Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:1162

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-04-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 11-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:1162, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201808891/1/V3


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:1162:DOC

201808891/1/V3.Datum uitspraak: 11 april 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,appellant,tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 31 oktober 2018 in zaak nr. NL18.19731 in het geding tussen:[de vreemdeling]ende staatssecretaris.ProcesverloopBij besluit van 23 oktober 2018 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.Bij uitspraak van 31 oktober 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend.Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H.G.A.M. Halfers, advocaat te Rotterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.Vervolgens is het onderzoek gesloten.OverwegingenOntvankelijkheid1.    In de schriftelijke uiteenzetting betoogt de vreemdeling dat het hoger beroep van de staatssecretaris niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Volgens de vreemdeling is de senior procesvertegenwoordiger die het hogerberoepschrift heeft ondertekend niet bevoegd om het hoger beroep in te stellen, omdat de staatssecretaris hem geen rechtstreekse machtiging heeft verleend.1.1.    Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt dat als een senior procesvertegenwoordiger van de Directie Procesvertegenwoordiging (thans: de Directie Juridische Zaken) namens de staatssecretaris hoger beroep heeft ingesteld, een nadere machtiging niet vereist is (zie onder meer de uitspraken van 2 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9731 en 6 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2272). Het betoog van de vreemdeling faalt.Hoger beroep2.    De vreemdeling is afkomstig uit Eritrea, is doof en spreekt niet. De communicatie, zoals tijdens de gehoren, vond plaats met behulp van een tolk in de Nederlandse Gebarentaal of schriftelijk met behulp van een tolk Tigrinya of een landgenoot van de vreemdeling. Tijdens het voorafgaand aan zijn inbewaringstelling gehouden gehoor heeft de vreemdeling verklaard dat hij last heeft van stress. Daarnaast heeft hij littekens getoond die wijzen op automutilatie. De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris de vreemdeling daarom voorafgaand aan zijn inbewaringstelling had moeten laten onderzoeken door een arts. Verder heeft de rechtbank overwogen dat uit het medisch dossier van de vreemdeling blijkt dat het vrijwel onmogelijk lijkt om zijn psychische problemen in detentie te behandelen door zijn plaatsing in het detentiecentrum en door de communicatieproblemen. Gelet hierop is de maatregel niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en berust deze niet op een deugdelijke motivering, aldus de rechtbank.3.    De enige grief van de staatssecretaris is gericht tegen de onder 2. vermelde overwegingen. Volgens de staatssecretaris heeft hij alle door de vreemdeling naar voren gebrachte (medische) omstandigheden kenbaar betrokken bij het opleggen van de maatregel van bewaring en heeft hij deugdelijk gemotiveerd waarom die omstandigheden niet leiden tot de toepassing van een lichter middel dan de inbewaringstelling of tot een belangenafweging die in het voordeel van de vreemdeling uitvalt. Onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 5 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2263, en 5 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:16, betoogt de staatssecretaris verder dat het aan de vreemdeling is om voorafgaand of tijdens zijn inbewaringstelling aannemelijk te maken dat hij door zijn medische klachten en/of beperkingen detentieongeschikt is. Uit die uitspraken volgt volgens de staatssecretaris niet dat de maatregel van bewaring bedoeld is voor het verlenen van de noodzakelijke medische zorg. Evenmin volgt uit die uitspraken dat een vreemdeling voorafgaand aan zijn inbewaringstelling door een arts moet worden onderzocht om na te gaan of hij wel detentiegeschikt is, aldus de staatssecretaris.3.1.    In de toelichting op de maatregel van bewaring is het volgende vermeld:"[…] Betrokkene is waarschijnlijk doof, heeft last van pijn in zijn knie en arm. Hij geeft aan last te hebben van stress en heeft daardoor de neiging om zichzelf te snijden. Betrokkene toonde dat aan middels het laten zien van littekens op zijn arm en gezicht. Hij geeft aan zich ook elders op zijn lichaam te snijden. Verder geeft betrokkene aan dat hij van de dokter een middel (tablet) kreeg om te kunnen slapen. De Farrarts is gewaarschuwd en zal betrokkene beoordelen en zo nodig voorzien van medische hulp. Voor betrokkene is tijdens zijn verblijf [op] het politiebureau en in het detentiecentrum de eventuele benodigde medische zorg aanwezig. Het opleggen van een lichter middel zal mijns inziens niet leiden tot een terugkeer van betrokkene naar Duitsland, aangezien betrokkene expliciet aangeeft naar zijn zus in Engeland te willen. […]"3.2.    De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de staatssecretaris de vreemdeling voorafgaand aan het nemen van de maatregel van bewaring door een arts had moeten laten onderzoeken. Het is immers aan de vreemdeling om aan te tonen dat hij detentieongeschikt is, en niet aan de staatssecretaris om het tegendeel te bewijzen (vgl. de hiervoor genoemde uitspraken van de Afdeling van 5 juli 2018 en 5 januari 2018). Uit de omstandigheden dat de vreemdeling heeft gemeld dat hij last heeft van stress en dat hij littekens heeft getoond die wijzen op automutilatie volgt niet dat hij detentieongeschikt is. Daarvan is immers pas sprake indien vaststaat dat de in detentie beschikbare medische zorg in het geval van de vreemdeling niet toereikend is. Ook kan sprake zijn van detentieongeschiktheid indien is aangetoond dat de vreemdeling niet in staat is de inbewaringstelling op verantwoorde wijze te ondergaan of wanneer zijn psychische omstandigheden in detentie door gebrek aan medische zorg zullen verslechteren. De vreemdeling heeft voorafgaand aan zijn inbewaringstelling niet met stukken aangetoond dat van (één van) die omstandigheden in zijn geval sprake is.3.3.    Het voorgaande laat evenwel onverlet dat sprake is van een kwetsbare vreemdeling. Dit gegeven moest de staatssecretaris bij het opleggen van de maatregel van bewaring betrekken. Uit de hiervoor onder 3.1. weergegeven toelichting op de maatregel blijkt dat de staatssecretaris dit ook heeft gedaan. Uit deze toelichting blijkt immers dat hij alle door de vreemdeling naar voren gebrachte medische omstandigheden bij het opleggen van de maatregel heeft betrokken. Ook blijkt hieruit dat een arts van de 'Forensische Artsen Rotterdam Rijnmond' (FARR) op de hoogte is gesteld van die omstandigheden, dat hij de vreemdeling zou beoordelen en zo nodig van medische hulp zou voorzien en dat de eventuele benodigde medische zorg op het politiebureau en in het detentiecentrum aanwezig is. Hiermee heeft de staatssecretaris de maatregel, anders dan de rechtbank heeft overwogen, deugdelijk gemotiveerd en met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Bovendien voldoet de onder 3.1 weergegeven toelichting aan de vereisten die het Hof van Justitie daaraan stelt in het arrest van 5 juni 2014, Mahdi, ECLI:EU:C:2014:1320. De rechtbank heeft dit niet onderkend.3.4.    De rechtbank heeft verder niet onderkend dat het medisch dossier van de vreemdeling pas na het opleggen van de maatregel van bewaring is opgesteld en ook pas toen bij de staatssecretaris bekend is geworden. De staatssecretaris kon daar ten tijde van de inbewaringstelling dus geen rekening mee houden. Dit neemt evenwel niet weg dat dit dossier wel van belang kan zijn bij de beoordeling van de vraag of de vreemdeling na zijn inbewaringstelling heeft aangetoond dat hij niet (langer) detentiegeschikt is. Dat is echter niet het geval. De staatssecretaris heeft ter zitting bij de rechtbank erop gewezen dat uit het medisch dossier weliswaar blijkt dat het verlenen van zorg in de situatie van de vreemdeling lastig is, maar dat dit niet geheel onmogelijk is. Bovendien heeft de staatssecretaris erop gewezen dat er zorg voor de vreemdeling is, dat hij extra in de gaten wordt gehouden door het personeel van het detentiecentrum en dat hij ook tijdens zijn detentie naar het ziekenhuis kan als daar aanleiding voor is. Bovendien blijkt uit het medisch dossier dat de vreemdeling in het gezelschap van bekenden kan omgaan met zijn psychische problemen en dat geen sprake is van acute problematiek, mede door het aanwezige cameratoezicht. De conclusie van dit alles is dat de vreemdeling met het overleggen van dit medisch dossier niet heeft aangetoond dat tussen zijn inbewaringstelling en de zitting bij de rechtbank in sprake was van detentieongeschiktheid.3.5.    De grief slaagt.4.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 23 oktober 2018 toetsen in het licht van de daartegen bij de rechtbank aangevoerde beroepsgronden voor zover daarop, na wat hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.Beroep5.    In beroep heeft de vreemdeling betoogd dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat in zijn geval een significant risico op onderduiken bestaat.5.1.    Aan de maatregel van bewaring heeft de staatssecretaris de gronden, genoemd in artikel 5.1b, derde lid, aanhef en onder a en b, en artikel 5.1b, vierde lid, aanhef en onder c en d, van het Vb 2000 ten grondslag gelegd. De vreemdeling heeft deze gronden niet betwist. Evenmin heeft hij betwist dat hij is aangetroffen in een trailer, omdat hij naar zijn zus in Engeland wilde reizen. Daarom heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat er een significant risico bestaat dat de vreemdeling zich aan zijn overdracht aan Duitsland zal onttrekken.De beroepsgrond faalt.6.    De beroepsgrond dat er geen zicht op een Dublinoverdracht binnen een redelijke termijn bestaat, faalt. De staatssecretaris heeft zich ter zitting bij de rechtbank op het standpunt gesteld dat er een claimakkoord met Duitsland is. Dit standpunt heeft de vreemdeling niet weersproken.7.    Het beroep is ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:I.    verklaart het hoger beroep gegrond;II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 31 oktober 2018 in zaak nr. NL18.19731;III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond;IV.    wijst het verzoek om schadevergoeding af.Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. D.A. Verburg en mr. A. Kuijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.w.g. Verheij    w.g. Vosvoorzitter    griffierUitgesproken in het openbaar op 11 april 2019644.