Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:1226

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 17-04-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 17-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:1226, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201807443/1/A2


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:1226:DOC

201807443/1/A2.Datum uitspraak: 17 april 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:de Belastingdienst/Toeslagen,appellant,tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 30 juli 2018 in zaak nr. 18/1583 in het geding tussen:[wederpartij], wonend te [woonplaats],ende Belastingdienst/Toeslagen.ProcesverloopBij besluit van 18 juli 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag van [wederpartij] voor het jaar 2011 vastgesteld op nihil en een bedrag van € 3.872,00 aan teveel ontvangen voorschotten teruggevorderd.Bij besluit van 10 februari 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.Bij uitspraak van 30 juli 2018 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 10 februari 2018 vernietigd, het besluit van 18 juli 2014 herroepen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft de Belastingdienst/Toeslagen hoger beroep ingesteld.[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 februari 2019, waar de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, is verschenen.OverwegingenInleiding1.    [wederpartij] huurde in 2011 een woning aan de [locatie A] te Den Haag. Daarvoor heeft hij huurtoeslag aangevraagd. De Belastingdienst/Toeslagen heeft bij het besluit van 18 juli 2014 de huurtoeslag van [wederpartij] over 2011 op nihil vastgesteld omdat zijn toetsingsinkomen te hoog is om voor huurtoeslag in aanmerking te komen. De dienst heeft [persoon A] voor heel het jaar 2011 en [persoon B] voor de periode van 1 november 2011 tot en met 31 december 2011 als medebewoners van [wederpartij] aangemerkt en hun inkomen betrokken bij de berekening van het toetsingsinkomen.[wederpartij] heeft bij brief van 21 januari 2018 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 18 juli 2014. De Belastingdienst/Toeslagen heeft dit bezwaar bij het besluit van 10 februari 2018 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingediend.Aangevallen uitspraak2.    De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard omdat de Belastingdienst/Toeslagen het bezwaar van [wederpartij] ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Uit de ter zitting gegeven verklaring van de gemachtigde van de Belastingdienst/Toeslagen volgt dat het besluit van 18 juli 2014 het pand van de Belastingdienst/Toeslagen nooit heeft verlaten. Het besluit is derhalve niet op een geschikte wijze bekend gemaakt. De rechtbank gaat ervan uit dat [wederpartij] op enig moment rond midden januari 2018 op de hoogte is geraakt van het besluit. Het bezwaar is door de Belastingdienst/Toeslagen op 26 januari 2018 ontvangen. Het bezwaar is derhalve tijdig ingediend. De rechtbank heeft vervolgens zelf in de zaak voorzien en geoordeeld dat [wederpartij] recht heeft op huurtoeslag over 2011. [wederpartij] heeft naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat hij in 2011 een zelfstandige woning heeft gehuurd. De stelling van [wederpartij] dat het adres [locatie A] te Den Haag begin 2011 is gesplitst in [locatie A] en [locatie B] en dat het adres [locatie A] uit één zelfstandige woning en [locatie B] uit twee zelfstandige woningen bestaat, wordt ondersteund door een verklaring van de eigenaar van de woning en gegevens van het Kadaster, aldus de rechtbank.Hoger beroep3.    De Belastingdienst/Toeslagen betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [wederpartij] recht heeft op huurtoeslag over 2011. De dienst voert daartoe aan dat de rechtbank met dit oordeel eraan voorbij gaat dat [wederpartij] in het berekeningsjaar 2011 twee medebewoners had. De inkomens van die medebewoners dienen ter bepaling van het recht op huurtoeslag in aanmerking te worden genomen. Het gezamenlijke toetsingsinkomen is te hoog om voor huurtoeslag in aanmerking te komen, aldus de dienst.3.1.    Artikel 1a, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag (hierna: de Wht) luidt:"Op deze wet is de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, met uitzondering van artikel 6, eerste en tweede lid, van toepassing."Artikel 7, eerste lid, van de Wht luidt:"Het recht op en de hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk van de draagkracht, waaronder begrepen het vermogen, van de huurder, diens partner en de medebewoners."Artikel 9 van de Wht luidt:"1. Een huurtoeslag wordt slechts toegekend:a. als de huurder, diens partner alsmede degenen die medebewoner van de woning zijn, op het adres van die woning zijn ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens;b. als op dat adres geen andere personen staan ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, behoudens eventueel een onderhuurder en personen die behoren tot diens huishouden.2. In afwijking van het eerste lid kan een huurtoeslag worden toegekend, als de onjuiste inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens niet aan de huurder kan worden toegerekend."Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) luidt:"In deze wet en de daarop berustende bepalingen, alsmede in inkomensafhankelijke regelingen, wordt verstaan onder medebewoner: de persoon die op hetzelfde woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, met dien verstande dat als medebewoner niet wordt aangemerkt:1°. de partner van de belanghebbende,2°. de persoon die op basis van een schriftelijke overeenkomst met de belanghebbende een deel van de woning huurt, tenzij deze een bloed- of aanverwant in de eerste graad is van de belanghebbende of van diens partner,3°. degene die tot het huishouden van de onder 2° bedoelde persoon behoort."Artikel 7, tweede lid, van de Awir luidt:"Indien in een inkomensafhankelijke regeling is bepaald dat naast de draagkracht van de belanghebbende en diens partner ook de draagkracht van medebewoners van belang is voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van een tegemoetkoming, wordt mede het toetsingsinkomen van de medebewoners in aanmerking genomen."3.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 15 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:411) heeft, gelet op artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Awir, bij de beoordeling of iemand als medebewoner moet worden aangemerkt en derhalve diens vermogen ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wht moet worden betrokken bij de berekening van de draagkracht en de hoogte van de huurtoeslag, de inschrijving in de BRP (tot 6 januari 2014 de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens) als uitgangspunt te gelden. Uit artikel 9, tweede lid, van de Wht volgt dat dit anders is als de onjuiste inschrijving in de BRP niet aan de huurder kan worden toegerekend. Daarbij moet komen vast te staan dat de inschrijving in de BRP onjuist is. Vervolgens moet worden beoordeeld of de onjuiste inschrijving voor rekening van de huurder komt.3.3.    Niet in geschil is dat [persoon A] heel het jaar 2011 en [persoon B] voor de periode van 1 november 2011 tot en met 31 december 2011 in de BRP op het adres [locatie A] stonden ingeschreven. Voorts is ter zitting gebleken dat in 2011 twee andere personen stonden ingeschreven in de BRP op het adres [locatie B]. Anders dan de rechtbank heeft overwogen heeft [wederpartij] met de verklaring van de eigenaar van de woning en gegevens van het Kadaster niet aangetoond dat de inschrijving van [persoon A] en [persoon B] in de BRP op het adres [locatie A] onjuist is. Ook uit de in hoger beroep overgelegde verklaring van [persoon A] volgt dit niet. De Belastingdienst/Toeslagen is bij de berekening van de huurtoeslag van [wederpartij] over 2011 derhalve terecht uitgegaan van de gegevens in de BRP en heeft de inkomens van [persoon A] en [persoon B] terecht bij die berekening betrokken. De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat het toetsingsinkomen van [wederpartij] te hoog is om voor huurtoeslag in aanmerking te komen. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat [wederpartij] recht heeft op huurtoeslag over 2011.3.4.    Het betoog slaagt.Conclusie4.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank daarbij het besluit van 18 juli 2014 heeft herroepen en heeft bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bezwaar tegen het besluit van 18 juli 2014 alsnog ongegrond verklaren en bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het reeds door de rechtbank vernietigde besluit van 10 februari 2018.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:I.    verklaart het hoger beroep gegrond;II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 30 juli 2018 in zaak nr. 18/1583, voor zover de rechtbank daarbij het besluit van 18 juli 2014 heeft herroepen en heeft bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 10 februari 2018;III.    verklaart het bezwaar van [wederpartij] tegen het besluit van 18 juli 2014 ongegrond;IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 10 februari 2018.Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.A. Komduur, griffier.w.g. Van Altena    w.g. Komduurlid van de enkelvoudige kamer    griffierUitgesproken in het openbaar op 17 april 2019809.