Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:1170

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-04-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 11-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:1170, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201902536/2/V3


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:1170:DOC

201902536/2/V3.Datum uitspraak: 11 april 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:[de vreemdeling],verzoekster,tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 maart 2019 in zaak nr. NL19.4409 in het geding tussen:de vreemdelingende staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.ProcesverloopBij besluit van 21 februari 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.Bij uitspraak van 25 maart 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.Voorts heeft de vreemdeling de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.Overwegingen1.    Met haar verzoek om een voorlopige voorziening wil de vreemdeling voorkomen dat zij wordt uitgezet zolang niet is beslist op haar hoger beroep.2.    Hoewel de vreemdeling binnenkort wordt uitgezet, ziet de voorzieningenrechter in de bewaringsprocedure geen reden om die uitzetting te verbieden. In de bewaringsprocedure wordt namelijk alleen getoetst of de vreemdeling haar vrijheid mocht worden ontnomen. Zelfs als in hoger beroep blijkt dat de staatssecretaris de vreemdeling ten onrechte in bewaring heeft gesteld, betekent dat niet dat hij niet bevoegd was om haar uit te zetten.3.    Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond en wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.BeslissingDe voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:wijst het verzoek af.Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier.w.g. Troostwijk    w.g. Van Laarvoorzieningenrechter    griffierUitgesproken in het openbaar op 11 april 2019551-918.