milieudefensie en de Stichtingenhet college van burgemeester en wethouders van Haarlemmerliede en Spaarnwoude.ProcesverloopOp 13 mei 2015 heeft het college aan Nemab Sugar City B.V. medegedeeld dat op 20 januari 2015 een omgevingsvergunning van rechtswege is gegeven voor, voor zover van belang, het bouwen van een outletcentrum, het kappen van bomen en het maken van een nieuwe uitweg op het terrein van SugarCity tussen de Haarlemmerweg en de Ringvaart te Halfweg.Bij besluit van 15 december 2015 heeft het college beslist op de tegen het besluit van 20 januari 2015 gemaakte bezwaren.Het heeft het bezwaar van Inretail en 22 bij haar aangesloten leden, de Fietsersbond, Milieudefensie en de Stichting tegen de van rechtswege gegeven omgevingsvergunning voor zover die vergunning betrekking heeft op het bouwen van een bouwwerk, het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan en het vellen van een houtopstand niet-ontvankelijk verklaard. Het college heeft alsnog op de aanvraag om omgevingsvergunning voor deze activiteiten beslist en daarvoor een omgevingsvergunning verleend.Het college heeft voorts het bezwaar van Inretail en 22 bij haar aangesloten leden tegen de van rechtswege gegeven toestemming voor het maken van een uitweg niet-ontvankelijk verklaard, het daartegen door de Fietsersbond gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de toestemming voor het maken van de uitweg gewijzigd, door aan de toestemming een voorschrift te verbinden.Bij besluit van 24 mei 2016 heeft het college het besluit van 15 december 2015 gewijzigd, voor zover bij dat besluit, voor zover thans van belang, omgevingsvergunning is verleend voor het bouwen van een bouwwerk, het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan en het vellen van een houtopstand. Volgens het college is voor die activiteiten een omgevingsvergunning van rechtswege gegeven.Het college heeft bij dat besluit het bezwaar van Inretail tegen de van rechtswege gegeven omgevingsvergunning voor de activiteiten het bouwen van een bouwwerk en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan ongegrond verklaard en haar bezwaar tegen de van rechtswege gegeven omgevingsvergunning voor de activiteit het vellen van een houtopstand niet-ontvankelijk verklaard.Het college heeft het bezwaar van 22 bij Inretail aangesloten leden niet-ontvankelijk verklaard.Het college heeft bij dat besluit het bezwaar van de Fietsersbond tegen de van rechtswege gegeven omgevingsvergunning voor de activiteiten het bouwen van een bouwwerk en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan ongegrond verklaard en haar bezwaar tegen de van rechtswege gegeven omgevingsvergunning voor de activiteit het vellen van een houtopstand niet-ontvankelijk verklaard.Het college heeft het bezwaar van Milieudefensie en de Stichting tegen de van rechtswege gegeven omgevingsvergunning ongegrond verklaard.Bij tussenuitspraak van 19 december 2017 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak de geconstateerde gebreken in de besluiten op bezwaar van 15 december 2015 en 24 mei 2016 te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak.Bij besluit van 6 februari 2018 heeft het college het besluit van 15 december 2015 ingetrokken voor zover daarin aan de toestemming voor het maken van een uitweg een voorschrift is verbonden. Bij dat besluit heeft het college het besluit van 24 mei 2016 ingetrokken, voor zover daarin een voorschrift over een verlichtingsplan en over de herplantplicht is opgenomen, en gewijzigde voorschriften vastgesteld.Bij uitspraak van 15 mei 2018 heeft de rechtbank op de beroepen tegen de besluiten beslist.Zij heeft het beroep van [bedrijf A] Retail B.V., één van de bij Inretail aangesloten leden die zelfstandig beroep hebben ingesteld, niet-ontvankelijk verklaard.Zij heeft verder het beroep van 20 andere bij Inretail aangesloten leden tegen het besluit van 24 mei 2016 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, voor zover het college hun bezwaar, voor wat betreft de omgevingsvergunning voor het bouwen en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank heeft hun bezwaar tegen de brief van 13 mei 2015, inhoudende de mededeling dat op 20 januari 2015 een omgevingsvergunning van rechtswege is gegeven ongegrond verklaard. Zij heeft bepaald dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 24 mei 2016, zoals gewijzigd bij het besluit van 6 februari 2018. De rechtbank heeft hun beroep tegen de besluiten van 15 december 2015 en 6 februari 2018 ongegrond verklaard.De rechtbank heeft het beroep van de Fietsersbond tegen het besluit van 24 mei 2016 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, voor zover het college haar bezwaar, voor wat betreft de omgevingsvergunning voor het bouwen en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, ontvankelijk heeft verklaard. Zij heeft het bezwaar van de Fietsersbond tegen de brief van 13 mei 2015, inhoudende de mededeling dat op 20 januari 2015 een omgevingsvergunning van rechtswege is gegeven in zoverre niet-ontvankelijk verklaard. Zij heeft bepaald dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 24 mei 2016, zoals gewijzigd bij het besluit van 6 februari 2018. De rechtbank heeft haar beroep tegen de besluiten van 15 december 2015 en 6 februari 2018 ongegrond verklaard.De rechtbank heeft tot slot het beroep van Inretail en de twee overige bij Inretail aangesloten leden, Milieudefensie en de Stichting tegen de besluiten van 15 december 2015, 24 mei 2016 en 6 februari 2018 ongegrond verklaard.Tegen deze uitspraak hebben Inretail, 17 bij Inretail aangesloten leden, de Fietsersbond, Milieudefensie en de Stichting hoger beroep ingesteld.Het college en Nemab Sugar City hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 maart 2019, waar Inretail, vertegenwoordigd door [gemachtigde], de Fietsersbond, vertegenwoordigd door [geamchtigde], de 17 bij Inretail aangesloten leden die zelfstandig hoger beroep hebben ingesteld, Milieudefensie en de Stichting, bijgestaan onderscheidenlijk vertegenwoordigd door mr. E. Dans, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.H.J. van Aardenne, advocaat te Den Haag, zijn verschenen. Ter zitting is tevens Nemab Sugar City, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. J.C. van Oosten en A. Spaan, beiden advocaat te Amsterdam, gehoord.Aan de zijde van Inretail, 17 bij Inretail aangesloten leden die zelfstandig hoger beroep hebben ingesteld, de Fietsersbond, Milieudefensie en de Stichting zijn tevens verschenen [gemachtigden]. Aan de zijde van het college zijn tevens verschenen F. Aalbers, R. Tijink en M. van Slooten.OverwegingenInleiding1.    Op 13 november 2014 heeft Nemab Sugar City een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor het realiseren van een outletcenter op het terrein van Sugar City. De aanvraag betreft, voor zover in hoger beroep van belang, het bouwen van het outletcenter, het gebruik van gronden en bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, het vellen van een houtopstand en het maken van een uitweg.Het gebouw zal bestaan uit drie bouwlagen, waarvan twee ondergronds. In de ondergrondse bouwlagen wordt de parkeergarage gerealiseerd met 1.464 parkeerplaatsen. De parkeergarage krijgt een toegang aan de oost- en westzijde van het outletcentrum. De in deze procedure aan de orde zijnde uitweg betreft die aan de westzijde van het outletcentrum.2.    Ingevolge het bestemmingsplan "Halfweg 2008" rust op de gronden de bestemming "Gemengde doeleinden I". Volgens het college is het gebruik van de gronden voor een outletcentrum niet in strijd met de op het perceel rustende bestemming "Gemengde doeleinden I". Het gebouw is echter aan de zuid- en oostzijde hoger dan de in het bestemmingsplan opgenomen maximale hoogte en het bouwplan is ook in strijd met de op een deel van de gronden gelegen (dubbel)bestemming "Waterstaatsdoeleinden".3.    Het college is er aanvankelijk van uitgegaan dat een omgevingsvergunning van rechtswege was gegeven voor het bouwen van een bouwwerk, het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, het maken van een uitweg en het vellen van een houtopstand.In het besluit op bezwaar van 15 december 2015 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat geen omgevingsvergunning van rechtswege was gegeven voor het bouwen van een bouwwerk, het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan en het vellen van een houtopstand. Het heeft voor die activiteiten alsnog een omgevingsvergunning verleend. Aan de volgens het college van rechtswege gegeven omgevingsvergunning voor het maken van een uitweg heeft het college een voorschrift verbonden.In het besluit op bezwaar van 24 mei 2016 heeft het college het besluit van 15 december 2015 gewijzigd, voor zover dat besluit betrekking had op het bouwen van een bouwwerk, het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan en het vellen van een houtopstand. Het college heeft zich in dat besluit op het standpunt gesteld dat voor die activiteiten wel een omgevingsvergunning van rechtswege is gegeven.4.    De rechtbank heeft overwogen dat één van de bij Inretail aangesloten leden, [bedrijf A], geen bezwaar heeft gemaakt tegen de van rechtswege ontstane omgevingsvergunning, zodat zij, gelet op artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) niet in haar beroep kan worden ontvangen. De rechtbank heeft het beroep van [bedrijf A] daarom niet-ontvankelijk verklaard.De rechtbank heeft verder overwogen dat 20 bij de Inretail aangesloten leden die zelfstandig beroep hebben ingesteld, werkzaam zijn in hetzelfde verzorgingsgebied en marktsegment als het outletcenter en daarom belanghebbende zijn bij de activiteiten bouwen en gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Twee andere leden zijn niet werkzaam in hetzelfde marktsegment dan wel verzorgingsgebied. De rechtbank heeft deze twee leden, Sitland Euroleder en Airport Trade & Marketing B.V., niet als belanghebbende bij die activiteiten aangemerkt. Volgens de rechtbank is Inretail zelf bij voormelde activiteiten wel belanghebbende. Volgens de rechtbank zijn zij geen belanghebbende bij het maken van een uitweg en het vellen van een houtopstand.De rechtbank heeft verder overwogen dat de Fietsersbond alleen belanghebbende is bij het maken van een uitweg.De rechtbank heeft tot slot overwogen dat Milieudefensie en de Stichting belanghebbende zijn bij de activiteiten bouwen, gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan en het vellen van een houtopstand.5.    Het hoger beroep is mede ingesteld door [bedrijf A], Sitland Euroleder en Airport Trade & Marketing. Zij hebben geen gronden ingediend tegen het oordeel van de rechtbank over hun beroep, maar tegen het inhoudelijke oordeel van de rechtbank over de overige beroepen. Zij zijn evenwel geen belanghebbenden als bedoeld in artikel 8:104, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb bij die beslissing. Het hoger beroep, voor zover ingesteld door [bedrijf A], Sitland Euroleder en Airport Trade & Marketing, moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.6.    De onder 4 weergegeven oordelen van de rechtbank, behoudens het oordeel dat Inretail geen belanghebbende is bij het maken van een uitweg, zijn in hoger beroep niet bestreden. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte tot dit oordeel is gekomen. Gelet hierop en op overweging 5 gaat de Afdeling uit van het volgende.Tegen het oordeel van de rechtbank over de activiteit bouwen komen Inretail en 14 van de bij haar aangesloten leden die zelfstandig beroep hebben ingesteld, Milieudefensie en de Stichting op.Tegen het oordeel van de rechtbank over de activiteit het maken van een uitweg komen Inretail en de Fietsersbond op.Tegen het oordeel van de rechtbank over het vellen van een houtopstand komen Milieudefensie en de Stichting op.Bouwen7.    Inretail en 14 van de bij haar aangesloten leden, Milieudefensie en de Stichting betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zowel op een gemiddelde zondag als op piekdagen het bouwplan niet voorziet in voldoende parkeerplaatsen.Zij voeren daartoe aan dat het rapport van Goudappel Coffeng wat betreft de berekening van de parkeerbehoefte op een gemiddelde zondag niet aan het besluit ten grondslag kon worden gelegd, omdat het uitgaat van onjuiste uitgangspunten. Zij voeren verder aan dat voor de bepaling van de parkeerbehoefte van een outletcentrum op een gemiddelde zondag geen gebruik kan worden gemaakt van de parkeerkencijfers van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (hierna: het CROW). Zij stellen dat de kengetallen van het CROW een te smalle basis hebben, omdat er slechts drie outletcentra in Nederland zijn gevestigd. Het college had de parkeerbehoefte zelf moeten berekenen.Zij voeren verder aan dat op piekdagen het tekort aan parkeerplaatsen nog groter zal zijn dan op een gemiddelde zondag.Zij voeren verder aan dat het college er ten onrechte van uitgaat dat er 1.945 parkeerplaatsen beschikbaar zijn. Volgens hen is het niet aannemelijk is dat aan het aan de vergunning verbonden voorschrift kan worden voldaan. Zij wijzen er ten eerste op dat er in de parkeergarage geen 1.464 parkeerplaatsen, maar, gelet op het niet optimale ontwerp van de garage, slechts 1.420 parkeerplaatsen feitelijk beschikbaar zijn. Zij wijzen er verder op dat er geen 400, maar slechts 310 parkeerplaatsen in de parkeergarage van de supermarkt voor de bezoekers van het outletcentrum beschikbaar zijn.7.1.    Het college heeft in zijn schriftelijke uiteenzetting aangevoerd dat het relativiteitsvereiste, neergelegd in artikel 8:69a van de Awb aan vernietiging van het besluit van 24 mei 2016 wegens strijd met artikel 2.5.30 van de Bouwverordening in de weg staat.7.2.    Artikel 8:69a van de Awb luidt:"De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."Artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening luidt:"Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer."7.3.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 20 januari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:106) strekt artikel 2.5.30 van de Bouwverordening ertoe te waarborgen dat voor een bouwplan voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn om zo parkeeroverlast in de directe omgeving van het perceel waarop het bouwplan is voorzien te voorkomen.Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.7.4.    De leden van Inretail die zelfstandig zijn opgekomen tegen het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen van het outletcentrum zijn, behoudens [bedrijf A], wiens hoger beroep evenwel, zoals hiervoor is overwogen, niet-ontvankelijk moet worden verklaard, gevestigd in Haarlem, Heemstede, Amstelveen, Haarlemmermeer dan wel Hoofddorp. De Afdeling is, gelet op de grote afstand tot het perceel, van oordeel dat artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening in dit geval kennelijk niet strekt tot bescherming van hun belang, omdat kan worden uitgesloten dat een eventueel parkeertekort bij het outletcentrum zal leiden tot parkeeroverlast bij hun percelen.7.5.    De Afdeling is verder van oordeel dat artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening in dit geval kennelijk ook niet strekt tot bescherming van het belang van Inretail die opkomt namens onder meer vier leden die in de omgeving van het outletcentrum zijn gevestigd.De Afdeling overweegt in dit verband dat YaYa B.V. is gevestigd op een afstand van ongeveer 1,2 km van het outletcentrum en beschikt over een eigen, niet openbaar toegankelijk parkeerterrein. Euro Shoe Nederland B.V. is weliswaar dichterbij het outletcentrum gevestigd, maar ook dit bedrijf beschikt over een eigen, niet voor publiek toegankelijk parkeerterrein. Gelet hierop kan worden uitgesloten dat hun belangen zullen worden geschaad doordat ter plaatse van hun percelen parkeeroverlast zal ontstaan door een eventueel parkeertekort bij het outletcentrum.De twee andere leden, Ilsa Lingerie en [bedrijf A], zijn gevestigd in het centrum van Zwanenburg. Zij zijn gelegen op een rijafstand van ruim 2 km van het outletcentrum. De loopafstand van hun percelen tot het outletcentrum bedraagt, indien gebruik wordt gemaakt van een loopbrug op het bedrijventerrein waarop het outletcentrum zal worden gebouwd, naar Zwanenburg, minimaal 1 km. Gelet op deze afstand en de omstandigheid dat in Zwanenburg, direct over de loopbrug, en dus dichterbij dan de percelen van Ilsa Lingerie en [bedrijf A], ook parkeerplaatsen beschikbaar zijn, acht de Afdeling het uitgesloten dat ter plaatse van de percelen van die twee leden parkeeroverlast zal ontstaan door een eventueel parkeertekort bij het outletcentrum.7.6.    De Afdeling is tot slot van oordeel dat artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening in dit geval kennelijk evenmin strekt tot bescherming van het belang van Milieudefensie en de Stichting. Gesteld noch gebleken is dat zij het belang behartigen dat dit artikel beoogt te beschermen.7.7.    Het voorgaande betekent dat artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan een inhoudelijke beoordeling van de hogerberoepsgrond over de gestelde strijd met artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening.Maken van een uitweg8.    Het betoog van Inretail dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij geen belanghebbende is bij het maken van een uitweg faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat, gelet op de afstand van de percelen van de vier leden tot de uitweg, aan de statuten van Inretail geen collectieve belangen kunnen worden ontleend die door het maken van een uitweg rechtstreeks worden geraakt.9.    De Fietsersbond betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college met het rapport van Goudappel Coffeng van 14 maart 2017 alsnog heeft gemotiveerd dat het maken van de uitweg niet leidt tot een verkeersonveilige situatie. Zij voert daartoe aan dat in het rapport van 14 maart 2017 geen beoordeling van de verkeersveiligheid is gemaakt en dat ten tijde van het uitbrengen van het rapport het ontwerp van de uitweg nog niet volledig was uitgewerkt. Zij voert verder aan dat in het rapport het aantal verkeersbewegingen wordt onderschat. Zij voert tot slot aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college geen rekening hoefde te houden met de snelfietsroute. Volgens de Fietsersbond is de toekomstige verkeerssituatie in strijd met de richtlijnen van de Ontwerpwijzer Fietsverkeer 2016 van het CROW. In dat verband heeft zij erop gewezen dat het van belang is dat fietsers niet te lang hoeven stil te staan. Hoe langer ze moeten wachten, hoe groter de kans is dat ze het rode verkeerslicht zullen negeren. Volgens de Fietsersbond zijn in dit geval de gemiddelde wachttijden matig tot slecht en de maximale wachttijden te lang. De uitweg leidt tot een verkeersonveilige situatie, aldus de Fietsersbond. Ter onderbouwing van haar betoog heeft de Fietsersbond verwezen naar een rapport van Stienstra van 14 september 2017 en naar een memo van Mobycon van 20 juli 2018.9.1.    Artikel 2.12 van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude (hierna: de APV) luidt:"1. Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg:a. indien degene die voornemens is een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg daarvan niet van tevoren melding heeft gedaan aan het college, onder indiening van een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie;b. indien het college het maken of veranderen van de uitweg heeft verboden.2. Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg:a. indien daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht;[…]."9.2.    Het college heeft in het besluit op bezwaar van 15 december 2015 aan de van rechtswege gegeven vergunning voor het maken van een uitweg het voorschrift verbonden dat de uitweg pas in gebruik mag worden genomen indien en voor zover een veilige verkeersafwikkeling op de omliggende wegen is gewaarborgd.9.3.    De rechtbank heeft in de tussenuitspraak overwogen dat het standpunt van het college dat het vanwege het ontstaan van een toestemming van rechtswege voor het maken van een uitweg niet meer kon toetsen aan de weigeringsgronden uit de APV en alleen nog een voorschrift aan de vergunning kon verbinden onjuist is. Volgens de rechtbank diende in bezwaar een volledige heroverweging plaats te vinden, zodat nog wel kon worden toegekomen aan een beoordeling van het in bezwaar aangevoerde betoog dat sprake is van strijd met artikel 2.12 van de APV. De rechtbank was daarom van oordeel dat het besluit in strijd is met artikel 7:12 van de Awb. De rechtbank heeft evenwel aanleiding gezien het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, omdat het college met het rapport van Goudappel Coffeng van 14 maart 2017 genoegzaam heeft onderbouwd dat het maken van de uitweg niet leidt tot een verkeersonveilige situatie en dat er dus geen sprake is van de weigeringsgrond neergelegd in artikel 2.12, tweede lid, onder a, van de APV. De rechtbank heeft daarbij nog overwogen dat het college geen rekening hoefde te houden met de aanleg van een snelfietsroute, omdat de realisatie daarvan niet vaststaat.9.4.    In het rapport van 14 maart 2017 wordt een verkeerskundige onderbouwing gegeven van de ontsluiting van het outletcentrum. Anders dan de Fietsersbond aanvoert, bestaat geen grond voor het oordeel dat dit rapport geen betrekking heeft op de verkeersveiligheid. De rechtbank heeft dit rapport daarom bij haar oordeel kunnen betrekken. Voor zover de Fietsersbond aanvoert dat ten tijde van het uitbrengen van het rapport het ontwerp van de uitweg nog niet volledig was uitgewerkt, overweegt de Afdeling dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat sprake was van een uitgewerkt ontwerp dat het college bij de beoordeling van de vraag of de weigeringsgrond van artikel 2.12, tweede lid, van de APV zich voordoet, als uitgangspunt heeft kunnen nemen.De Fietsersbond heeft evenwel terecht aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college geen rekening hoefde te houden met de snelfietsroute. Deze route loopt immers langs het perceel waarop het outletcentrum zal worden gebouwd en de uitweg. Maar dit kan niet leiden tot het ermee beoogde doel, aangezien met de aanwezigheid van het fietspad in de onderzoeken en de besluitvorming rekening is gehouden.9.5.    De westelijke uitweg van het outletcentrum komt uit op de Haarlemmerstraatweg. In het onderzoek van Goudappel Coffeng is niet alleen dat kruispunt, maar ook het direct daarnaast gelegen kruispunt ten zuiden van het Zwetviaduct betrokken. Het verkeer dat de N200 verlaat om naar het outletcentrum te rijden, zal dat kruispunt passeren. Het fietspad loopt over laatstgenoemd kruispunt.9.6.    Niet in geschil is dat de komst van het outletcentrum zal leiden tot een toename van het verkeer. Uit de stukken blijkt evenwel dat op voormelde kruispunten verkeerslichten zullen worden geplaatst. Dat fietsers op de drukste momenten mogelijk langer moeten wachten dan volgens de door de Fietsersbond vermelde richtlijnen gewenst is, is geen grond voor weigering van de vergunning. Ook in de kans dat als gevolg van de wachttijd fietsers het rode verkeerlicht zullen negeren, bestaat volgens de Afdeling onvoldoende grond voor het oordeel dat de uitweg zodanig in strijd is de verkeersveiligheid dat de omgevingsvergunning om die reden alsnog had moeten worden geweigerd. De Afdeling ziet daarom in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat het maken van de uitweg niet leidt tot een verkeersonveilige situatie als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, van de APV.Het betoog faalt.Het vellen van een houtopstand10.    Milieudefensie en de Stichting betogen dat de rechtbank in de einduitspraak heeft miskend dat het college niet heeft kunnen volstaan met het opleggen van een gedeeltelijke herplantplicht. Zij voeren daartoe aan dat het opleggen van een gedeeltelijke herplantplicht in strijd is met het verbod op reformatio in peius. Zij voeren verder aan dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet tot een volledige herplantplicht hoeft te worden overgegaan. Zij voeren tot slot aan dat de herplant van acht bomen langs de ringvaart onvoldoende is verzekerd.10.1.    Artikel 4.11 van de APV luidt:"1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde gezag de houtopstanden te vellen of te doen vellen die staan vermeld op de lijst vermeld op bijlage 1 (Bomenlijst).2. De vergunning kan worden geweigerd op grond van:a. de natuurwaarde van de houtopstand;b. de landschappelijke waarde van de houtopstand;c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.3. Het bevoegde gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften."10.2.    In verband met de bouw van het outletcentrum moeten op het terrein 220 bomen worden gekapt. Het college heeft in het besluit van 24 mei 2016 aan de omgevingsvergunning het voorschrift verbonden dat met de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude moet worden overlegd waar, op welke wijze en binnen welke termijn ten genoegen van burgemeester en wethouders de herplant binnen de gemeentegrenzen plaats moet vinden.10.3.    De rechtbank heeft in de tussenuitspraak overwogen dat dit voorschrift onvoldoende concreet is. Het omvat onder meer niet het aantal bomen en de soort bomen die dienen te worden herplant en evenmin is vermeld op welke locatie de herplant dient plaats te vinden. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid dit gebrek te herstellen.10.4.    Het college heeft in het besluit van 6 februari 2018 aangegeven dat in de nabijheid van het terrein te weinig geschikte locaties voorhanden zijn om herplanting van alle gekapte bomen ter plaatse volledig en binnen afzienbare tijd uit te doen voeren. Zodra het outletcentrum gereed is, is het mogelijk om op het eigen terrein ongeveer 60 bomen te planten en op gemeentegrond in de nabije omgeving ongeveer 70 bomen. Het college heeft het aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift gewijzigd. Het voorschrift luidt: "Een herplantplicht wordt opgelegd, die gelet op het bouwvolume niet volledig op eigen terrein kan plaatsvinden. Zodra de outlet gereed is, of in ieder geval voor het jaar 2021, dient herplant van 130 bomen plaats te vinden overeenkomstig de als bijlage 2 bij dit besluit behorende herplantingstekening van 30 januari 2018, deels op het Sugar City outletterrein en deels op gemeente grond."Ter zitting heeft het college aangegeven dat genoegen wordt genomen met de herplant van 130 bomen ter compensatie van het vellen van 220 bomen.10.5.    Zoals de rechtbank in de einduitspraak heeft overwogen, volgt uit het oorspronkelijke voorschrift noch uit de eerdere besluitvorming dat het college een volledige herplant van alle gevelde bomen voor ogen had. Dat in het oorspronkelijke voorschrift niet was vermeld dat ook over de omvang van de herplant overleg moest worden gevoerd, is daarvoor onvoldoende. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat de omstandigheid dat het college in het gewijzigde voorschrift heeft bepaald dat 130 bomen moeten worden herplant, dan ook niet maakt dat Milieudefensie en de Stichting in beroep in een nadeliger positie zijn gekomen. Het betoog faalt in zoverre.10.6.    De beslissing om al dan niet een herplantplicht op te leggen, behoort tot de bevoegdheid van het college, waarbij het beleidsruimte heeft. De rechter toetst of het college in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.10.7.    De Afdeling stelt voorop dat de APV niet bepaalt dat het college bij het opleggen van de herplantplicht gehouden is om onderzoek te doen naar de mogelijkheden voor herplanten. Het college heeft ter zitting aangegeven dat het bij het opleggen van een herplantplicht altijd uitgaat van het compenseren van de natuurwaarden in de directe omgeving van de gronden waar bomen zullen worden gekapt. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat dit niet onredelijk is.10.8.    Het college heeft een herplantplicht opgelegd om 130 bomen te herplanten. De door Milieudefensie en de Stichting genoemde acht bomen moeten in beginsel ook worden herplant, hoewel daar van gelet op hetgeen is aangegeven op bijlage 2 bij het besluit kan worden afgezien indien blijkt dat de herplant technisch niet mogelijk is. Volgens het college is het niet gelukt om op in de omgeving, op grond van Nemab Sugar City of de gemeente, voldoende plek te vinden om alle bomen te herplanten. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid de herplantplicht heeft kunnen opleggen zoals het heeft gedaan.Het betoog faalt ook in zoverre.Conclusie11.    Het hoger beroep, voor zover ingesteld door [bedrijf A], Sitland Euroleder en Airport Trade & Marketing is niet-ontvankelijk. Het hoger beroep, voor zover ingesteld door de overige 14 leden van Inretail die zelfstandig hoger beroep hebben ingesteld, door Inretail, door de Fietsersbond, door Milieudefensie en de Stichting is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met, gelet op hetgeen is overwogen onder 7.7, verbetering van de gronden waarop deze rust.12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:I.    verklaart het hoger beroep van [bedrijf A], Sitland Euroleder en Airport Trade & Marketing B.V.niet-ontvankelijk;II.    bevestigt de aangevallen uitspraak.Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. R. Uylenburg en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.w.g. Troostwijk    w.g. Pietersvoorzitter    griffierUitgesproken in het openbaar op 17 april 2019473.