Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:1160

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-04-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 11-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:1160, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201902344/2/V1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:1160:DOC

201902344/2/V1.Datum uitspraak: 11 april 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,verzoeker,tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 1 maart 2019 in zaak nr. 18/8881 in het geding tussen:[de vreemdeling]ende staatssecretaris.ProcesverloopBij besluit van 31 juli 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.Bij besluit van 29 oktober 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.Bij uitspraak van 1 maart 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Voorts heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.Overwegingen1.    Het verzoek strekt ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat de staatssecretaris in afwachting van de uitspraak op zijn hoger beroep geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank.2.    Gelet op wat is aangevoerd, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep in stand zal blijven. Gelet hierop en op de belangen die de staatssecretaris en de vreemdeling naar voren hebben gebracht, ziet de voorzieningenrechter aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.3.    Het verzoek moet als kennelijk gegrond worden toegewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.BeslissingDe voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid geen nieuw besluit op het gemaakte bezwaar hoeft te nemen voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.w.g. Bijloos    w.g. Schuurmanvoorzieningenrechter    griffierUitgesproken in het openbaar op 11 april 2019282-862.