Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:1251

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 17-04-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 17-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:1251, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201802421/1/A1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:1251:DOC

201802421/1/A1.Datum uitspraak: 17 april 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellant], wonend te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg,appellant,tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 februari 2018 in zaak nr. 17/3804 in het geding tussen:[appellant]enhet college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg.ProcesverloopBij besluit van 24 oktober 2016 heeft het college [appellant] een omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van het pand op het perceel [locatie] te Leidschendam (hierna: het perceel) tot een belevingscentrum slimme technologie voor 40 plussers/ouderen en tot horecagelegenheid met terras, alsmede een dienstwoning (hierna: het project).Bij besluit van 24 april 2017 heeft het college het daartegen door[belanghebbende] en anderen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 24 oktober 2016 herroepen.Bij uitspraak van 22 februari 2018 heeft de rechtbank het door[appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.Het college en [belanghebbende] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 januari 2019, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door R. Frijlink en C.N. Vermeulen, zijn verschenen. Voorts is daar [belanghebbende] gehoord.OverwegingenInleiding1.    Het project voorziet blijkens de aanvraag van 6 oktober 2016, die door [appellant] van een toelichting is voorzien, in een wijziging van het pand op het perceel, teneinde dit geschikt te maken voor een zogenoemd belevingscentrum, waarin de doelgroep, mensen van boven de 40 jaar en ouderen, kennis kunnen maken met zogenoemde slimme technologie voor in de woning. Volgens de toelichting zal in het belevingscentrum een demonstratiewoning worden ingericht, waarin mensen feitelijk kennis kunnen maken met de bedoelde slimme technologie en deze kunnen ervaren. Het belevingscentrum heeft ten doel de drempel voor het aanschaffen van slimme technologie te verlagen, zodat bezoekers klanten worden die comfortabeler, duurzamer, veiliger en langer thuis wonen waarmaken. Naast het belevingscentrum voorziet het project in horeca op de begane grond tot een oppervlakte van 84 m² en een buitenterras van 149 m². Verder is voorzien in een dienstwoning op de eerste etage van het pand.2.    Tegen het besluit de omgevingsvergunning te verlenen, is door diverse omwonenden bezwaar gemaakt. Blijkens de gedingstukken kunnen zij zich niet met het project verenigen, met name vanwege de daarbij voorziene horeca, waarvan zij overlast vrezen.Het college heeft, in overeenstemming met het advies van de commissie bezwaarschriften van 8 maart 2017, de aanvankelijk verleende vergunning bij het besluit van 24 april 2017 alsnog geweigerd.Het heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat het project bij nader inzien niet past binnen de ter plaatse geldende bestemming "Maatschappelijke Doeleinden (MD)", omdat doel van het project is het verkopen van slimme technologie en andere producten. Dat de doelgroep uit personen van boven de 40 jaar bestaat, betekent volgens het college niet dat het belevingscentrum een maatschappelijk belang dient. Het college stelt zich in het besluit op bezwaar verder op het standpunt dat de toevoeging van naar het stelt niet-ondergeschikte commerciële horeca, eveneens afbreuk doet aan de maatschappelijke functie van het centrum. Aangezien derhalve geen sprake is van maatschappelijke doeleinden met ondergeschikte horeca en een dringende noodzaak voor het project ontbreekt, zoals volgens het afwijkingenbeleid is vereist, moet de omgevingsvergunning in heroverweging worden geweigerd, aldus het college.Het oordeel van de rechtbank3.    De rechtbank heeft het college gevolgd in het standpunt dat het project niet past binnen de bestemming "Maatschappelijke Doeleinden (MD)". Naar het oordeel van de rechtbank zal in het belevingscentrum overwegend sprake zijn van detailhandel. Dit concludeert de rechtbank op grond van de aanvraag, waaruit volgt dat wordt beoogd om in de demonstratiewoning door de uitstalling van onder meer domotica (ook wel huisautomatisering of smart homes genoemd), een aanzet te geven tot het verkopen van diverse producten. Dit betekent naar haar oordeel dat het doel van het belevingscentrum is ingegeven vanuit het commerciële oogmerk om domotica en andere technologie te verkopen. De rechtbank is van oordeel dat deze activiteiten niet passen binnen de bestemming "Maatschappelijke Doeleinden (MD)" en dat de omstandigheid dat de doelgroep bestaat uit mensen van 40 jaar en ouder, dit niet anders maakt. Ook de voorziene horecafunctie met bijbehorend terras verdraagt zich volgens de rechtbank niet met de bestemming "Maatschappelijke Doeleinden (MD)".De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het college het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van het project in redelijkheid heeft kunnen weigeren.Beoordeling van het hoger beroep4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het project niet binnen de bestemming "Maatschappelijke Doeleinden (MD)" past. Hij voert daartoe aan dat het belevingscentrum een welzijnsvoorziening is met een maatschappelijk doel, namelijk het helpen van ouderen die dit wensen, om langer in hun eigen huis te kunnen blijven wonen. Daarmee wordt tegelijkertijd een bijdrage geleverd aan een besparing op de totale gemeenschappelijke zorgkosten. [appellant] wijst verder, ter onderbouwing van zijn standpunt dat het project geen commercieel, maar een maatschappelijk uitgangspunt heeft, op de organisatiestructuur van de activiteiten. Het gaat daarbij naar hij stelt om een stichting, de ‘Stichting belevingscentrum’, met een maatschappelijke hoofdfunctie, die eigenaar is van twee bijbehorende ondernemingen. Eén van die ondernemingen is net als de stichting gevestigd op het perceel en exploiteert volgens [appellant] naast de verkoop van uitsluitend verouderde demomodellen in het belevingscentrum, andere commerciële activiteiten zoals verhuur van de bijbehorende horecagelegenheid, zaalverhuur, evenementen, lezingen, concerten, voorlichtingsavonden en advisering. De andere onderneming, die niet op het perceel is gevestigd, kan eventueel de producten leveren die klanten kunnen bestellen, nadat zij, vaak aan huis, zijn geadviseerd over de mogelijkheden van slimme technologie thuis. Het aanschaffen van de producten kan volgens [appellant] ook bij andere aanbieders plaatsvinden. [appellant] vergelijkt verder zijn activiteiten met een museum, waarbij naar hij stelt de activiteiten, inclusief ondersteunende werkzaamheden (museumwinkel, ondergeschikte horeca), vaak in een vergelijkbare constructie plaatsvinden.4.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit de aanvraag om omgevingsvergunning voor het project en de daarbij behorende toelichting, valt af te leiden dat het belevingscentrum commercieel zal worden geëxploiteerd, aangezien wordt beoogd om daar door de uitstalling van diverse producten een aanzet te geven tot het verkopen daarvan. De activiteiten zoals die volgens de aanvraag zijn beoogd in het belevingscentrum, te weten het bedrijfsmatig te koop aanbieden door middel van de uitstalling ten verkoop van domotica en andere producten, aan personen die deze producten kunnen kopen voor gebruik thuis, heeft de rechtbank terecht aangemerkt als vallend onder de begripsomschrijving van ‘detailhandel’ in artikel 1, onder 34, van de planregels. Zij heeft terecht geoordeeld dat deze detailhandel zich niet verhoudt met de bestemming "Maatschappelijke Doeleinden (MD)". Daarbij is, anders dan [appellant] betoogt, niet relevant of de verkoop van de producten bij potentiële klanten thuis plaatsvindt, dan wel in het belevingscentrum zelf. Ook de omstandigheid dat de verkoop, zoals [appellant] stelt, alleen plaatsvindt via een onderneming die niet op het perceel is gevestigd, doet er niet aan af dat het gaat om detailhandel.Het project voorziet daarnaast in een horecavoorziening met een bijbehorend terras. [appellant] is voornemens de exploitatie van deze horecavoorziening uit te besteden. Gelet op de omvang van de beoogde horeca en de volgens de aanvraag beoogde openingstijden, tot 01.00 uur in het weekend en 24.00 uur op weekdagen, is deze horecafunctie evenmin passend binnen de bestemming "Maatschappelijke Doeleinden", nu deze daaraan niet ondergeschikt kan worden geacht.Gelet op het voorgaande, en de voor het perceel geldende bestemmingsregeling zoals die volgt uit de verbeelding van het bestemmingsplan en de artikelen 15 en 1, onder 34 en 44, van de planregels, is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat het project, zoals het is omschreven in de aanvraag en de toelichting daarbij, niet past binnen de voor het perceel geldende bestemming "Maatschappelijke doeleinden (MD)".Het betoog faalt.Conclusie5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.6.    Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:bevestigt de aangevallen uitspraak.Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, griffier.w.g. Helder    w.g. Bolleboomlid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 17 april 2019641.Wet algemene bepalingen omgevingsrechtArtikel 2.1, eerste lid:Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:a. het bouwen van een bouwwerk,b. (…);c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,d. t/m i. (…).Bestemmingsplan "Damcentrum"Artikel 1, onder 34:Detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen en/of leveren van goederen, geen motorbrandstoffen zijnde, aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.Artikel 1, onder 44:Maatschappelijke voorzieningen: (overheids)voorzieningen inzake welzijn, volksgezondheid, cultuur, religie, sport, onderwijs, openbare orde en veiligheid en daarmee gelijk te stellen sectoren.Artikel 15, eerste lid:De gronden op de plankaart aangewezen voor Maatschappelijke doeleinden (MD) zijn bestemd voor:a. maatschappelijke voorzieningen;b. ter plaatse van de aanduiding sw: uitsluitend een sluiswachtershuis;en bijbehorende:c. ontsluitingen;d. nutsvoorzieningen;e. parkeerplaatsen;f. groenvoorzieningen;g. water.