Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:1161

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-04-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 11-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:1161, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201808824/1/V1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:1161:DOC

201808824/1/V1.Datum uitspraak: 11 april 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,appellant,tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 4 oktober 2018 in zaak nr. 18/1732 in het geding tussen:[de vreemdeling]ende staatssecretaris.ProcesverloopBij besluit van 12 april 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.Bij besluit van 4 april 2018 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 4 oktober 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.C.M. van der Mark, advocaat te Goes, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.Vervolgens is het onderzoek gesloten.Overwegingen1.    Met de aanvraag beoogt de vreemdeling verblijf in het kader van nareis bij haar gestelde echtgenoot (hierna: referent) die Nederland in september 2015 is binnengekomen en aan wie de staatssecretaris op 6 januari 2016 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft verleend. De vreemdeling stelt op 1 mei 2014 met referent te zijn gehuwd en heeft stukken overgelegd, waaruit blijkt dat het huwelijk op 17 december 2015 is ingeschreven in de Syrische burgerlijke stand en dat een shariarechtbank in Syrië het huwelijk na binnenkomst van referent in Nederland heeft bekrachtigd en de huwelijksdatum heeft bepaald op 1 mei 2014.De staatssecretaris heeft de afwijzing van die aanvraag gehandhaafd omdat volgens hem naar Nederlands internationaal privaatrecht geen huwelijk bestond tussen de vreemdeling en referent op de datum van binnenkomst van referent in Nederland.2.    In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat uit de door de vreemdeling overgelegde stukken blijkt dat de shariarechtbank de huwelijksdatum van de vreemdeling en referent heeft bepaald op 1 mei 2014. Omdat de Syrische autoriteiten die datum als officiële huwelijksdatum aanmerken, volgt uit artikel 10:31, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW) dat het huwelijk per die datum naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig is. De staatssecretaris is daar in het besluit ten onrechte niet van uitgegaan, aldus de rechtbank.3.    De grief van de staatssecretaris is gericht tegen de onder 2. vermelde overwegingen van de rechtbank. De staatssecretaris voert aan dat de rechtbank heeft miskend dat uit de door hem ingebrachte kopie van een gedeelte van een Duitse vertaling van het Syrisch Burgerlijk Wetboek en uit het thematisch ambtsbericht documenten in Syrië van de minister van Buitenlandse Zaken van 9 oktober 2017 (hierna: het thematisch ambtsbericht) volgt dat een huwelijk in Syrië pas rechtsgeldig is indien het is ingeschreven in de Syrische burgerlijke stand. Daarnaast betoogt de staatssecretaris dat, ook indien naar Nederlands internationaal privaatrecht bij bekrachtiging van een in Syrië gesloten religieus huwelijk door een shariarechtbank moet worden uitgegaan van een rechtsgeldig huwelijk met de huwelijksdatum die de shariarechtbank heeft bepaald, dat geen betekenis heeft voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000). Verder heeft de rechtbank volgens de staatssecretaris niet onderkend dat ingevolge artikel 10:31, vierde lid, van het BW een huwelijk op grond van een huwelijksverklaring afgegeven door de bevoegde autoriteit slechts wordt vermoed rechtsgeldig te zijn. Dat klemt volgens de staatssecretaris in dit geval temeer omdat juist in deze zaak aanleiding bestaat om nader te onderzoeken of het huwelijk tussen de vreemdeling en referent aannemelijk is omdat zij tegenstrijdig hebben verklaard over essentiële en basale punten van hun feitelijke gezinsband.3.1.    Artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000 luidt:'Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan voorts worden verleend aan de hierna te noemen gezinsleden, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling behoorden tot diens gezin […]:a. de echtgenoot […] van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling;[…]'Artikel 10:31, eerste en vierde lid, van het BW luiden:'1. Een buiten Nederland gesloten huwelijk dat ingevolge het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden, wordt als zodanig erkend.4. Een huwelijk wordt vermoed rechtsgeldig te zijn, indien een huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit.'3.2.     Uit overweging 6 en 6.1 van de uitspraak van de Afdeling van 29 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3515, volgt dat de Afdeling uit het thematisch ambtsbericht afleidt dat een in Syrië gesloten religieus huwelijk dat is voltrokken of bekrachtigd door een shariarechtbank, in Syrië in beginsel rechtsgeldig is en dat ingevolge artikel 10:31, eerste lid, van het BW in beginsel moet worden uitgegaan van de rechtsgeldigheid van het desbetreffende huwelijk vanaf de datum die de shariarechtbank heeft bepaald als officiële huwelijksdatum, omdat dat de datum is die volgens het thematisch ambtsbericht voor de Syrische autoriteiten geldt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht geen doorslaggevende betekenis toegekend aan de door de staatssecretaris overgelegde kopie van een gedeelte van een Duitse vertaling van het Syrisch Burgerlijk Wetboek. Uit dat gedeelte kan niet zonder meer worden afgeleid dat, in tegenstelling tot hetgeen daarover in het thematisch ambtsbericht is vermeld, inschrijving in de Syrische burgerlijke stand is vereist voor de rechtsgeldigheid van een in Syrië gesloten religieus huwelijk. Daarnaast heeft de rechtbank terecht overwogen dat de door de staatssecretaris aangehaalde passage uit het thematisch ambtsbericht voor meerdere uitleg vatbaar is. Daaruit volgt evenmin zonder meer dat inschrijving in de Syrische burgerlijke stand is vereist voor de rechtsgeldigheid van een in Syrië gesloten religieus huwelijk. De grief faalt in zoverre.3.3.    Dat ingevolge artikel 29, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 bepalend is of een huwelijk rechtsgeldig is op het moment van binnenkomst van de desbetreffende referent in Nederland, neemt niet weg dat aan dat vereiste is voldaan indien een shariarechtbank het desbetreffende religieuze huwelijk dat vóór binnenkomst in Nederland van de desbetreffende referent in Syrië gesloten, na binnenkomst van die referent in Nederland heeft bekrachtigd en daarbij de officiële huwelijksdatum heeft bepaald op de datum van het religieuze huwelijk. Volgens het thematisch ambtsbericht is dat immers de officiële huwelijksdatum die voor de Syrische autoriteiten geldt, zodat ingevolge artikel 10:31, eerste lid, van het BW in beginsel moet worden uitgegaan van de rechtsgeldigheid van het huwelijk vanaf die datum. De grief faalt in zoverre.3.4.    Van de vraag of een rechtsgeldig huwelijk is tot stand gekomen, moet worden onderscheiden de vraag of sprake is van feitelijk gezinsleven. De staatssecretaris betoogt terecht dat een huwelijksverklaring die is afgegeven door een bevoegde autoriteit, ingevolge artikel 10:31, vierde lid, van het BW slechts een vermoeden van rechtsgeldigheid geeft en dat hij daarom in geval van twijfel over de inhoud van die huwelijksverklaring kan onderzoeken of daarmee het bestaan van een huwelijk is aangetoond (vgl. de onder 3.2 genoemde uitspraak van 29 oktober 2018). De staatssecretaris heeft echter - anders dan bij Eritrese kerkelijke huwelijksakten (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 16 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1509) - niet gemotiveerd dat een bekrachtiging van een religieus huwelijk door een shariarechtbank op zichzelf onvoldoende is om een huwelijk aan te tonen. Daarnaast is niet gebleken dat de bekrachtiging van de shariarechtbank in deze zaak niet authentiek is bevonden. Evenmin is gebleken dat wegens ongerijmdheden betreffende de inhoud van de bekrachtiging van de shariarechtbank - zoals het geval was in de zaak die ten grondslag ligt aan de uitspraak van 29 oktober 2018 - twijfel is ontstaan over de inhoud van die bekrachtiging.De staatssecretaris beperkt zich wat betreft de onder 3. vermelde tegenstrijdige verklaringen over het gestelde feitelijk gezinsleven tot het betoog dat het huwelijk tussen de vreemdeling en referent daardoor niet aannemelijk is. De staatssecretaris heeft echter niet gemotiveerd waarom de ongeloofwaardigheid van het door de vreemdeling gestelde feitelijk gezinsleven leidt tot de conclusie dat geen rechtsgeldig huwelijk tot stand is gekomen. De staatssecretaris betoogt daarnaast niet dat weliswaar sprake is van een rechtsgeldig huwelijk, maar dat de ongeloofwaardigheid van het gestelde feitelijk gezinsleven leidt tot de conclusie dat de vreemdeling desondanks niet tot het gezin van referent behoort in de zin van artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000.De grief faalt.4.    Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;III.    bepaalt dat van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een griffierecht van € 508,00 (zegge: vijfhonderdacht euro) wordt geheven.Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Es, griffier.w.g. Verheij    w.g. Van Esvoorzitter    griffierUitgesproken in het openbaar op 11 april 2019826.