Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:1185

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 15-04-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 12-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:1185, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201901967/2/V2


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:1185:DOC

201901967/2/V2.Datum uitspraak: 12 april 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:[de vreemdeling],verzoeker,tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 1 maart 2019 in zaak nr. NL19.1014 in het geding tussen:de vreemdelingende staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.ProcesverloopBij besluit van 11 januari 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.Bij uitspraak van 1 maart 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Voorts heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.Overwegingen1.    De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat hem gedurende die periode opvang en verstrekking voorzien bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers worden geboden.1.1.    Onder zaak nr. 201705278/1/V2 is bij de Afdeling het hoger beroep van de vreemdeling aanhangig, gericht tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 2 juni 2017. Op het door de vreemdeling in die zaak ingediende verzoek om een voorlopige voorziening heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bij uitspraak van 25 juli 2017 bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de vreemdeling niet wordt uitgezet totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist. De vreemdeling heeft daarom geen belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.2.    Het verzoek wordt als kennelijk ongegrond afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.BeslissingDe voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:wijst het verzoek af.Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, griffier.w.g. Drop    w.g. Wolffvoorzieningenrechter    griffierUitgesproken in het openbaar op 12 april 2019238.