Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:1186

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 15-04-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 15-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:1186, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201901279/1/V3


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:1186:DOC

201901279/1/V3.Datum uitspraak: 15 april 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,appellant,tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 5 februari 2019 in zaak nr. NL19.1005 in het geding tussen:[de vreemdeling]ende staatssecretaris.ProcesverloopBij besluit van 15 januari 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.Bij uitspraak van 5 februari 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen.Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.C. Westermann-Smit, advocaat te Haarlem, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.Vervolgens is het onderzoek gesloten.Overwegingen1.    De staatssecretaris heeft de asielaanvraag van de vreemdeling niet in behandeling genomen, omdat hij Frankrijk krachtens de Dublinverordening (PB 2013, L 180) verantwoordelijk heeft geacht voor de behandeling daarvan. In de besluitvormingsfase heeft de staatssecretaris het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) verzocht om een medisch advies te geven over de gevolgen van de feitelijke overdracht voor de gezondheid van de vreemdeling. Bij brief van 28 november 2018 heeft het BMA voor de eerste keer te kennen gegeven dat het geen inhoudelijk medisch advies kon geven, omdat het patiëntendossier niet goed leesbaar was en de brief van de psychiater van 6 november 2018 onvoldoende informatie bevatte. Bij brief van 9 januari 2019 heeft het BMA opnieuw geen inhoudelijk medisch advies gegeven, omdat het de ontbrekende medische informatie van de meest recente behandelaren bij de Evenaar daarvoor noodzakelijk achtte.2.    De staatssecretaris klaagt in de enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij het besluit van 15 januari 2019 niet deugdelijk gemotiveerd heeft, omdat hij daarbij geen inhoudelijk medisch advies van het BMA heeft betrokken. Hij voert aan dat hij de vreemdeling vanaf 9 oktober 2018 in de gelegenheid heeft gesteld om de medische informatie over te leggen die het BMA voor een inhoudelijk medisch advies nodig had. Volgens hem komt het dan ook voor risico van de vreemdeling dat het BMA op 9 januari 2019 voor de tweede keer geen inhoudelijk medisch advies kon geven. Daarnaast betoogt de staatssecretaris, onder verwijzing naar het BMA-protocol van april 2016, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het BMA ook een inhoudelijk medisch advies kon geven zonder de medische informatie van de meest recente behandelaren.2.1.    Uit het arrest van het Hof van Justitie van 16 februari 2017, C.K. tegen Slovenië, ECLI:EU:C:2017:127, volgt dat als een vreemdeling aan zijn bewijslast voldoet door objectieve gegevens over te leggen die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen, de staatssecretaris bij het nemen van een overdrachtsbesluit krachtens de Dublinverordening moet beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen (zie de uitspraak van de Afdeling van 21 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4303). Zoals de staatssecretaris in hoger beroep toelicht, schakelt hij het BMA in om een medisch advies te geven over dat risico als een vreemdeling de hiervoor bedoelde objectieve gegevens overlegt.2.2.    De staatssecretaris klaagt terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het BMA ook zonder de informatie van de meest recente behandelaren een medisch advies kon uitbrengen, op basis van de medische informatie die wel beschikbaar was of op basis van eigen onderzoek. Het is aan de vreemdeling om aan te tonen dat zijn gezondheidstoestand zich tegen overdracht verzet. Als de overgelegde medische informatie incompleet is, meldt het BMA dit aan de staatssecretaris. Het is dan aan de vreemdeling om alsnog de benodigde informatie aan te leveren. Het BMA doet in dat geval niet zelf medisch onderzoek: het is aan de behandelend arts om een diagnose te stellen.2.3.    De rechtbank heeft echter terecht overwogen dat de staatssecretaris ten onrechte aan het besluit van 15 januari 2019 geen inhoudelijk medisch advies van het BMA ten grondslag heeft gelegd. Daardoor kleeft aan dat besluit een zorgvuldigheidsgebrek. De staatssecretaris heeft zich namelijk ten onrechte op het standpunt gesteld dat het ontbreken van dat advies voor risico van de vreemdeling komt. Weliswaar is niet in geschil dat de staatssecretaris de vreemdeling vanaf 9 oktober 2018 in de gelegenheid heeft gesteld om de ontbrekende medische informatie over te leggen, maar dat maakt niet dat hij de vreemdeling na de brief van het BMA van 9 januari 2019 terecht niet in de gelegenheid heeft gesteld om de informatie van de meest recente behandelaren alsnog aan te leveren. Zoals blijkt uit laatstgenoemde brief, heeft de vreemdeling namelijk alle medische informatie waar het BMA eerder om heeft gevraagd, alsnog overgelegd. Het BMA heeft pas in de brief van 9 januari 2019 te kennen gegeven dat het de informatie van de meest recente behandelaren nodig heeft. Gelet hierop heeft de staatssecretaris de vreemdeling ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld om deze medische informatie alsnog over te leggen.2.4.    Bij het voorgaande betrekt de Afdeling dat de staatssecretaris in de medische informatie die de vreemdeling in de besluitvormingsfase heeft overgelegd, aanleiding heeft gezien om het BMA om medisch advies te vragen. Daaruit volgt dat de staatssecretaris vond dat er twijfel bestond over de weerslag van de overdracht op de gezondheid van de vreemdeling (zie de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:92). In de door de staatssecretaris genoemde brieven van 25 en 28 januari 2019 staat weliswaar dat er geen dreiging van zelfdoding meer is en dat er geen psychiatrisch ziektebeeld is waargenomen, maar in de brief van de huisarts van 24 januari 2019 staat dat de vreemdeling meerdere lichamelijke en mentale problemen heeft die nader onderzoek vergen. In de brief van 28 januari 2019 koppelen de behandelaars "de wanhopige situatie" aan de asielprocedure. Ook stelt de vreemdeling in de schriftelijke uiteenzetting dat hij op een wachtlijst staat voor behandeling in een psychiatrische kliniek. De in beroep en hoger beroep overgelegde stukken doen dus niet af aan het oordeel onder 2.3.2.5.    De grief faalt.3.    Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. D.A. Verburg en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, griffier.w.g. Verheij    w.g. Van Leeuwenvoorzitter    griffierUitgesproken in het openbaar op 15 april 2019373-848.