Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:1221

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 17-04-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 17-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:1221, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201901373/1/R1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:1221:DOC

201901373/1/R1Datum uitspraak: 17 april 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak in het geding tussen:[appellant A] en anderen, allen wonend te Enkhuizen, behoudens [appellant B], wonend te [woonplaats],appellanten,ende raad van de gemeente Enkhuizen,verweerder.Procesverloop[appellant A] en anderen hebben naar moet worden aangenomen beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de raad op hun aanvraag van 21 september 2018 tot vaststelling van een uitwerkings- en/of bestemmingsplan voor hun gronden.De raad heeft een verweerschrift ingediend.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 april 2019, waar [appellant A] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en bijgestaan door mr. J.T.A.M. van Mierlo, advocaat te Zwolle, en de raad, vertegenwoordigd door mr. M.M. Schaper en J. Eenkoren, zijn verschenen.OverwegingenInleiding1.       Het bestemmingsplan "Gommerwijk West-West", dat is vastgesteld door de raad op 19 februari 2008, voorziet met artikel 6 van de planvoorschriften in een uitwerkingsplicht van de bestemming "Wonen-uit te werken" waarmee kan worden voorzien in maximaal 700 woningen op onder meer de gronden van [appellant A] en anderen aan de westkant van Enkhuizen, kadastraal bekend onder H-2036, 2037, 2038, 2039, 2040, 2041 en 2042. Niet in geschil is dat met de toekenning van de uit te werken bestemming het agrarisch bedrijf van [appellant A] en anderen onder het algemene overgangsrecht is gebracht en dat op grond van artikel 6, lid 6.3, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan sinds de inwerkingtreding van het bestemmingsplan op de gronden van [appellant A] en anderen een bouwverbod geldt.2.       Bij brief van 24 maart 2016 hebben [appellant A] en anderen de raad verzocht om toepassing te geven aan de uitwerkingsplicht. Bij besluit van 27 februari 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van Enkhuizen dit verzoek van [appellant A] afgewezen. Bij besluit van 4 juli 2017 heeft het college het door [appellant A] hiertegen ingediende bezwaar  ongegrond verklaard. In haar uitspraak van 12 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2972, heeft de Afdeling geoordeeld dat het college het verzoek tot afwijzing van het verzoek tot uitwerking van de bestemming, alsmede het daarop volgende besluit tot ongegrondverklaring van het bezwaar van [appellant A] en anderen, onbevoegd heeft genomen. Het plan is onder de tot 1 juli 2008 geldende Wet op de Ruimtelijk Ordening tot stand gekomen en kent aan de raad, niet aan het college, de uitwerkingsplicht toe.3.       Niet in geschil is dat [appellant A] en anderen de raad bij brief van 21 september 2018 nogmaals hebben verzocht om, binnen veertien weken, een besluit te nemen op hun verzoek omtrent de uitwerking van de bestemming "Wonen-uit te werken" voor hun gronden, dan wel de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan voor te bereiden. Nu binnen die termijn geen besluit is genomen tot weigering van de vaststelling van een uitwerking- of bestemmingsplan en evenmin een ontwerpuitwerkingsplan of -bestemmingsplan ter inzage is gelegd, hebben [appellant A] en anderen de raad bij brief van 28 december 2018 in gebreke gesteld. In reactie hierop is bij brief van 10 januari 2019 namens de raad toegelicht dat de voorbereidingen om een concreet voorstel te maken voor de invulling van de uit te werken bestemming vergevorderd zijn, maar dat nog geen besluit kan worden genomen. Voorts wordt in de brief toegelicht dat het onderwerp op 26 februari 2019 dan wel op 26 maart 2019 op de agenda van de raad voor besluitvorming staat gepland. Naar het oordeel van de Afdeling behelst deze brief daarmee – anders dan de raad meent - geen beslissing met als inhoud een publiekrechtelijke rechtshandeling en is daarom geen sprake van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).Het beroep4.       Nu de brief van 10 januari 2019 geen besluit betreft als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid van de Awb, begrijpt de Afdeling het beroep van [appellant A] en anderen aldus dat zij beroep instellen tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de raad op hun aanvraag van 21 september 2018 tot vaststelling van een uitwerkings- of bestemmingsplan voor hun gronden.5.       Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb luidt: "Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling."Het tweede lid, luidt: "Onder beschikking wordt verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan."Het derde lid luidt: "Onder aanvraag wordt verstaan een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen."Artikel 3:10, derde lid, luidt: "Afdeling 4.1.1 is mede van toepassing op andere besluiten dan beschikkingen, indien deze op aanvragen worden genomen en voorbereid overeenkomstig deze afdeling (lees: afdeling 3.4)."Artikel 3:18, eerste lid, dat deel uitmaakt van afdeling 3.4 van de Awb, luidt: Indien het een besluit op aanvraag betreft, neemt het bestuursorgaan het besluit zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zes maanden na ontvangst van de aanvraag."Artikel 6:12, tweede lid, luidt: "Het beroepschrift kan worden ingediend zodra a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop de belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft meegedeeld dat het in gebreke is."Artikel 3.8, eerste lid, aanhef, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) luidt: "Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, […]."Artikel 3.9, eerste lid, luidt: "Artikel 3.8 is niet van toepassing op de afwijzing van een aanvraag om een bestemmingsplan vast te stellen."Het tweede lid luidt: "Tot een afwijzing als bedoeld in het eerste lid besluit de gemeenteraad zo spoedig mogelijk doch in elk geval binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag."Artikel 3.9a luidt:"1. Op de voorbereiding van een wijziging of uitwerking van een bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat de kennisgeving bedoeld in artikel 3:12 van die wet, tevens langs elektronische weg geschiedt, dat het ontwerpbesluit met de hierbij behorende stukken tevens langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld, dat burgemeester en wethouders binnen acht weken na afloop van de termijn van terinzageligging omtrent de uitwerking of wijziging besluiten. Op het besluit tot vaststelling van een wijziging of uitwerking van een bestemmingsplan is artikel 3.8, derde lid, van overeenkomstige toepassing.2. Het eerste lid is niet van toepassing op de afwijzing van een aanvraag om een wijziging of uitwerking van een bestemmingsplan vast te stellen.3. Tot een afwijzing als bedoeld in het tweede lid besluiten burgemeester en wethouders zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.4. Een besluit tot vaststelling van een wijziging of uitwerking van een bestemmingsplan treedt in werking met ingang van de dag na die waarop de beroepstermijn afloopt."6.       Niet in geschil is dat [appellant A] en anderen de raad bij brief van 21 september 2018 hebben verzocht om over te gaan tot vaststelling van een uitwerkings- of bestemmingsplan. Naar het oordeel van de Afdeling hebben [appellant A] en anderen daarmee een aanvraag als bedoeld in artikel 3.9 dan wel artikel 3.9a, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening gedaan. Evenmin is in geschil dat [appellant A] en anderen na het verstrijken van de door hen gestelde termijn van 14 weken de raad schriftelijk in gebreke hebben gesteld. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 4 juni 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN4062, overweegt de Afdeling dat in een geval als dit de beslistermijn wordt geacht te zijn overschreden indien het bevoegd gezag binnen 14 weken na ontvangst van de aanvraag geen definitief besluit heeft genomen en evenmin een ontwerp van een besluit ter inzage heeft gelegd. Vast staat dat de raad binnen deze termijn geen besluit heeft genomen of een ontwerp hiervan ter inzage heeft gelegd. Uit artikel 6:12, tweede lid, van de Awb volgt dat na het verstrijken van deze termijn beroep kan worden ingesteld indien twee weken zijn verstreken na de dag waarop een belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is. Nu de raad niet binnen twee weken nadat hij in gebreke is gesteld een besluit heeft genomen en evenmin een ontwerp van een besluit ter inzage heeft gelegd, is het beroep van [appellant A] en anderen gegrond en dient het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag te worden vernietigd.7.       De raad dient op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb alsnog een besluit te nemen naar aanleiding van de aanvraag van [appellant A] en anderen. De raad kan, na een zorgvuldige afweging van de betrokken belangen, de aanvraag afwijzen of een plan vaststellen. Tot die zorgvuldige afweging behoort aan de ene kant het belang van een afgewogen voorbereiding van de intussen gewijzigde inzichten inzake de geplande woningbouw en aan de andere kant het zwaarwegende bedrijfsbelang van [appellant A] en anderen. [appellant A] en anderen hebben ter zitting verklaard dat in ieder geval, gelet op hun belangen, niet later dan na 26 weken concrete planologische duidelijkheid voor hun gronden mag worden verwacht.8.       De Afdeling zal een termijn stellen voor het nemen van een reëel besluit op de aanvraag en voorts met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepalen dat de raad een dwangsom verbeurt voor iedere dag dat de raad in gebreke blijft de uitspraak na te leven.Proceskosten9.       De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:I.        verklaart het beroep gegrond;II.       vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van [appellant A] en anderen;III.      draagt de raad van de gemeente Enkhuizen op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een besluit te nemen inhoudende de vaststelling van een uitwerkings- of bestemmingsplan of de afwijzing van de aanvraag en dit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze en binnen de daarvoor geldende termijn bekend te maken, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;IV.     bepaalt dat de raad van de gemeente Enkhuizen aan [appellant A] en anderen een dwangsom verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt waarbij de hoogte van de dwangsom € 100 (zegge: honderd euro) bedraagt, met een maximum van € 15.000 (vijftienduizend euro);V.      veroordeelt de raad van de gemeente Enkhuizen tot vergoeding van bij [appellant A] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.024,00 (zegge: duizendvierentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;VI.     gelast dat de raad van de gemeente Enkhuizen aan [appellant A] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 174,00 (zegge: honderdvierenzeventig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Koziolek Stoof, griffier.w.g. Helder w.g. Koziolek-Stooflid van de enkelvoudige kamer griffierUitgesproken in het openbaar op 17 april 2019749.