Uitspraak ECLI:NL:RBZWB:2020:735

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 18-02-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 19-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBZWB:2020:735, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is C/02/368168 / KG ZA 20-60


Bron: Rechtspraak

center
100
888a60ca-66b2-45c7-bdd4-aaf0df4cb655
2
13
image/png

center
100
183a23ae-ab6b-4c8e-b789-6fb66f16b817
2
523
image/png


RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster II Handelszaken

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/368168 / KG ZA 20-60

Vonnis in kort geding van 19 februari 2020

in de zaak van

[eiseres]

wonende te [woonplaats] ,eiseres,advocaat mr. Z.M. Alaca,
tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
OSURO HOLDING BV

gevestigd te Leiden,gedaagde,advocaat mr. L.C.M. Berger.

ECLI:NL:RBZWB:2020:735:DOC
nl

center
100
888a60ca-66b2-45c7-bdd4-aaf0df4cb655
2
13
image/png

center
100
183a23ae-ab6b-4c8e-b789-6fb66f16b817
2
523
image/png


RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster II Handelszaken

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/368168 / KG ZA 20-60

Vonnis in kort geding van 19 februari 2020

in de zaak van

[eiseres]

wonende te [woonplaats] ,eiseres,advocaat mr. Z.M. Alaca,
tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
OSURO HOLDING BV

gevestigd te Leiden,gedaagde,advocaat mr. L.C.M. Berger.
1

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-

de dagvaarding van 29 januari 2020, met producties genummerd 1 tot en met 13,

de akte overlegging producties van de zijde van gedaagde, ter griffie ingekomen op 4 februari 2020, met producties genummerd 1 tot en met 10,

het faxbericht d.d. 4 februari 2020 van de zijde van eiseres, met bijlagen,

het faxbericht d.d. 5 februari 2020 van de zijde van gedaagde, met bijlage,

de mondelinge behandeling, gehouden op 5 februari 2020,

de spreekaantekeningen van de zijde van gedaagde.

1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2

2.1.
Eiseres vordert, zakelijk weergegeven, dat de rechtbank bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. onmiddellijk het beslag, zoals omschreven in de registers van het Kadaster, op het woonhuis van eiseres staande en gelegen te [woonadres] , opheft en dat beslag in het Kadaster direct doorhaalt, beide zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag voor het geval gedaagde weigert daaraan te voldoen; subsidiair een verklaring voor recht afgeeft dat het beslag op voornoemd woonhuis niet strekt tot zekerheid van verhaal van welke vordering dan ook van gedaagde en daartoe ook niet kan dienen; II. gedaagde veroordeelt in de proceskosten te vermeerderen met de verschuldigde griffiegelden en de nakosten; III. gedaagde veroordeelt om, indien zij niet wenst mee te werken aan de opheffing van het beslag op het onroerende goed, eiseres te machtigen om op kosten van gedaagde die opheffing van het onroerend goed te realiseren;IV. gedaagde te veroordelen om de beslagen op de gelden van eiseres op de derdenrekening van de Stichting derdengelden Teekens/Karstens binnen 2 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis op te heffen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat gedaagde weigert daaraan te voldoen en de beslagen gelden direct aan eiseres ter beschikking te stellen; V. gedaagde te veroordelen, in het geval mr. J. Langelaar beslag zou hebben gelegd op de gelden die Teekens & Karstens voor gedaagde onder zich houdt voor een vermeende vordering die hij op haar zou hebben, om het totaal van de gelden die zij onder beslag heeft doen leggen uit eigen zak aan eiseres te voldoen waartegenover eiseres zich reeds nu voor alsdan verplicht haar rechten op die gelden onder beslag bij de Stichting derdengelden Teekens Karstens in eigendom tot zekerheid over te dragen aan gedaagde; VI. gedaagde te veroordelen om de beslagen op de gelden van eiseres die zij van [naam] tegoed heeft binnen 2 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis op te heffen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat gedaagde weigert daaraan te voldoen en de beslagen gelden direct aan eiseres beschikbaar te stellen.
2.2.
Ter zitting heeft eiseres de subsidiaire vordering onder I. en vordering V. ingetrokken. Ten aanzien van vordering IV. en VI. heeft eiseres verzocht deze zo te lezen dat wordt gevorderd dat de voorzieningenrechter zelf de beslagen opheft.
2.3.
Gedaagde voert verweer en concludeert tot afwijzing van de door eiseres ingestelde vorderingen.
overwegingen

3

3.1.
Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de onbetwiste inhoud van de producties, staat tussen partijen het volgende vast:
-

Op 30 juli 2018 is door de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam verlof verleend aan gedaagde, ter verzekering van verhaal van de door gedaagde gestelde vordering, tot het leggen van conservatoir derdenbeslag ten laste van eiseres onder GS Media BV en Stichting Beheer Derdengelden TeekensKarstens, met bepaling dat de eis in de hoofdzaak binnen twee weken na het eerstgelegde beslag dient te worden ingesteld.

Bij dagvaarding d.d. 10 augustus 2018 heeft gedaagde eiseres gedagvaard voor de rechtbank Zeeland-West-Brabant.

Op 20 december 2018 is door de voorzieningenrechter van deze rechtbank verlof verleend aan gedaagde, ter verzekering van verhaal van de door gedaagde gestelde vordering, tot het leggen van conservatoir derdenbeslag ten laste van eiseres onder de heer [naam] .

Op 9 april 2019 is door de voorzieningenrechter van deze rechtbank verlof verleend aan gedaagde, ter verzekering van verhaal van de door gedaagde gestelde vordering, tot het leggen van conservatoir beslag ten laste van eiseres op de BMW Z4 met kenteken [kentekennummer] en het aandeel van eiseres in de onroerende zaak aan de [woonadres] , kadastrale aanduiding Zundert [aanduiding] .

Bij tussenvonnis d.d. 24 april 2019 heeft de rechtbank overwogen, dat de vorderingen van gedaagde betreffende de aankoop van de auto ad € 12.000,00, de terugbetaling van drie facturen van eiseres ad € 36.905,00 en de vorderingen terzake de facturen van TeekensKarstens, Abin Accountants en Halkes ad € 34.052,18 zullen worden afgewezen. Ten aanzien van de vordering betreffende de door gedaagde gestelde geldlening van € 10.000,00 heeft de rechtbank gedaagde opgedragen te bewijzen dat zij – in persoon van haar bevoegd bestuurder destijds, de heer [naam] . – met eiseres is overeengekomen dat eiseres het aan haar verstrekte geldbedrag van € 10.000,00 aan gedaagde moest terugbetalen.

Op 19 juni 2019 heeft deze rechtbank eindvonnis gewezen. In dit vonnis is – voor zover hier van belang – geoordeeld:

“2.3. Nu Osuro heeft afgezien van bewijsvoering, geldt dat – gelet op de gemotiveerde betwisting van [naam] – niet in rechte is komen vast te staan dat het geldbedrag van

€ 10.000,- dat Osuro aan [naam] heeft verstrekt op 18 juni 2015, een geldlening betrof en dat op [naam] de verplichting rustte om dit bedrag aan Osuro terug te betalen. Om die reden zal dit deel van de vordering worden afgewezen.

2.4.
Ten aanzien van de overige vorderingen van Osuro is in het tussenvonnis van 24 april 2019 al overwogen dat deze zullen worden afgewezen.”

en is als volgt beslist:
“ De rechtbank

3.1.
wijst de vorderingen van Osuro af;

3.2.
veroordeelt Osuro in de proceskosten, die tot op heden aan de zijde van [naam] worden begroot op een bedrag van € 3.043,00.”

- Gedaagde is in hoger beroep gegaan van de vonnissen van 24 april 2019 en 19 juni 2019 en heeft eiseres bij dagvaarding d.d. 13 september 2019 gedagvaard om op dinsdag 15 september 2020 ter terechtzitting van het gerechtshof te `s-Hertogenbosch te verschijnen.
3.2.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat de door gedaagde ten laste van eiseres gelegde beslagen op grond van artikel 705 lid 2 Rv dienen te worden opgeheven en voert daartoe – samengevat – het volgende aan. Ten aanzien van de gelegde derdenbeslagen stelt eiseres dat gedaagde heeft verzuimd om in de verzoekschriften tot het leggen van dit beslag de vrees van verduistering te stellen, zodat het beslagrekest niet aan alle, op straffe van nietigheid voorgeschreven, vormvereisten voldeed. Ten aanzien van het beslag op het onroerend goed stelt eiseres dat in het beslagrekest niet is verzocht tot het leggen van beslag op het gehele onroerend goed, maar slechts op het aandeel van eiseres in dat onroerend goed, zonder enige nadere specificatie, terwijl dit wel is vereist. Daarbij wordt gesteld dat bij een (executoriale) verkoop van het onroerend goed de gehele opbrengst aan de hypotheekhouder zal toekomen, zodat het beslag geen doel zal treffen en gedaagde dan ook geen belang heeft bij handhaving van dit beslag.
Tot slot stelt eiseres dat voor alle gelegde beslagen geldt dat, nu door de rechtbank is vastgesteld dat er geen vorderingen jegens haar bestaan, gedaagde deze vorderingen ook niet zeker hoeft te stellen door middel van een beslag en dus geen belang meer heeft bij het beslag. Daarbij is eiseres een bekende Nederlandse die regelmatig werkzaamheden verricht waardoor zij inkomsten genereert, zodat een beslag niet noodzakelijk is om een eventuele vordering zeker te stellen. Eiseres stelt belang te hebben bij opheffing van de beslagen, nu zij wenst te verhuizen en een nieuw leven wenst te beginnen, na alle ellende van de procedures in de afgelopen tijd.

3.3.
Gedaagde heeft verweer gevoerd. Op dat verweer en op hetgeen partijen verder ter ondersteuning van hun standpunten hebben aangevoerd, zal in het hiernavolgende – voor zover van belang – nader worden ingegaan.
3.4.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Op grond van artikel 704 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) vervalt het conservatoir beslag van rechtswege nadat de uitspraak waarbij de eis in de hoofdzaak is afgewezen in kracht van gewijsde gaat. Dat is nu (nog) niet het geval. Derhalve geldt de regeling van artikel 705 Rv voor opheffing van het beslag.
Verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen

3.5.
Ingevolge art. 705 lid 2 Rv wordt de opheffing van conservatoir beslag onder meer uitgesproken indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd.
3.6.
De voorzieningenrechter begrijpt dat eiseres zich, met haar stellingen dat is verzuimd de vrees van verduistering te stellen ten aanzien van de derdenbeslagen en dat ten aanzien van het beslag op de onroerende zaak haar aandeel in het onroerend goed onvoldoende is gespecificeerd, op het standpunt stelt dat op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat hiervan geen sprake is en overweegt daartoe als volgt. Voor toewijzing van een verzoek tot het leggen van conservatoir derdenbeslag is het stellen van de vrees voor verduistering niet vereist. Van een op straffe van nietigheid voorgeschreven vorm is dan ook geen sprake. De – door gedaagde betwiste – stelling van eiseres dat, onvoldoende specifiek is aangegeven dat enkel wordt verzocht om op het aandeel van eiseres in de onroerende zaak beslag te leggen, kan evenmin tot opheffing van het beslag leiden. Uit het verzoekschrift tot het leggen van beslag en het door eiseres overgelegde proces-verbaal van beslaglegging volgt immers dat enkel op het aandeel van eiseres in het onroerend goed – en dus conform het verleende verlof – beslag is gelegd.
Ondeugdelijkheid ingeroepen recht

3.7.
Ingevolge art. 705 lid 2 Rv wordt de opheffing van conservatoir beslag eveneens uitgesproken indien summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld.
3.8.
De voorzieningenrechter begrijpt dat eiseres zich tevens, gelet op haar overige stellingen, op het standpunt stelt dat summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door gedaagde ingeroepen recht, dan wel dat het beslag onnodig is. De voorzieningenrechter overweegt dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad het op de weg van degene die opheffing van het conservatoire beslag vordert (in dit geval eiseres) ligt om, met inachtneming van de beperkingen van de procedure in kort geding, aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger (gedaagde) gepretendeerde vordering ondeugdelijk is en/of het beslag onnodig is. Die beoordeling kan niet los geschieden van een afweging van belangen. Die vereiste belangenafweging kan er enerzijds bijvoorbeeld toe leiden dat, indien de beslaglegger zijn vordering nog niet aannemelijk heeft gemaakt, dit niet onder alle omstandigheden noopt tot opheffing van het conservatoire beslag. Anderzijds kan een vordering wel degelijk in zekere mate aannemelijk zijn, maar niet voldoende om de ingrijpende gevolgen van het betreffende beslag voor de (gepretendeerde) schuldenaar te rechtvaardigen (vgl. HR 25 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT9060).
3.9.
De omstandigheid dat de vordering van gedaagde in de bodemprocedure is afgewezen, rechtvaardigt niet zonder meer het oordeel dat summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de vordering, indien tegen het vonnis of arrest een rechtsmiddel is ingesteld. Ook in een zodanig geval dienen de wederzijdse belangen van partijen te worden afgewogen, waarbij in aanmerking dient te worden genomen dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de hoofdzaak wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering voor de door het beslag ontstane schade kan worden aangesproken. De omstandigheid dat de rechter in de hoofdzaak reeds uitspraak heeft gedaan, dient hierbij te worden meegewogen. Van de rechter kan overigens niet worden gevergd dat hij in zijn vonnis mede een voorlopige beoordeling geeft van de kans van slagen van het door de beslaglegger tegen het vonnis aangewende rechtsmiddel (vgl. HR 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1559).
3.10.
De voorzieningenrechter overweegt, gelet op voornoemd toetsingskader, als volgt. In de bodemprocedure zijn de vorderingen van gedaagde afgewezen wegens het onvoldoende voldoen aan haar stelplicht dan wel het niet gebruik maken van haar mogelijkheid tot bewijsvoering. Het standpunt van gedaagde dat zij in hoger beroep uitgebreider aan haar stelplicht zal voldoen, zodat in hoger beroep vast zal komen te staan dat de vorderingen als geldlening, danwel als onverschuldigde betaling of als ongerechtvaardigde verrijking zullen worden gekwalificeerd, wordt niet gevolgd. Gedaagde heeft immers niet gesteld welke grieven zij in zal stellen in hoger beroep, maar heeft enkel de volgende door haar als nieuw gepresenteerde stellingen die zij in hoger beroep wenst aan te voeren genoemd: de curator van de heer [naam] . steunt de vorderingen van gedaagde, eiseres heeft in eerste aanleg met haar stelling erkend dat er een vordering op haar is, de vorderingen jegens eiseres komen gedaagde toe nu zij eveneens inningsbevoegd is ten aanzien van vorderingen van de heer [naam] . Dit betreffen echter niet nader gemotiveerde – en door eiseres betwiste – stellingen, of stellingen die reeds in eerste aanleg zijn behandeld en te licht bevonden. Onder deze omstandigheden neemt het standpunt van eiseres dat summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de door gedaagde ingestelde vorderingen, gelet op het afwijzende vonnis, in kracht toe. Hoewel een afwijzend vonnis niet doorslaggevend is bij de beoordeling of een beslag dient te worden opgeheven, levert het, gelet op voornoemde omstandigheden, wel een belangrijke factor op die mee dient te spelen in de belangenafweging.
Belangenafweging

3.11.
Eiseres heeft haar belang bij opheffing van de beslagen naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk gemaakt met haar stellingen dat zij reeds een lange periode stress en schade heeft ondervonden vanwege de gevoerde procedure en de gelegde beslagen. Daar komt bij dat, nu eiseres een bekende Nederlandse is, de zaak breed wordt uitgemeten in de media. Bovendien heeft, mede gelet op het feit dat gedaagde in hoger beroep is gegaan en de appeldagvaarding heeft aangebracht op een termijn van één jaar, te gelden dat eiseres nog een zeer lange tijd last zal blijven ondervinden van de gelegde beslagen. Specifiek ten aanzien van het beslag op de onroerende zaak betekent dit dat eiseres de onroerende zaak gedurende deze lange periode niet zal kunnen verkopen. Hoewel gedaagde heeft aangeboden om mee te werken aan de levering van de woning, zijn de voorwaarden waaronder zij deze medewerking wil leveren – namelijk het stellen van zekerheid door eiseres – voor eiseres niet haalbaar.
Tegenover dit belang van eiseres bij opheffing van de beslagen heeft gedaagde gesteld belang te hebben bij handhaving van de beslagen, omdat deze tot zekerheid van haar vorderingen in hoger beroep strekken. Voor gedaagde bieden de beslagen het enige verhaal op eiseres. Het derdenbeslag onder TeekensKarstens is geraakt door nog een ander beslag, zodat het de vraag is wat zal resteren van het beslagen bedrag. Het derdenbeslag onder [naam] heeft slechts een bedrag van € 2.000,00 getroffen. Gedaagde heeft een termijn van één jaar gehanteerd bij het instellen van het hoger beroep, omdat zij zichzelf de tijd wil gunnen om binnen de onderneming orde op zaken te stellen. Gedaagde stelt dat reeds is gebleken dat in vier jaar tijd al zo’n 15 miljoen euro, in de vorm van duizenden transacties aan diverse (rechts)personen, waaronder maar niet specifiek eiseres, waar geen verklaring voor is, uit de onderneming is verdwenen; er komen nog steeds nieuwe transacties naar boven, waarvoor nader onderzoek – hetgeen de nodige tijd zal kosten – noodzakelijk is.
3.12.
Gelet op het bovenstaande is de voorzieningenechter van oordeel dat de belangen van eiseres zwaarder dienen te wegen dan het enkel door gedaagde aangevoerde - en door eiseres betwiste - debiteurenrisico. Het eerste verlof tot het leggen van beslag is reeds op 30 juli 2018 gegeven; alleszins te verwachten is dat de conservatoire beslagen nog zeer lange tijd blijven liggen, niet in het minst veroorzaakt doordat gedaagde de zaak in hoger beroep op een termijn van ongeveer één jaar heeft aangebracht. Al die tijd zal eiseres te kampen blijven houden met forse stress en negatieve media-aandacht die haar zwaar vallen; bovendien blokkeren de beslagen - naar eiseres ter zitting aannemelijk heeft gemaakt – haar plannen om de woning van de hand te doen om naar elders te verhuizen.
Gedaagde heeft toegelicht dat de door haar gekozen, ongebruikelijk lange termijn voor het aanbrengen van de zaak in hoger beroep nodig is, omdat zij in haar administratie orde op zaken wil stellen. Deze keuze evenwel dient toegerekend te worden aan gedaagde zèlf en niet aan eiseres.De stelling van gedaagde dat – kennelijk ook ten aanzien van eiseres – nieuwe transacties naar boven komen, zodat gedaagde mogelijk haar eis zal vermeerderen in hoger beroep, is voor de belangenafweging niet relevant. De nieuwe vorderingen vallen immers niet onder het bereik van de reeds door gelegde conservatoire beslagen.
3.13.
Het voorgaande maakt dat de voorzieningenrechter de vorderingen van eiseres zal toewijzen met dien verstande dat de voorzieningenrechter, uit proceseconomisch oogpunt, op de voet van artikel 705 Rv, de gelegde beslagen zelf zal opheffen. Een dwangsom of een veroordeling tot medewerking aan de opheffing zoals gevorderd zal dan ook worden afgewezen.
3.14.
De vordering tot het per direct doorhalen van het beslag in het Kadaster door de voorzieningenrechter zal als ongegrond worden afgewezen.
Proces- en nakosten

3.15.
Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van eiseres worden begroot op:- dagvaarding € 100,89- griffierecht € 304,00- salaris advocaat €Totaal € 1.384,89
3.16.
De nakosten, waarvan eiseres betaling vordert, zullen op de in de beslissing weergegeven wijze worden begroot.
beslissing

4

De voorzieningenrechter
4.1.
heft op het door gedaagde ten laste van eiseres gelegde beslag op het woonhuis van eiseres staande en gelegen te [woonadres] ,
4.2.
heft op het door gedaagde ten laste van eiseres gelegde derdenbeslag onder Stichting derdengelden Teekens/Karstens,
4.3.
heft op het door gedaagde ten laste van eiseres gelegde derdenbeslag onder [naam] ,
4.4.
veroordeelt gedaagde in de proceskosten, aan de zijde van eiseres tot op heden begroot op € 1.384,89,
4.5.
veroordeelt gedaagde in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:€ 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en gedaagde niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,
4.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Poerink en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2020.

_0f235165-eb89-4aed-8ad3-5314aa48c512
1

type: EBcoll: