Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:1238

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 17-04-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 17-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:1238, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201806747/1/A2


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:1238:DOC

201806747/1/A2.Datum uitspraak: 17 april 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellant], wonend te 's-Gravenzande, gemeente Westland,appellant,tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 juli 2018 in zaak nr. 17/8162 in het geding tussen:[appellant]enhet college van burgemeester en wethouders van Westland.ProcesverloopBij besluit van 25 juli 2017 heeft het college een aanvraag van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.[appellant] heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft daarbij het college verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Awb.Het college heeft met dat verzoek ingestemd en het bezwaarschrift met toepassing van artikel 7:1a, vijfde lid, van de Awb doorgezonden naar de rechtbank.Bij uitspraak van 4 juli 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 april 2019, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. W.C.M. Niekus-de Vries en ing. A. Kleijn, zijn verschenen.OverwegingenInleiding1.    [appellant] is eigenaar van het perceel [locatie A] te ’s-Gravenzande. Op het perceel staat zijn woning. Hij heeft verzocht om een tegemoetkoming in planschade ten gevolge van het op 23 maart 2013 in werking getreden bestemmingsplan "Glastuinbouwgebied Westland" (hierna: het bestemmingsplan), omdat dat plan de uitbreiding van het naastgelegen bedrijf ADB Cool Company mogelijk maakt. Volgens [appellant] zal hierdoor de hoeveelheid vrachtverkeer van ADB Cool Company over een nabijgelegen brug en ontsluitingsweg toenemen, hetgeen leidt tot waardedaling van zijn perceel, waardoor hij schade lijdt.2.    Het college heeft ter voorbereiding van het besluit van 25 juli 2017 de aanvraag van [appellant] voor advies voorgelegd aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ). In een advies van januari 2017 heeft de SAOZ het bestemmingsplan vergeleken met een vrijstelling (hierna: de vrijstelling) van het bestemmingsplan "Buitengebied" als bedoeld in artikel 19 van de voormalige Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), die het college bij besluit van 1 november 2005 ten behoeve van de reconstructie van het bedrijfsterrein van ADB Cool Company heeft verleend. De bedrijfsactiviteiten van ADB Cool Company bestaan vooral uit de gekoelde opslag van bloembollen. De vrijstelling voorziet onder meer in een nieuwe zuidelijke ontsluiting van het bedrijf over een nieuwe brug en weg nabij het perceel van [appellant]. Volgens de ruimtelijke onderbouwing van de vrijstelling zal de ontsluiting alleen worden gebruikt door personenauto’s en enkele bedrijfswagens van een glastuinbouwbedrijf op het terrein van ADB Cool Company. Deze beperking van het gebruik van de brug heeft de gemeente toentertijd ook meegedeeld aan omwonenden. In het bestemmingsplan "Glastuinbouwgebied Westland" is het bedrijf ADB Cool Company positief bestemd. De zuidelijke ontsluiting is in het bestemmingsplan gewijzigd van voorheen een ontsluiting voor enkele woningen en een glastuinbouwbedrijf naar een ontsluiting voor vrachtwagens van en naar een agrarisch opslag-, handels- en exportbedrijf. Daardoor heeft de ontsluiting een wezenlijk ander karakter gekregen en is de ligging van het perceel van [appellant] in dat opzicht aanzienlijk verslechterd, waardoor [appellant] planologisch nadeel lijdt. De SAOZ heeft het planologisch nadeel gewaardeerd op een bedrag van € 20.000,00. Na aftrek van het forfaitair normaal maatschappelijk risico van 2% van de waarde van het perceel van [appellant] voor het ontstaan van de schade, in dit geval een bedrag van € 6.000,00, resteert een bedrag van € 14.000,00. De SAOZ heeft het college geadviseerd dit bedrag als tegemoetkoming in planschade aan [appellant] toe te kennen.    Het college is in het besluit van 25 juli 2017 van dit SAOZ-advies afgeweken. Het college heeft aan dat besluit ten grondslag gelegd dat de brug en ontsluitingsweg langs het perceel van [appellant] al op grond van de vrijstelling van 1 november 2005 door vrachtwagens gebruikt mochten worden. Dat in de ruimtelijke onderbouwing is vermeld dat die ontsluiting niet gebruikt zal worden door vrachtverkeer, betekent niet dat dergelijk gebruik niet was toegestaan. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellant] daarom ten gevolge van het bestemmingsplan geen planschade lijdt en zijn aanvraag om een tegemoetkoming afgewezen.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen.Het hoger beroep3.    [appellant] betoogt  dat de rechtbank ten onrechte tot dit oordeel is gekomen. Hij voert aan dat ingevolge het toentertijd geldende artikel 19a, eerste lid, van de WRO een vrijstelling een ruimtelijke onderbouwing bevat. De ruimtelijke onderbouwing was derhalve onderdeel van de vrijstelling. In de ruimtelijke onderbouwing was uitdrukkelijk vermeld dat de brug niet mocht worden gebruikt door vrachtverkeer. De gemeente heeft dit voorafgaande aan de verlening van de vrijstelling ook aan omwonenden meegedeeld. Volgens [appellant] is het standpunt van het college dat dit gebruik op grond van de vrijstelling was toegestaan onjuist.3.1.    Artikel 19a, eerste lid, van de WRO luidde: "Het vrijstellingsbesluit, bedoeld in artikel 19, eerste en tweede lid, bevat een beschrijving van het betrokken project, de ruimtelijke onderbouwing en de afwegingen die aan het verlenen van vrijstelling ten grondslag liggen. Artikel 15, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.3.2.    In de ‘Ruimtelijke onderbouwing Reconstructieplan ADB Coolcompany’ is in hoofdstuk 2 ‘Beschrijving reconstructieplan’ onder ‘Ontsluiting en verkeersafwikkeling’ vermeld: "Het bedrijf wordt in het nieuwe plan ontsloten via een aparte in- en uitrit aan de Galgeweg, waardoor vrachtwagens niet meer achteruit hoeven te steken om het terrein op te komen. […] Aan de zuidzijde wordt het terrein ontsloten via een brug op de aan te leggen verlengde Groeneweg. Deze ontsluiting zal alleen worden gebruikt door personenauto’s en bedrijfswagens t.b.v. het glastuinbouwbedrijf."    In de publicatie van de terinzagelegging van de voorgenomen vrijstelling op grond van het toenmalige artikel 6a van de WRO van 11 juni 2013 is vermeld: "De reconstructieplannen komen op het volgende neer:-    het ontsluiten van ADB Cool Company via een aparte in- en uitrit aan de Galgeweg;[…]-    aan de zuidzijde wordt het terrein via een brug ontsloten op de aan te leggen verlengde Groeneweg. Deze ontsluiting zal alleen worden gebruikt door personenauto’s en eventueel bedrijfswagens t.b.v. het glastuinbedrijf. Aanleg van de brug heeft alleen zin als de Groeneweg wordt doorgetrokken."    In een brief van 12 augustus 2003 aan bewoners van de woning [locatie B], in een brief van 19 mei 2003 aan een bewoner van de woning [locatie C] en in een brief van 19 mei 2003 aan [appellant] heeft het college, in reactie op door hen ingediende zienswijzen, eveneens vermeld dat het terrein van ADB Cool Company wordt ontsloten via een aparte in- en uitrit aan de Galgeweg en dat de nieuwe ontsluiting aan de zuidzijde van het terrein via een brug alleen zal worden gebruikt door personenauto’s en door bedrijfswagens van en naar het glastuinbouwbedrijf op het terrein van ADB Cool Company.3.3.    Het voorgaande kan niet anders worden begrepen dan dat het college aan de vrijstelling van 1 november 2005 de planologische voorwaarde heeft verbonden dat de zuidelijke ontsluiting over de brug alleen mocht worden gebruikt door personenauto’s en door bedrijfswagens van en naar het glastuinbouwbedrijf op het terrein van ADB Cool Company. Dat het college deze planologische voorwaarde heeft opgenomen in de ruimtelijke onderbouwing maakt dit in dit geval niet anders. Volgens het SAOZ-advies van januari 2017 stelt het nieuwe bestemmingsplan anders dan de vrijstelling geen planologische beperkingen aan het gebruik van de brug. De SAOZ is in haar advies van januari 2017 terecht tot de conclusie gekomen dat het bestemmingsplan voor [appellant] dus een nadelige planologische verandering is, waardoor hij planschade lijdt.    Gezien het voorgaande mocht het college het SAOZ-advies van januari 2017 niet terzijde schuiven en in afwijking daarvan het verzoek van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afwijzen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.3.4.        Het betoog slaagt.Slotsom4.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Afdeling zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van [appellant] gegrond verklaren en het besluit van het college van 25 juli 2017 vernietigen.Vaststellen hoogte tegemoetkoming in planschade5.    De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Dit betekent dat het college geen nieuw besluit op het verzoek van [appellant] hoeft te nemen.    Volgens het SAOZ-advies van januari 2017 lijdt [appellant] ten gevolge van het bestemmingsplan "Glastuinbouwgebied Westland" planologisch nadeel ten bedrage van € 20.000,00. Volgens de SAOZ geldt voor [appellant] in deze zaak een normaal maatschappelijk risico van 2% van de waarde van zijn perceel voor het ontstaan van de schade, zijnde een bedrag van € 6.000,00. De SAOZ heeft geadviseerd aan [appellant] een  tegemoetkoming in planschade van € 14.000,00 toe te kennen. De Afdeling heeft geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het SAOZ-advies .    De Afdeling zal bepalen dat het college aan [appellant] een tegemoetkoming in planschade moet betalen van € 14.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 oktober 2015, de datum van ontvangst van de aanvraag, tot aan de dag van uitbetaling. Het college dient tevens het door [appellant] betaalde recht als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, van Wet ruimtelijke ordening aan hem terug te betalen.6.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:I.    verklaart het hoger beroep gegrond;II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 juli 2018 in zaak nr. 17/8162;III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Westland van 25 juli 2017, kenmerk: 17-0132287;V.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;VI.    bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders van Westland aan [appellant] betaalt een vergoeding van € 14.000,00 (zegge: veertienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 oktober 2015 tot aan de dag van algehele voldoening;VII.    verstaat dat het college van burgemeester en wethouders van Westland aan [appellant] het door hem betaalde recht als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening terugbetaalt;VIII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Westland tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.048,00 (zegge: tweeduizend achtenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;IX.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Westland aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 421,00 (zegge: vierhonderdeenentwintig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H. Oranje, griffier.w.g. Van Altena    w.g. Oranjelid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 17 april 2019507.