Uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:10

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 02-01-2019. De uitspraak is gedaan door Raad van State op 02-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RVS:2019:10, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 201801810/1/A1


Bron: Rechtspraak

nl
ECLI:NL:RVS:2019:10:DOC

201801810/1/A1.Datum uitspraak: 2 januari 2019
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te Apeldoorn,
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Gelderland van 25 januari 2018 in zaak nr. 17/4322 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn.
Procesverloop
Bij besluit van 14 december 2016 heeft het college geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen voor het gebruik van het pand op het perceel [locatie] te Apeldoorn als fietsenspeciaalzaak.
Bij besluit van 6 juli 2017 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij mondelinge uitspraak van 25 januari 2018 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 6 juli 2017 vernietigd, het bezwaar van [appellante] tegen het besluit van 14 december 2016 niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 december 2018, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde]], bijgestaan door mr. I.E. Nauta, advocaat te Deventer, en het college, vertegenwoordigd door A.J.C. Leysner, zijn verschenen.
Overwegingen
1.    [appellante] huurt het pand aan de [locatie] te Apeldoorn (hierna: het pand). Zij is voornemens het pand onder te verhuren aan [bedrijf] ten behoeve van een conceptstore voor fietsen.
    Op 9 september 2016 is bij het college een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het gebruiken van het pand in strijd met het bestemmingsplan ten behoeve van de vestiging van de conceptstore. Op het aanvraagformulier is onder het kopje "Aanvrager bedrijf" [bedrijf] vermeld. Onder het kopje "Gemachtigde bedrijf" is [appellante] opgenomen.
    Het college heeft de gevraagde vergunning geweigerd en dit na het bezwaar van [appellante] gehandhaafd.
    Ter zitting van de rechtbank heeft het college een aantal nog ontbrekende pagina’s van het aanvraagformulier overgelegd en zich op het standpunt gesteld dat daaruit volgt dat [appellante] geen belanghebbende is bij het besluit van 14 december 2016 omdat niet zij, maar [bedrijf] de aanvrager is.
2.    De rechtbank heeft overwogen dat uit de aanvraag blijkt dat [appellante] de gemachtigde is van [bedrijf] en de aanvraag namens haar heeft ingediend. Dit betekent dat [appellante] geen belanghebbende is bij het besluit van 14 december 2016. Dat [appellante] het pand huurt, maakt dat niet anders, omdat uit de huurovereenkomst slechts een afgeleid belang voortvloeit. De rechtbank heeft in dat verband verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 20 oktober 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AR4300. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college het bezwaar van [appellante] niet ongegrond, maar niet-ontvankelijk had moeten verklaren en vervolgens zelf in de zaak voorzien door het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren.
3.    [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij de aanvrager van de omgevingsvergunning is. [appellante] heeft in de aanvraag vermeld dat zij voornemens is het pand te verhuren aan [bedrijf], die er een conceptstore in wil vestigen. Daaruit blijkt dat [appellante] zichzelf als aanvrager beschouwt. Het college heeft haar eveneens als aanvrager beschouwd. Zo zijn alle gesprekken over de aanvraag met [appellante] en niet met [bedrijf] gevoerd. Ook de correspondentie van het college, waaronder het besluit van 14 december 2016, was uitsluitend gericht aan [appellante].
3.1.    Artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt: "Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken."
    Artikel 8:1 luidt: "Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter."
    Artikel 7:1, eerste lid, luidt: "Degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken (…)."
3.2.    Bij een besluit dat strekt tot weigering van een vergunning voor met het bestemmingsplan strijdig gebruik, is in beginsel slechts het belang van de aanvrager rechtstreeks betrokken.
    Zoals onder 1 is overwogen, is [bedrijf] op het aanvraagformulier als aanvrager opgenomen en [appellante] als gemachtigde. Dat [appellante] zichzelf als aanvrager beschouwt omdat zij voornemens is het pand onder te verhuren ten behoeve van de conceptstore, kan niet afdoen aan de gegevens op het aanvraagformulier. Hetzelfde geldt voor de stelling van [appellante] dat het college haar als aanvrager zou hebben beschouwd. Daarvan is bovendien onvoldoende gebleken. Weliswaar is de begeleidende brief bij het besluit van 14 december 2016 gericht aan [appellante], maar in dit besluit is [bedrijf] als aanvrager aangemerkt.
    Het betoog faalt.
4.    [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij als huurder van het pand een rechtstreeks belang heeft bij het besluit van 14 december 2016. Zij kan het pand namelijk onderverhuren en heeft het eerste recht van koop van de aandelen van de besloten vennootschap die eigenaar is van het pand. [appellante] mag dus het gebruik van het pand bepalen. Het besluit van 14 december 2016 frustreert het door haar gewenste gebruik en raakt haar daarom rechtstreeks in haar belang. [appellante] betoogt voorts dat haar situatie niet kan worden vergeleken met de situatie in voormelde uitspraak van 20 oktober 2004. Het besluit van 14 december 2016 is namelijk niet op initiatief van het college, maar naar aanleiding van een aanvraag van [appellante] genomen. Dit besluit is voorts niet gericht aan de eigenaar van het pand, zodat de gevolgen van dit besluit [appellante] niet slechts via de eigenaar van het pand raken. Verder raakt het besluit van 14 december 2016 [appellante] niet in contractuele verplichtingen die zij moet nakomen, maar in de mogelijkheden om het pand te laten gebruiken op de door haar gewenste wijze. Ter zitting heeft [appellante] hieraan toegevoegd dat ook uit de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2101, volgt dat zij een rechtstreeks belang heeft.
4.1.    Het door [appellante] omschreven belang bij het besluit van 14 december 2016 vloeit voort uit de contractuele relatie die zij wenst aan te gaan met [bedrijf] als onderhuurder van het pand. [appellante] heeft dan ook slechts een afgeleid, aan de aanvrager parallel, belang. De door [appellante] genoemde verschillen tussen haar situatie en de situatie, waarop de uitspraak van 20 oktober 2004 betrekking heeft, zijn niet relevant voor de beantwoording van de vraag of [appellante] een rechtstreeks belang heeft en leiden dan ook niet tot een ander oordeel dan dat van de rechtbank. De verwijzing naar de uitspraak van 27 juni 2018 kan evenmin leiden tot de conclusie dat [appellante] een rechtstreeks belang heeft, reeds omdat, anders dan in die zaak, het beoogde gebruik van het pand ten tijde van het besluit op bezwaar van 6 juli 2017 nog niet plaatsvond.
    Het betoog faalt.
5.    [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat, als [bedrijf] als aanvrager moet worden aangemerkt, het college het besluit van 14 december 2016 aan haar had moeten toezenden en niet uitsluitend aan [appellante]. Nu dat niet is gebeurd, is het besluit niet op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt en daarom niet in werking getreden. Omdat het college ervoor heeft gekozen met [appellante] te corresponderen, kon zij als gemachtigde zelfstandig bezwaar maken tegen het besluit van 14 december 2016, aldus [appellante].
5.1.    Artikel 3:40 van de Awb luidt: "Een besluit treedt niet in werking voordat het is bekendgemaakt."
    Artikel 3:41, eerste lid, luidt: "De bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager."
    Artikel 2:1, eerste lid, luidt: "Een ieder kan zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen."
5.2.    Onder verwijzing naar de uitspraken van 18 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:431, en 20 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:87, overweegt de Afdeling dat uit artikel 2:1 van de Awb voortvloeit dat het optreden van een gemachtigde tot gevolg heeft dat het contact met de belanghebbende in beginsel via deze gemachtigde verloopt. Indien een besluit aan de bij het bestuursorgaan bekende gemachtigde wordt toegezonden, is sprake van bekendmaking op de voorgeschreven wijze. Anders dan [appellante] betoogt, was het college dan ook niet gehouden het besluit van 14 december 2016 aan [bedrijf] toe te zenden. Dat dit besluit aan [appellante] is toegezonden, brengt voorts niet met zich dat zij zelfstandig op eigen naam ontvankelijk bezwaar kon maken tegen dit besluit. Het optreden van [appellante] als gemachtigde maakt haar nog geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
    Het betoog faalt.
6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, griffier.
w.g. Hoekstra    w.g. Graaff-Haasnootlid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2019
531-912.