Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:1148

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 10-04-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 10-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:1148, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201800635/1/R1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:1148:DOC

201800635/1/R1.Datum uitspraak: 10 april 2019AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAKUitspraak in het geding tussen:1.    [appellant sub 1], wonend te Ellecom, gemeente Rheden, en anderen,2.    Stichting Behoud Uiterwaardenlandschap, gevestigd te Dieren, gemeente Rheden,3.    [appellant sub 3], wonend te Ellecom, gemeente Rheden,4.    [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B] (hierna tezamen en enkelvoud: [appellant sub 4]), beiden wonend te Ellecom, gemeente Rheden,5.    [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], beiden wonend te Ellecom, gemeente Rheden,appellanten,ende raad van de gemeente Rheden,verweerder.ProcesverloopBij besluit van 28 november 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Ellecom, Eikenstraat ongenummerd, [locatie 1] en [locatie 2]" vastgesteld.Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen, de stichting, [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] beroep ingesteld.De raad heeft een verweerschrift ingediend.[appellant sub 1] en anderen, de stichting, [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] en de raad hebben nadere stukken ingediend.Landgoed Middachten heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 maart 2019, waar [appellant sub 1] en anderen, in de persoon van [appellant sub 1], [gemachtigden], de stichting, vertegenwoordigd door [gemachtigden], [appellant sub 3], bijgestaan door mr. E.F.J.A.M. de Wit, rechtsbijstandverlener te Leusden, [appellant sub 4], vertegenwoordigd door mr. T. van der Weijde, rechtsbijstandverlener te Amsterdam, [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], vertegenwoordigd door mr. T. van der Weijde, voornoemd, en [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door mr. R. Benhadi en mr. Y. Demirci, beiden advocaat te Nijmegen, en J.F.E. Perlitius en M. van der Leeden, zijn verschenen.Voorts zijn ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. R. Benhadi, voornoemd, en Landgoed Middachten vertegenwoordigd door mr. R. Benhadi, voornoemd, [gemachtigden], gehoord.OverwegingenOmschrijving plan1.    Het doel van het plan is om de eutrofiërende werking van meststoffen op zogeheten bronbossen in het landgoed Middachten, aan de zuidwestelijke kant van Ellecom, te verminderen. Verder heeft het plan tot doel een structuurverbetering van de landbouw binnen het landgoed tot stand te brengen en de bedrijfsvoering van [belanghebbende] te verruimen. Het plan voorziet daartoe in een verplaatsing van twee melkrundveehouderijen op de percelen [locatie 1] en [locatie 2] naar een zuidelijker gelegen perceel, Eikenstraat ongenummerd. Op het perceel [locatie 1] en het overerf zullen vijf woningen worden gebouwd na sloop van de boerderij. Op het perceel [locatie 2] worden de agrarische gebouwen vervangen door een woning, waarbij hobbymatig vee mag worden gehouden. Verder voorziet het plan in waterberging op een strook grond van 20 bij 180 m direct naast de Eikenstraat, op ongeveer 110 m ten noordwesten van het perceel Eikenstraat ongenummerd.[appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] wonen allen ten noorden en noordoosten van de percelen [locatie 1] en Eikenstraat ongenummerd en ten westen van [locatie 2]. Zij kunnen zich niet verenigen met alle plandelen behoudens de waterberging.De stichting kan zich niet verenigen met het plandeel Eikenstraat ongenummerd en de waterberging.Relevante (planologische) regelingen2.    Aan het perceel [locatie 1] en het bijbehorende overerf zijn, voor zover relevant, de bestemmingen "Wonen", "Tuin", "Agrarisch met waarden - natuur en landschap" en "Natuur" toegekend.Aan het perceel [locatie 2] zijn, voor zover relevant, de bestemmingen "Wonen", "Tuin" en "Agrarisch met waarden - natuur en landschap" toegekend.Aan het perceel Eikenstraat ongenummerd is, voor zover relevant, hoofdzakelijk de bestemming "Agrarisch met waarden - natuur en landschap" met de aanduiding "specifieke vorm van Agrarisch met waarden - melkveehouderij" toegekend. Binnen deze bestemming is een bouwvlak van 1,6 hectare toegekend. Voorts is voor een klein deel de bestemming "Tuin" aan het perceel toegekend.Aan de strook grond tussen [locatie 1] en Eikenstraat ongenummerd zijn, voor zover relevant, de bestemming "Natuur" en de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterstaatkundige functie" toegekend.3.    De relevante wettelijke bepalingen en planregels die ten grondslag liggen aan de hierna volgende rechtsoverwegingen, zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.Ontvankelijkheid4.    De raad heeft gesteld dat de beroepen van [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, omdat deze personen geen belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb zijn bij het besluit tot vaststelling van het plan. Daartoe stelt de raad dat deze personen op afstanden van minimaal 370 m van het perceel Eikenstraat ongenummerd wonen en geen gevolgen van enige betekenis ondervinden van de activiteiten waarin het plan voorziet.5.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271, onder 3.2, is het uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een vergunning - toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef-, of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.De Afdeling zal hierna per plandeel beoordelen of [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] belanghebbende daarbij zijn.[locatie 1]6.    De kortste afstand tussen de woningen van [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] en het plandeel [locatie 1] bedraagt ongeveer 380 m. De hoogst mogelijke bebouwing die binnen dit plandeel mogelijk is, is binnen de woonbestemming en bedraagt op grond van artikel 7, lid 7.2.1, aanhef en onder c en lid 7.3, onder a, van de planregels 8,4 m. De andere bestemmingen, waar geen bouwvlak is voorzien, laten alleen lagere bouwwerken, niet zijnde gebouwen, toe. Tussen de woningen staan bos en gebouwen, zodat vanuit de woningen van appellanten aan de Buitensingel, Binnenweg, Laan van Athlone en Laan van Avegoor geen zicht bestaat op dit plandeel. Gelet op deze afstand en de beperkte bouw- en gebruiksmogelijkheden die het plan voor het perceel [locatie 1] biedt, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] gevolgen van enige betekenis ondervinden van dit plandeel.[locatie 2]7.    De kortste afstand tussen de woningen van [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] en het plandeel [locatie 2] is ongeveer 320 m. Het plan voorziet hier binnen de woonbestemming in één woning, die op grond van artikel 7, lid 7.2.1, aanhef en onder c en lid 7.3, onder a, van de planregels maximaal 8,4 m hoog mag zijn, en in het hobbymatig houden van vee. De andere bestemmingen, waar geen bouwvlak is voorzien, laten alleen lagere bouwwerken, niet zijnde gebouwen, toe. Gezien de afstand en de beperkte bouw- en gebruiksmogelijkheden die hier gelden, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] gevolgen van enige betekenis ondervinden van dit plandeel.Eikenstraat ongenummerd8.    De kortste afstand tussen de woningen van [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] en het plandeel Eikenstraat ongenummerd is 370 m.8.1.    [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] hebben in reactie op het verweer van de raad aangevoerd dat zij zicht zullen hebben op de bedrijfsgebouwen. Deze zullen, inclusief ophoging van de gronden, tot 13 boven het maaiveld mogen worden gebouwd. De gebouwen zullen niet geheel worden afgeschermd door groen. Verder stellen zij dat zij geuroverlast zullen ondervinden, zowel vanuit de stal, als vanaf de weilanden buiten het plangebied, die intensiever zullen worden beweid en bemest. In dit verband wijzen zij er op dat de Afdeling in haar uitspraken van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271, en 1 april 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH9238, appellanten die op 300 tot 600 m van een mestbassin respectievelijk op 370 m van een melkrundveehouderij woonden als belanghebbenden heeft aangemerkt. Ook stellen zij licht vanuit de stal te kunnen zien. Daarnaast zullen bomen in hun omgeving door ammoniak worden aangetast en zullen zij verkeers- en transportgeluiden gaan horen. Verder zal de veiligheid voor fietsers op de Eikenstraat worden aangetast door het transportverkeer. Tot slot stellen zij dat er negatieve gevolgen voor hun gezondheid zullen optreden.8.2.    De Afdeling overweegt dat gezien de toegestane bouwhoogte van 11 m ten behoeve van een kapconstructie van de stal en de ophoging van de gronden zicht op de stallen kan bestaan vanuit de woningen van [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B]. Gelet op de afstand tussen de woningen, de aanwezigheid van bomen tussen de woningen en de stal en de bomen die volgens het in artikel 14, lid 14.2 verplicht gestelde Inrichtings- en beeldkwaliteitsplan Eikenstraat ongenummerd moeten worden geplant aan de noordoostelijke grens van het perceel, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat zij zicht van enige betekenis op de stallen zullen hebben.Over de geuremissie vanuit de stal overweegt de Afdeling dat de raad een advies van de GGD, gedateerd 21 augustus 2017, heeft overgelegd, waarin is ingegaan op de te verwachten gevolgen voor de gezondheid en geur vanwege het plan. In het advies is vermeld dat geur van rundvee (waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen melkkoeien en jongvee) nauwelijks tot (ernstige) hinder leidt. Verder wordt geadviseerd bij melkkoeienaantallen van 301 tot 500 een afstand aan te houden van 150 tot 300 m afhankelijk van de stalsoort. Mede gelet hierop en nu het plan blijkens de specifieke gebruiksregels van artikel 3.4 in samenhang met de aanduiding "specifieke vorm van Agrarisch met waarden - melkveehouderij" enkel voorziet in een melkrundveehouderij, acht de Afdeling het niet aannemelijk dat op een afstand van 370 m geur van enige betekenis waarneembaar zal zijn. De door appellanten genoemde uitspraken van 23 augustus 2017 en 1 april 2009, maken dit niet anders, aangezien die zien op andere situaties. In de uitspraak van 23 augustus 2017 ging het immers om een losstaand mestbassin op een agrarisch perceel in de vorm van een bak met opgaande randen en een afdichting waar met enige regelmaat mest werd bijgeladen en gelost. Het voorliggende plan voorziet niet in een dergelijk mestbassin, maar in een stalsysteem waar de mest onder de stal wordt opgevangen. In de uitspraak van 1 april 2009 ging het om een melkrundveehouderij waar meer dan tweemaal zoveel koeien en jongvee en ook twee fokstieren en 30 schapen werden gehouden.Over de beweiding en bemesting van gronden buiten het plangebied overweegt de Afdeling dat het niet aannemelijk is dat de eventuele toename van rundvee op die gronden gevolgen van enige betekenis voor de geurbelasting bij de woningen met zich brengt. De hoeveelheid mest die op gronden buiten het plangebied mag worden uitgereden is afhankelijk van de regelgeving op grond van de Meststoffenwet. Het plan ziet hier niet op.Over het licht overweegt de Afdeling dat de raad aan de hand van foto’s van andere melkrundveehouderijen met een vergelijkbare stal inzichtelijk heeft gemaakt dat er op een afstand van 370 m nauwelijks zicht bestaat op de stalverlichting. Gelet hierop en op de in artikel 14, lid 14.2, onder e, van de planregels voorgeschreven wijze van verlichten en de voorgeschreven landschappelijke inpassing, acht de Afdeling het niet aannemelijk dat lichtuitstraling van enige betekenis waarneembaar is bij de woningen van [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B].Over de neerslag van ammoniak overweegt de Afdeling dat het niet aannemelijk is dat de bomen in de directe omgeving van [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] zodanige invloed van die neerslag zullen ondergaan, dat deze personen hier gevolgen van enige betekenis van ondervinden.Met betrekking tot het geluid van transportbewegingen en de veiligheid op de Eikenstraat overweegt de Afdeling dat [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] op minimaal 430 m wonen van de Eikenstraat. Gelet op de afstand tussen de weg en het perceel Eikenstraat ongenummerd enerzijds en de woningen anderzijds, acht de Afdeling het niet aannemelijk dat [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] gevolgen van enige betekenis als gevolg van transportbewegingen zowel op de weg als op het bedrijfsterrein zullen ondervinden. Dat zij als fietsers gebruik maken van de Eikenstraat maakt niet dat zij zich onderscheiden van andere inwoners van Ellecom die gebruik maken van die weg. Zij hebben derhalve geen hun persoonlijk aangaand kenmerkend belang als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb.Over de gezondheid overweegt de Afdeling dat in het eerder genoemde advies van de GGD is vermeld dat op basis van onderzoeken van het RIVM rundveebedrijven niet als specifieke risicobron voor gezondheidsproblemen zijn aan te wijzen, in tegenstelling tot pluimveebedrijven en geitenhouderijen. Ook voor fijnstof is vermeld dat het niet aannemelijk is dat een geringe toename in de bijdrage van de melkveehouderij een substantieel verschil maakt. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] gevolgen van enige betekenis voor de gezondheid zullen ondervinden.Het voorgaande leidt de Afdeling tot de conclusie dat [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] geen belanghebbende zijn bij het plandeel Eikenstraat ongenummerd.9.    Hetgeen hiervoor is overwogen betekent dat [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] geen belanghebbenden als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb zijn bij het bestreden besluit en dat hun beroepen daarom niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.Het beroep van de stichtingOntvankelijkheid van de stichting10.    De raad heeft gesteld dat het beroep van de stichting niet-ontvankelijk is. Ter zitting heeft de raad dit betoog beperkt tot de stelling dat niet is gebleken dat de stichting sinds 2016 feitelijke werkzaamheden verricht.10.1.    Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.    Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.Om te kunnen bepalen of het belang van de Stichting rechtstreeks is betrokken bij het bestreden besluit is, naast haar doel, van belang of zij feitelijke werkzaamheden verricht met het oog op de behartiging van haar doelstelling.10.2.    De doelstelling van de stichting luidt volgens artikel 2, eerste lid, van haar statuten: "De stichting heeft ten doel het verrichten van al hetgeen kan bijdragen aan de instandhouding en bescherming van de uiterwaarden in het stroomgebied van de IJssel, het waken tegen de aantasting van de uiterwaarden door ecologische verbindingen tussen de Veluwe en uiterwaarden (het zogenaamd Haviker Poort-project), het behouden van flora en fauna in haar huidige staat, zomede het verrichten van al hetgeen met het vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn."Tussen partijen is niet in geschil dat de Haviker Poort een zone is die als uitwisselingsgebied zou moeten dienen voor dieren tussen de Natura 2000-gebieden Rijntakken en Veluwe. Het uitwisselingsgebied wordt bij benadering in het oosten begrensd door de N317 en in het westen door de IJssel. Het plangebied ligt binnen deze zogenaamde Haviker Poort.10.3.    De Afdeling overweegt dat de stichting in haar nadere stukken en ter zitting inzichtelijk heeft gemaakt dat zij sinds haar oprichting in 2004 feitelijke werkzaamheden verricht in het kader van het behoud van de uiterwaarden. Zo is correspondentie gevoerd met diverse overheden en zijn folders verspreid over projecten in de uiterwaarden en is er een wandelinformatietocht met de Algemene Waterschapspartij gehouden, waarbij de stichting haar standpunten heeft uitgedragen. Sinds 2016 heeft de stichting zich geconcentreerd op de procedure rondom het voorliggende plan, aangezien dat in de Haviker Poort ligt. Naar het oordeel van de Afdeling kan onder deze omstandigheden niet worden geoordeeld dat de stichting geen feitelijke werkzaamheden verricht. De stichting heeft daarom een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang dat zij in het bijzonder behartigt. De stichting kan daarom als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb worden aangemerkt en er is geen aanleiding het beroep om die reden niet-ontvankelijk te verklaren.Strijd gemeentelijk beleid11.    De stichting kan zich niet verenigen met de bestemming van het perceel Eikenstraat ongenummerd en het perceel [locatie 2]. Zij betoogt dat deze plandelen zijn vastgesteld in strijd met het gemeentelijk Landschapsontwikkelingsplan Rheden - Rozendaal uit 2007 (hierna: Landschapsontwikkelingsplan), dat is opgesteld in verband met het vorige bestemmingsplan "Landelijk gebied 2009", en het Beeldkwaliteitsplan Landelijk Gebied uit 2009 (hierna: Beeldkwaliteitsplan).11.1.    Ter zitting heeft de stichting gesteld dat haar betoog over de strijdigheid van het plandeel Eikenstraat ongenummerd met het Landschapsontwikkelingsplan en het Beeldkwaliteitsplan zo moet worden opgevat dat dit plandeel een terp omvat die als een hoogwatervluchtplaats voor dieren dient. Om die reden moet het gebied onbebouwd blijven. Ook zal de veehouderij de landschappelijke openheid aantasten. Ter zitting heeft de stichting erkend dat uit het beleid niet voortvloeit dat de terp om redenen van hoogwater niet mag worden bebouwd. Verder heeft de raad toegelicht dat het plandeel weliswaar in strijd is met het uitgangpunt van openheid, zoals het Beeldkwaliteitsplan dat als doelstelling noemt, maar dat in dit geval afwijking van het beleid is gerechtvaardigd omdat met het plan de eutrofiërende werking op de bronbossen kan worden verminderd en de veehouderij bovendien landschappelijk wordt ingepast. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft mogen stellen.De Afdeling ziet gelet op het voorgaande in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het plandeel Eikenstraat ongenummerd niet op deze wijze had mogen worden vastgesteld. Het betoog slaagt in zoverre niet.11.2.    Ten aanzien van het perceel [locatie 2] heeft de stichting op de zitting verduidelijkt dat hier hobbymatig paarden kunnen worden gehouden, terwijl in paragraaf 2.3.1 van deel 2 van het Landschapsontwikkelingsplan is vermeld dat uit een enquête is gebleken burgers van Ellecom meer paarden in het landelijk gebied als een probleem zien. Anders dan de stichting kennelijk veronderstelt, is in het Landschapsontwikkelingsplan niet vermeld dat het hobbymatig houden van paarden, zoals het plan dat ter plaatse mogelijk maakt, niet mogelijk zou moeten zijn in het gebied waarin dit perceel ligt. De Afdeling ziet in het aangevoerde daarom geen grond voor het oordeel dat het plandeel [locatie 2] in strijd met het Landschapsontwikkelingsplan is vastgesteld. Evenmin ziet de Afdeling in het aangevoerde aanleiding voor het oordeel dat dit plandeel in strijd is met het Beeldkwaliteitsplan. Het betoog slaagt ook in zoverre niet.Haviker Poort12.     De stichting betoogt dat de nieuwvestiging van de veehouderij op het perceel Eikenstraat ongenummerd plaatsvindt in het uitwisselingsgebied Haviker Poort. De veehouderij zal tot belemmeringen van die ontwikkeling leiden. Zo kunnen bijvoorbeeld dierziekten overslaan op groot wild. Ook kan er wildschade optreden. Voorts stelt zij dat het weiland om de veehouderij heen intensief beheerd gaat worden en dus geen nut meer heeft voor flora en fauna. Verder stelt de stichting dat het plan geen positief effect heeft op de natuur. Op het plandeel [locatie 1] worden immers bedrijfsgebouwen uitgeruild tegen woningen en ook de waterbergingslocaties worden al jaren via overeenkomsten als zodanig beheerd.12.1.    De Afdeling stelt vast dat voor het inrichten of gebruik van de Haviker Poort als uitwisselingszone voor dieren geen beleid of regels bestaan. Niettemin kan de raad in het kader van een goede ruimtelijke ordening belang hechten aan het bestaan van een uitwisselingszone tussen de Natura 2000-gebieden Rijntakken en Veluwe. Het gebied dat partijen beschouwen als de Haviker Poort is aanzienlijk breder dan alleen het perceel Eikenstraat ongenummerd. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voldoende ruimte overblijft om de Haviker Poort als uitwisselingszone te laten dienen. Niet gebleken is dat door het oprichten van de veehouderij op dat perceel de Haviker Poort niet meer als uitwisselingszone kan worden gebruikt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in redelijkheid na afweging van de betrokken belangen een groter gewicht kunnen toekennen aan de belangen die met het plan gemoeid zijn, zoals het verminderen van de eutrofiërende werking van de veehouderij op het perceel [locatie 1], dan aan het belang van de stichting om dit deel van de Haviker Poort onbebouwd te laten. Het betoog slaagt niet.Hoogwatervluchtplaats13.    De stichting betoogt dat het perceel Eikenstraat ongenummerd op een terp ligt, die als hoogwatervluchtplaats voor dieren dient. Volgens haar verliest de terp bij hoogwater zijn functie als tijdelijke vluchtplaats en foerageergebied wanneer de bedrijfsgebouwen zijn opgericht. Zij wijst er op dat gedurende de hoge waterstanden van 1993 en 1995 dieren op de terp zijn waargenomen. Verder betoogt de stichting dat het plan binnen de natuurbestemming voorziet in een waterberging. Deze waterberging zal belemmerend werken voor vluchtende dieren in geval van hoogwater.13.1.    De raad heeft onderzocht of de terp als hoogwatervluchtplaats functioneert. In het rapport "Hoogwater in de Havikerwaard en de Ellecomse Polder", gedateerd 16 mei 2017, is vermeld dat als de bouwkavel overeenkomstig het inrichtingsplan is gerealiseerd er meer dekking voor dieren zal zijn dan nu het geval is. Ook de factor rust is dan gunstiger ten opzichte van de huidige situatie, aldus het rapport. Met haar enkele stelling dat het rapport is gebaseerd op bureauonderzoek en dat tijdens de overstromingen in 1993 en 1995 dieren op de terp zijn waargenomen heeft de stichting niet inzichtelijk gemaakt dat de conclusie van het rapport onjuist is. Verder heeft de raad ter zitting gesteld dat in de omgeving waterhuishoudkundige ingrepen hebben plaatsgevonden waardoor er een kleinere kans is op overstromingen van het gebied. Ook om die reden is het volgens hem niet nodig de terp onbebouwd te laten. Voorts heeft de raad ter zitting inzichtelijk gemaakt dat tijdens hoogwater voldoende foerageermogelijkheden in de directe omgeving van de terp overblijven. De stichting heeft deze stellingen van de raad niet deugdelijk onderbouwd bestreden. De Afdeling ziet daarom geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan het belang dat gemoeid is met het plan een groter gewicht toekomt dan aan het belang van de stichting om de terp onbebouwd te laten.Over de waterberging overweegt de Afdeling dat de raad ter zitting inzichtelijk heeft gemaakt dat dieren hetzij zwemmend de waterberging kunnen oversteken hetzij via de Eikenstraat, die hoger ligt dan de waterberging, of via het ten westen daarvan gelegen gebied naar hoger gelegen gebieden in het noorden kunnen vluchten. De stichting heeft dit niet onderbouwd bestreden. Gelet hierop ziet de Afdeling in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een waterberging ter plaatse mogelijk heeft kunnen maken.Het betoog slaagt niet.Stikstofberekeningen14.    De stichting stelt dat de passende beoordeling die deel uitmaakt van het milieueffectrapport geen juist beeld geeft van de stikstofdepositie. Zij stelt dat gebruik is gemaakt van het achterhaalde rekenprogramma AAgro-Stacks.14.1.    De Afdeling ziet in het betoog van de stichting geen aanleiding voor het oordeel dat het rekenmodel AAgro-stacks niet voldoende representatief en betrouwbaar is om te worden gebruikt voor een berekening van stikstofdepositie en evenmin dat het beschikbaar komen van AERIUS aanleiding biedt daar anders over te oordelen (vergelijk de uitspraak van 15 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:416). Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat met een ander rekenmodel, zoals AERIUS, nader onderzoek had moeten worden verricht met de stikstofdepositie als gevolg van dit plan. Het betoog slaagt niet.Conclusie15.    De beroepen van [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B] en [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] zijn niet-ontvankelijk. Het beroep van de stichting is ongegrond.16.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.BeslissingDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:I.    verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B] en [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] niet-ontvankelijk;II.    verklaart het beroep van de Stichting Behoud Uiterwaardenlandschap ongegrond.Aldus vastgesteld door mr. J. Kramer, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, griffier.w.g. Kramer    w.g. Van Helvoortvoorzitter    griffierUitgesproken in het openbaar op 10 april 2019361.Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)Artikel 8:1 van de Awb luidt:"Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter."Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb luidt: "Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken."PlanregelsArtikel 3, lid 3.1, van de planregels luidt:"a. De voor 'Agrarisch met waarden - natuur en landschap' aangewezen gronden zijn bestemd voor:1. het grondgebonden agrarisch gebruik van de gronden met behoud van het visueel open karakter van het landschap, echter met uitzondering van het gebruik als boomkwekerij, kwekerij, intensieve veehouderij en paardenfokkerij;2. het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwetenschappelijke waarden;3. ondergeschikt extensief recreatief medegebruik;4. bedrijfswoningen;5. het hobbymatig houden van dieren.b. De gronden zijn tevens bestemd voor gebiedsontsluitings- en erftoegangswegen, paden, groenvoorzieningen, sloten, waterhuishoudkundige voorzieningen, hemelwaterinfiltratievoorzieningen en rioleringswerken en andere bijbehorende voorzieningen."Artikel 3, lid 3.2.1, luidt: "Voor gebouwen gelden de volgende regels:a. een gebouw dient binnen een bouwvlak te worden gebouwd;b. de bouwhoogte mag niet meer dan 6 m bedragen dan wel 11 m ten behoeve van een kapconstructie;c. de maximale oppervlakte bedrijfsgebouwen bedraagt 5.000 m²."Artikel 3, lid 3.4 luidt: "Onder gebruik in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan:a. het houden van meer dan 300 melkkoeien en 168 stuks vrouwelijk jongvee of het houden van dieren van een andere diercategorie, zoals opgenomen in de verleende vergunning Wet Natuurbescherming (d.d. 27-5-2015, kenmerk 2014-001864) , ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van Agrarisch met waarden - melkveehouderij';b. het houden van melkkoeien en vrouwelijk jongvee op een ander stalsysteem, ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van Agrarisch met waarden - melkveehouderij', waarbij de totale ammoniakemissie hoger is dan de vergunde ammoniakemissie op basis van de verleende vergunning Wet Natuurbescherming (d.d. 27-5-2015, kenmerk 2014-001864), waarbij de ammoniakemissie wordt bepaald op basis van de actuele ammoniak emissiefactoren, zoals opgenomen in de Regeling ammoniak en veehouderij."Artikel 11, lid 11.1 luidt: "De voor 'Waterstaat - Waterstaatkundige functie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:a. water, waterhuishoudkundige - en waterstaatsdoeleinden, en het beheer en onderhoud ervan;b. de afvoer en berging van water, ijs en sediment;c. de vergroting, de bescherming en het behoud van de beschikbare afvoer- en bergingscapaciteit."Artikel 14, lid 14.2 luidt:"a. De gronden mogen uitsluitend worden gebruikt in overeenstemming met het gestelde in Bijlage 1 Inrichtings- en beeldkwaliteitsplan Eikenstraat ongenummerd [...] van deze regels waarbij geldt dat:1. binnen twee jaar na start van de bouwwerkzaamheden op Eikenstraat ongenummerd de landschappelijke inpassing zoals opgenomen in Bijlage 1 Inrichtings- en beeldkwaliteitsplan Eikenstraat ongenummerd [...] gereed dient te zijn;[...]e. De stallen ten behoeve van het houden van vee mogen alleen worden gebruikt wanneer aan de volgende regels wordt voldaan:1. De hoofdverlichting in de stallen is alleen in gebruik tussen 6:00 en 23:00 uur.2. De lichtsterkte mag maximaal 100 lux bedragen op vloerniveau in de stal.3. De armaturen worden op maximaal halverwege de dakhelling of hoger naar binnen gericht opgehangen, zodat er sprake is van verticale lichtuitstroming in plaats van lichtuitstroming naar buiten."