Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:1245

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 17-04-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 17-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:1245, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201802462/1/A1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:1245:DOC

201802462/1/A1.Datum uitspraak: 17 april 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellant A], [appellant B], [appellant C], [appellant D] en [appellant E], allen wonend te Groningen (hierna: [appellant] en anderen),appellanten,tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 2 maart 2018 in zaken nrs. 17/4192 en 18/581 in het geding tussen:[appellant] en anderenenhet college van burgemeester en wethouders van Groningen.ProcesverloopBij brief van 1 december 2017 hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld tegen het niet tijdig bekend maken van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden in strijd met het bestemmingsplan op het perceel [locatie] te Groningen (hierna: het perceel).Bij uitspraak van 2 maart 2018 heeft de rechtbank de beroepen niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 januari 2019, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door mr. A. Schwartz, advocaat te Groningen, en het college, vertegenwoordigd door H.K. de Jonge, zijn verschenen.OverwegingenInleiding1.    Op 16 februari 2017 heeft het college van [vergunninghouder] een aanvraag ontvangen om een omgevingsvergunning voor het gebruiken van de agrarische gronden op het perceel ten behoeve van recreatieve doeleinden.Bij brief aan [vergunninghouder] van 12 april 2017 heeft het college de beslistermijn op de aanvraag met toepassing van artikel 3.9, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), met zes weken verlengd. Daarna heeft het college bij verschillende brieven, met toepassing van artikel 4:15, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de beslistermijn op de aanvraag nog meerdere malen opgeschort.Bij brief van 3 november 2017 hebben [appellant] en anderen het college in gebreke gesteld vanwege het niet tijdig bekend maken van de volgens hen op de aanvraag van [vergunninghouder] van rechtswege verleende vergunning.Bij besluit van 15 januari 2018 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning aan [vergunninghouder] verleend. [appellant] en anderen hebben daartegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 18 december 2018 heeft het college op dit bezwaar besloten en de verleende omgevingsvergunning herroepen. Het college stelt zich bij nader inzien op het standpunt dat het besluit ten onrechte met de reguliere voorbereidingsprocedure van artikel 3.9 van de Wabo tot stand is gekomen. Op de aanvraag was volgens het college ingevolge artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure van toepassing.Het oordeel van de rechtbank2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de beslistermijn steeds tijdig en rechtsgeldig schriftelijk heeft verlengd en opgeschort. Deze was daarom ten tijde van de ingebrekestelling die [appellant] en anderen het college hebben toegezonden, niet verstreken, zodat geen van rechtswege verleende omgevingsvergunning is ontstaan. Deze is derhalve evenmin niet tijdig bekend gemaakt. Nu daarom naar het oordeel van de rechtbank niet is voldaan aan de vereisten in artikel 8:55f, gelezen in samenhang met artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, heeft zij de beroepen niet-ontvankelijk verklaard.De gronden van het hoger beroep3.    [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de beslistermijn op de aanvraag van [vergunninghouder] niet op juiste wijze is opgeschort en dat dientengevolge van rechtswege een vergunning is verleend. Volgens hen heeft de opschorting bij brief van 8 juni 2017, waarbij het college [vergunninghouder] met toepassing van artikel 4:15, eerste lid, van de Awb om nadere gegevens heeft gevraagd, niet tijdig plaatsgevonden, omdat op dat moment de beslistermijn ingevolge artikel 3.9, eerste en tweede lid, van de Wabo reeds was verstreken. Daarom is volgens hen op 9 juli 2017 van rechtswege een vergunning verleend. De rechtbank heeft dan ook hun beroepen ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard en hen ten onrechte geen dwangsommen wegens niet tijdig beslissen toegekend, aldus [appellant] en anderen.Procesbelang [appellant] en anderen4.    Nu op 15 januari 2018 een reëel besluit op de aanvraag is genomen waartegen [appellant] en anderen rechtsmiddelen hebben aangewend, dient zich de vraag aan of zij procesbelang hebben bij hun beroep. Daarbij is van belang dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 oktober 2017; ECLI:NL:RVS:2017:2880), de bestuursrechter slechts gehouden is tot inhoudelijke beoordeling van een bij hem ingediend beroep tegen een besluit van een bestuursorgaan indien de indiener daarbij een actueel en reëel belang heeft. Indien dat belang is vervallen, is de bestuursrechter niet geroepen uitspraak te doen uitsluitend vanwege de principiële betekenis daarvan.Nu het besluit van 15 januari 2018 is genomen, hebben [appellant] en anderen de mogelijkheid om in de procedure tegen dat besluit de vraag aan de orde te stellen of het college nog bevoegd was om dat besluit te nemen, nu naar zij stellen daaraan voorafgaand de gevraagde omgevingsvergunning reeds van rechtswege was verleend. Het besluit van 15 januari 2018 was reeds genomen toen het beroep van [appellant] en anderen nog aanhangig was. De rechtbank heeft weliswaar overwogen dat ter zitting door partijen aan de rechtbank is medegedeeld dat dit besluit was genomen en ook dat daartegen bezwaar zou worden gemaakt. Maar de rechtbank heeft niet onderkend dat [appellant] en anderen onder deze omstandigheden geen actueel en reëel belang hadden bij de beoordeling in beroep van de vraag of van rechtswege een vergunning is verleend.Dit belang is ook niet gelegen in de dwangsommen zoals bedoeld in artikel 4:17 van de Awb, die naar [appellant] en anderen stellen zijn verbeurd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraken van 27 juli 2016; ECLI:NL:RVS:2016:2098 en 7 maart 2018; ECLI:NL:RVS:2018:751), verbeurt het bestuursorgaan gelet op artikel 4:17, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. In dit geval is [vergunninghouder] de aanvrager van de beschikking en niet [appellant] of één van de genoemde anderen. Dit betekent dat geen dwangsommen aan hen zijn verbeurd.Nu [appellant] en anderen voorts niet hebben gesteld dat zij schade hebben geleden ten gevolge van de bestuurlijke besluitvorming, ontbrak hun belang bij de beoordeling van het beroep.5.    De Afdeling ziet evenwel geen aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen. Nu [appellant] en anderen geen belang meer hadden bij de beroepen tegen het niet tijdig bekend maken van een van rechtswege verleende vergunning, heeft de rechtbank die beroepen terecht, zij het op onjuiste gronden, niet-ontvankelijk verklaard.Conclusie6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:bevestigt de aangevallen uitspraak.Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, griffier.w.g. Helder    w.g. Bolleboomlid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 17 april 2019641.