Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:1197

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 17-04-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 17-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:1197, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201807076/1/A2


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:1197:DOC

201807076/1/A2.Datum uitspraak: 17 april 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak op het hoger beroep van:[appellante], wonend te [woonplaats],appellante,tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 juli 2018 in zaken nrs. 18/2516 en 18/2517 in het geding tussen:[appellante]ende Belastingdienst/Toeslagen.ProcesverloopBij afzonderlijke besluiten van 10 november 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorgtoeslag en het kindgebonden budget van [appellante] over de jaren 2013 en 2014 herzien en vastgesteld op nihil.Bij besluiten van 26 februari 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de door [appellante] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 18 juli 2018 heeft de rechtbank de door [appellante] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 maart 2019, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. G.M. Haring, advocaat te Amsterdam, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, zijn verschenen.OverwegingenInleiding1.    [appellante] heeft op 9 januari 2012 toeslag aangevraagd en over 2012, 2013 en 2014 zorgtoeslag en kindgebonden budget ontvangen. De Belastingdienst/Toeslagen heeft bij besluit van 5 september 2014 het kindgebonden budget over 2013 vastgesteld op € 1.553,00, bij besluit van 3 oktober 2014 de zorgtoeslag over 2013 vastgesteld op € 919,00, bij besluit van 10 juli 2015 het kindgebonden budget over 2014 vastgesteld op € 1.553,00 en bij besluit van 20 augustus 2015 de zorgtoeslag over 2014 vastgesteld op € 724,00.2.    Bij de besluiten van 10 november 2017, gehandhaafd bij de besluiten van 26 februari 2018, heeft de Belastingdienst/Toeslagen deze toeslagen herzien en vastgesteld op nihil. Reden voor de herziening is dat [appellante] in 2013 en 2014 gehuwd was met [persoon]. Hoewel zij in die periode niet meer samenwoonden op hetzelfde adres, heeft [appellante] een verzoek tot echtscheiding pas op 14 september 2017 ingediend. Daarom heeft de dienst [persoon] aangemerkt als toeslagpartner en zijn inkomen opgeteld bij dat van [appellante]. Dit gezamenlijke inkomen is te hoog, dus heeft de dienst de aan [appellante] toegekende bedragen inclusief wettelijke rente teruggevorderd. Dit betekent dat [appellante] in totaal € 5.294,00 moet terugbetalen.3.    De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van de uitspraak.Oordeel van de rechtbank4.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen [persoon] terecht als toeslagpartner van [appellante] heeft aangemerkt. Hoewel zij in 2013 en 2014 niet op hetzelfde adres in de basisregistratie personen (hierna: brp) stonden ingeschreven, waren zij wel gehuwd. Het verzoek tot echtscheiding heeft [appellante] pas op 14 september 2017 ingediend. Daardoor is niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 5a, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr). Het beroep op het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. De Belastingdienst/Toeslagen heeft terecht geconcludeerd dat er voor de jaren 2013 en 2014 geen recht op toeslag bestond, aldus de rechtbank.Hoger beroep5.    [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hoewel het echtscheidingsverzoek op 14 september 2017 is ingediend, de relatie met [persoon] al sinds 2011 feitelijk verbroken was. Sindsdien wonen zij niet meer samen en bestond de intentie om de relatie te beëindigen. [appellante] stelt onvoldoende te zijn geïnformeerd door de Belastingdienst/Toeslagen over de voorwaarde dat met ingang van 1 januari 2013 een verzoek tot echtscheiding moet zijn ingediend voor verbreking van het toeslagpartnerschap. Als zij hiervan op de hoogte was gebracht, had zij de echtscheiding eerder doorgezet. Daarom is [persoon] onterecht als haar toeslagpartner aangemerkt. Verder betoogt [appellante] dat zij erop mocht vertrouwen dat zij recht had op de aan haar toegekende toeslagen, omdat de Belastingdienst/Toeslagen de toeslagen had verleend en definitief had toegekend nadat de dienst de door haar verstrekte gegevens na afloop van de berekeningsjaren had gecontroleerd. De dienst moet bekend zijn geweest met het feit dat [persoon] haar fiscale partner was, omdat de dienst gebruik maakt van het systeem en de gegevens van de Belastingdienst Particulieren/Amsterdam. Door de toeslagen te herzien en terug te vorderen heeft de Belastingdienst/Toeslagen daarom in strijd met het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel gehandeld, aldus [appellante].5.1.    Vaststaat dat [appellante] en [persoon] gehuwd waren in de jaren 2013 en 2014 en dat zij niet op hetzelfde adres stonden ingeschreven. Hoewel op grond van artikel 3, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir), gelezen in samenhang met artikel 5a, eerste en vierde lid, van de Awr, [persoon] toeslagpartner van [appellante] was, heeft de Belastingdienst/Toeslagen bij de definitieve berekening van de toeslagen [persoon] niet als toeslagpartner aangemerkt. De aan [appellante] toegekende toeslagen hebben met de onder 1 genoemde besluiten een definitief karakter gekregen. De mogelijkheden om zodanige toekenning in het nadeel van de belanghebbende te herzien, zijn neergelegd in de artikelen 20 en 21 van de Awir.5.2.    De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan de herziening artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awir ten grondslag gelegd. De dienst heeft ter zitting toegelicht dat [persoon] bij de definitieve vaststelling niet als toeslagpartner van [appellante] is aangemerkt, omdat het de dienst pas daarna bekend is geworden dat hij voor 2013 als toeslagpartner had moeten worden aangemerkt. De dienst had ten tijde van de definitieve vaststelling wel kunnen zien dat [appellante] gehuwd was, maar vanwege een fout in de automatisering is dit niet opgemerkt. De dienst stelt dat [appellante] desondanks had moeten weten dat haar huwelijk met [persoon] gevolgen zou hebben voor de hoogte van haar toeslagen. Volgens de dienst is daarbij van belang dat [persoon] in 2013 ook haar fiscale partner was en dat op 1 januari 2013 de Awir is gewijzigd, waardoor echtgenoten altijd als toeslagpartner worden aangemerkt, ook als zij duurzaam gescheiden leven. Vóór deze wijziging werden echtgenoten niet als toeslagpartner aangemerkt als zij duurzaam gescheiden van elkaar leefden. [appellante] had daarom kunnen weten dat haar een te hoog bedrag aan toeslagen is toegekend, aldus de dienst.5.3.    Naar het oordeel van de Afdeling is niet voldaan aan de in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awir gestelde eisen. Op grond van die bepaling kan de Belastingdienst/Toeslagen de tegemoetkoming herzien wanneer de belanghebbende wist of behoorde te weten dat een te hoog bedrag is toegekend. Uit de toelichting op die bepaling volgt dat het kan gaan om bijvoorbeeld evidente fouten, zoals toekenningen die significant afwijken van hetgeen de belanghebbende mocht verwachten op grond van zijn aanvraag (Kamerstukken II, 2004/05, 29 764, nr. 3). De dienst heeft niet aannemelijk gemaakt dat [appellante] ten tijde van de definitieve vaststelling wist of behoorde te weten dat haar een te hoog bedrag was toegekend. De feitelijke situatie van [appellante], dat zij en [persoon] gehuwd waren en duurzaam gescheiden van elkaar leefden, is tussen 2012 en 2014 niet veranderd. Toen [appellante] de toeslagen aanvroeg, was [persoon] niet haar toeslagpartner. Zij had in 2012 recht op de toeslagen. Dat [persoon] na de wetswijziging van 1 januari 2013 als haar toeslagpartner moest worden aangemerkt, is onvoldoende om aan te nemen dat [appellante] had behoren te weten dat haar bij de definitieve vaststelling een te hoog bedrag was toegekend. Anders dan de dienst stelt, had [appellante] uit de voorlopige aanslagen inkomstenbelasting, waarin is uitgegaan van fiscaal partnerschap, niet behoren af te leiden dat [persoon] ook haar toeslagpartner was en dat dit gevolgen zou hebben voor de hoogte van haar toeslagen. Verder acht de Afdeling van belang dat [appellante] de dienst bij haar aanvraag op de hoogte heeft gesteld van haar feitelijke situatie en dat de dienst heeft aangegeven dat deze bij de definitieve vaststelling wel had kunnen weten dat [persoon] als toeslagpartner van [appellante] moest worden aangemerkt, maar dat dit door een fout in de automatisering niet is opgemerkt. [appellante] had deze fout niet hoeven opmerken. Zij mocht erop rekenen dat de Belastingdienst/Toeslagen de voor de toekenning relevante basisgegevens controleert, alvorens de toeslag definitief toe te kennen. Er bestond daarom geen grond voor het herzien van de toeslagen van [appellante] over de jaren 2013 en 2014.Het betoog slaagt.Conclusie6.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen tegen de besluiten van 26 februari 2018 gegrond verklaren. Die besluiten komen wegens strijd met artikel 21 van de Awir voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling zal de besluiten van 10 november 2017 herroepen, nu aan die besluiten ook als reden voor de herziening ten grondslag ligt dat [persoon] als toeslagpartner van [appellante] had moeten worden aangemerkt. Dat betekent dat de onder 1 genoemde besluiten herleven. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten van 26 februari 2018.7.    De Belastingdienst/Toeslagen dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:I.    verklaart het hoger beroep gegrond;II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 juli 2018 in zaken nrs. 18/2516 en 18/2517;III.    vernietigt de besluiten van de Belastingdienst/Toeslagen van 26 februari 2018, kenmerken [...].T.SC.18.2 en [...].T.SC.18.3;IV.    herroept de besluiten van de Belastingdienst/Toeslagen van 10 november 2017, kenmerken [...].T.SC.17.4 en [...].T.SC.17.5;V.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;VI.    veroordeelt de Belastingdienst/Toeslagen tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.560,00 (zegge: tweeduizend vijfhonderdzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;VII.    gelast dat de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 423,00 (zegge: vierhonderddrieëntwintig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. van Zanten, griffier.w.g. Borman    w.g. Van Zantenvoorzitter    griffierUitgesproken in het openbaar op 17 april 201997-882.Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir)Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder o:o. inkomensgegeven: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; […]Artikel 3. Partner:1. Partner van de belanghebbende is degene die ingevolge artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen als partner wordt aangemerkt. Artikel 2, zesde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing. […]Artikel 20. Herziening tegemoetkoming wegens alsnog beschikbaar komen of wijziging fiscale gegevens na toekenning:1. Indien na de toekenning van de tegemoetkoming uit een eerste vaststelling, eerste bepaling of wijziging van een inkomensgegeven of niet in Nederland belastbaar inkomen blijkt dat de tegemoetkoming tot een te hoog of te laag bedrag is toegekend, herziet de Belastingdienst/Toeslagen de tegemoetkoming met inachtneming van die eerste vaststelling, eerste bepaling of wijziging.2. De herziening geschiedt binnen acht weken na het tijdstip waarop het voor het eerst vastgestelde, voor het eerst bepaalde of gewijzigde inkomensgegeven aan de Belastingdienst/Toeslagen bekend is geworden dan wel de beschikking of uitspraak strekkende tot de in het eerste lid bedoelde vaststelling, bepaling of wijziging onherroepelijk is geworden.3. Een herziening op grond van dit artikel kan leiden tot een uit te betalen bedrag doch ook tot een terug te vorderen bedrag.Artikel 21. Herziening tegemoetkoming in het nadeel van belanghebbende om andere reden:1. De Belastingdienst/Toeslagen kan een toegekende tegemoetkoming herzien:a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan de Belastingdienst/Toeslagen bij de toekenning redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de tegemoetkoming vermoedelijk tot een te hoog bedrag is toegekend, ofb. indien de tegemoetkoming tot een te hoog bedrag is toegekend en de belanghebbende of zijn partner dit wist of behoorde te weten.2. Een tegemoetkoming kan met toepassing van dit artikel niet meer worden herzien indien vijf jaren zijn verstreken na de laatste dag van het berekeningsjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft.3. Een herziening op grond van dit artikel kan leiden tot een terug te vorderen bedrag.Artikel 26. Terugvordering is verschuldigd door belanghebbendeIndien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, is de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd.Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr)Artikel 5a:1. Als partner wordt aangemerkt:a. de echtgenoot;[…]4. In afwijking van het eerste lid wordt een persoon niet meer als partner aangemerkt ingeval:a. een verzoek, zoals bedoeld in artikel 150, respectievelijk 169 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek tot echtscheiding, respectievelijk tot scheiding van tafel en bed is ingediend, enb. hij niet meer op hetzelfde woonadres in de basisregistratie personen of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende registratie buiten Nederland staat ingeschreven als de belastingplichtige. […]Artikel 21, onderdeel e:e. inkomensgegeven:1°. indien over een kalenderjaar een aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het na afloop van dat kalenderjaar van betrokkene over dat kalenderjaar laatst bepaalde verzamelinkomen;2°. indien over een kalenderjaar geen aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het na afloop van dat kalenderjaar van betrokkene over dat kalenderjaar laatst bepaalde belastbare loon;