Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:1158

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-04-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 11-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:1158, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201902353/2/V3


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:1158:DOC

201902353/2/V3.Datum uitspraak: 11 april 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,verzoeker,tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 19 maart 2019 in zaak nr. NL19.3885 in het geding tussen:[de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kind,ende staatssecretaris.ProcesverloopBij besluit van 19 februari 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.Bij uitspraak van 19 maart 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.Voorts heeft de staatssecretaris de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.Overwegingen1.    Het verzoek strekt ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat de staatssecretaris in afwachting van de uitspraak op zijn hoger beroep geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank.2.    Omdat de staatssecretaris als belang bij het treffen van een voorlopige voorziening slechts naar voren heeft gebracht dat hij geen dwangsom verschuldigd zal worden over de periode van de behandeling van het hoger beroep, wat geen belang is waar in de belangenafweging gewicht aan toekomt (zie de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 16 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:875), ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.3.    Het verzoek is kennelijk ongegrond en wordt afgewezen. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.BeslissingDe voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:wijst het verzoek af.Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, griffier.w.g. Bijloos    w.g. Vonkvoorzieningenrechter    griffierUitgesproken in het openbaar op 11 april 2019345.