Uitspraak ECLI:NL:RBZWB:2020:544

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 07-02-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 10-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBZWB:2020:544, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 02/181094-19


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02-181094-19

vonnis van de politierechter van 10 februari 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1980 te [geboorteplaats]wonende te [adres verdachte]raadsman mr. R.B. Milo, advocaat te Tilburg.

ECLI:NL:RBZWB:2020:544:DOC
nl

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02-181094-19

vonnis van de politierechter van 10 februari 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1980 te [geboorteplaats]wonende te [adres verdachte]raadsman mr. R.B. Milo, advocaat te Tilburg.
1

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 27 januari 2020, waarbij de officier van justitie, mr. Nicolaes, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2

Verdachte staat terecht, ter zake dat:

3

3.1
De geldigheid van de dagvaarding.

De politierechter overweegt dat door de verdediging is betoogd dat de dagvaarding van verdachte slordig is opgesteld en vanwege een zekere mate van innerlijke tegenstijdigheid mogelijk zelfs partieel nietig verklaard zou moeten worden. Aangezien de verdediging er bewust voor heeft gekozen om aan dit betoog geen concrete conclusie te verbinden en de politierechter ook overigens, mede na de toelichting door de officier van justitie ter terechtzitting dat feit 2 enkel ziet op de verdovende middelen die in het pand zijn aangetroffen en feit 1 op de verdovende middelen in de twee dozen in de auto, van oordeel is dat de tenlastelegging voldoende concreet en duidelijk is, zal hij de dagvaarding geldig verklaren.
3.2
De bevoegdheid van de rechtbank

De politierechter is bevoegd.
3.3
De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De verdediging heeft erop gewezen dat de coffeeshops in kwestie modelcoffeeshops betref-fen, die al jaren worden gedoogd en elk jaar opnieuw laten zien dat zij zich strikt houden aan de voorwaarden die in de exploitatievergunning zijn opgenomen. Het Openbaar Ministerie is bekend met het gegeven dat coffeeshops slechts 500 gram handelsvoorraad op het terrein mogen hebben, waardoor de voorraad, gelet op de dagelijkse omzet, tussendoor zal moeten worden aangevuld. Deze zogenaamde ‘achterdeurproblematiek’ speelt reeds langer en is al veelvuldig door de rechter getoetst. Het Openbaar Ministerie heeft zich eerder verenigd met het gerechtelijk pardon dat door het gerechtshof te Den Bosch in 2015 is uitge-sproken. Gelet hierop stelt de verdediging zich op het standpunt dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat niet kan worden gesproken van enig met strafrechtelijke handhaving te beschermen belang bij vervolging.
De politierechter overweegt dat aan het oordeel dat het Openbaar Ministerie in de vervol-ging van een verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard, zware motiveringseisen worden gesteld. Voor een dergelijk oordeel is slechts dan ruimte wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministe-rie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn.

De politierechter is van oordeel dat van een dergelijke uitzonderlijke situatie in het onderhavige geval geen sprake is. Vooropgesteld moet worden dat de ‘achter-deurproblematiek’ vaker tot strafrechtelijke vervolging heeft geleid en maar zelden is uitgemond in het oordeel dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk is in de vervolging. De enkele keer dat dit wel gebeurde, werd het desbetreffende arrest gecasseerd door de Hoge Raad. Voorts heeft het Openbaar Ministerie ter terechtzitting gemotiveerd dat de beslissing om in deze zaak tot vervolging over te gaan - mede - is gebaseerd op een aantal recente beslissingen van rechtscolleges waarin het Openbaar Ministerie een lijn bespeurt die erop neerkomt dat er anders tegen de onderhavige problematiek wordt aangekeken, waarbij kritischer wordt getoetst en niet langer automatisch tot een gerechtelijk pardon wordt overgegaan. Hoewel de verdediging ter terechtzitting terecht heeft betoogd dat de recente uitspraken waar het Openbaar Ministerie aan refereert ook anders kunnen worden geduid, is met deze motivering de conclusie dat geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn, niet gerechtvaardigd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

3.4
Schorsing van de vervolging

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
overwegingen

4

4.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de processen-verbaal van bevindingen waarin wordt gerelateerd dat er in het pand [adres] te Tilburg een forse hoeveelheid verdovende middelen is aangetroffen, de processen-verbaal die ingaan op de aard en de hoeveelheden van deze verdovende middelen en de verklaringen van de verdachte en zijn medeverdachten hierover. De officier van justitie heeft daarbij aangegeven dat zij naast de 6.363 gram hennep en 2.389 gram hasj uitgaat van 3.509,40 gram hennep in de voorgerolde joints omdat deze enkel 0,15 gram hennep/hasj per stuk bevatten.
Voor wat betreft feit 1 baseert de officier van justitie zich voorts op het proces van bevin-dingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] waarin wordt gerelateerd dat zij verdachte zien lopen met twee dozen waarin later verdovende middelen worden aangetroffen.

4.2
Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich wat feit 1 betreft op het standpunt dat de politierechter met betrekking tot feit 1 niet tot een bewezenverklaring kan komen van 230 gram. Deze hoeveelheid is niet terug te vinden in het dossier.
De verdediging heeft met betrekking tot feit 2 betoogd dat niet bewezen kan worden verklaard dat de aangetroffen voorgedraaide joints gelijk te stellen zijn met ruim 23 kilogram hennep of hasj, zoals is ten laste gelegd. De officier van justitie heeft dit ter terechtzitting terecht bijgesteld naar ruim 3.500 gram.

4.3
Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

Op 21 november 2018 zijn verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] aan het surveilleren in het kader van het donkere dagen initiatief. Om 21:00 uur zien zij verdachte uit een bedrijfspand komen gelegen aan de [adres] te Tilburg. Verdachte heeft twee dozen bij zich die hij in de kofferbak plaatst van een aldaar geparkeerde auto met kenteken [kenteken] . De verbalisanten spreken verdachte aan en vinden dat hij zich daarop verdacht gedraagt. Nadat verdachte desgevraagd de kofferbak opent en één van de verbalisanten constateert dat een doos naar hennep ruikt, verklaart verdachte dat hij drugs vervoert. Verdachte verwijdert vervolgens het tape van één van de dozen en de verbalisanten zien dat zich in die doos meerdere kleine verpakkingen bevinden met het opschrift ‘ [naam coffeeshop] ’. De auto wordt vervolgens doorzocht waarna in de andere doos dezelfde kleine verpakkingen met het opschrift ‘ [naam coffeeshop] ’ worden aangetroffen.
Vervolgens wordt besloten om het pand aan de [adres] te controleren. Na binnenkomst in het pand wordt bovenaan de trap de medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) aangetroffen die daarop direct wordt aangehouden. Op de eerste verdieping treffen verbalisanten een ruimte aan die is ingericht als voorraadruimte voor producten genoemd op de Opiumlijst. De aangetroffen hennepproducten bestaan uit doosjes met wiet en hasj, verpakte joints en wiet- en hasjkoekjes. Op vrijwel alle verpakkingen van de inbeslaggenomen hennepproducten staat de naam ‘ [naam coffeeshop] ’.

De aangetroffen verdovende middelen zijn gewogen. Daarvoor is steekproefsgewijs de inhoud van de doosjes gewogen. Door de doosjes daarna bij elkaar op te tellen, is het netto gewicht aan wiet en hasj vastgesteld. Het nettogewicht plastic doosjes voorverpakte gebruikershoeveelheden wiet betrof 6.383 gram. Het nettogewicht plastic doosjes voor-verpakte gebruikershoeveelheden hasj betrof 2.389 gram. Het aantal in kartonnen doosjes verpakte joints met wiet of hasj betrof 23.396 stuks á 0,15 gram cannabis per stuk. Het aantal hasj en wietkoekjes betrof 863 stuks.

De verdovende middelen zijn daarna aanvullend onderzocht. De daarbij aangeboden partij verdovende middelen bestond uit plastic doosjes hennep, netto 6.363 gram met als goednummer PL2000-2018275043-1976104, plastic doosjes met hasj, netto 2.389 gram met als goednummer PL2000-2018275043-1976107, 863 hasj- en wietkoekjes met als goednummer PL2000-2018275043- 1976110 en 23.396 stuks verpakte joints met als goednummer PL2000-2018275043- 1976108. Uit elke aangeboden hoeveelheid materiaal is een representatief monster genomen dat is gewaarmerkt en getest met gebruik van de MMC Narcotest Cannabis. De tests gaven een positieve reactie voor THC, zijnde de werkzame stof in hennep en hasjiesj vermeld op lijst II, onderdeel b, van de Opiumwet.

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat het pand aan de [adres] te Tilburg wordt gehuurd via zijn bedrijf [bedrijf medeverdachte 2] . De verdovende middelen die op 21 november in het pand zijn aangetroffen, lagen daar ter bevoorrading van de vier coffeeshops van [naam coffeeshop] . Deze voorraad was bedoeld voor de komende vier á vijf dagen. De voorraad was verwerkt tot joints, koekjes en bakjes. In de [straat] werden geen inpakwerkzaamheden ver-richt. Binnen een bepaalde fiscale constructie vallen de vier coffeeshops onder [bedrijf medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] is eigenaar van deze fiscale structuur. [medeverdachte 1] en verdachte zijn werknemers van [medeverdachte 2] . Ze zijn als logistiek medewerker in loondienst van [bedrijf medeverdachte 2] .

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij werkzaam is voor [naam coffeeshop] . Hij houdt zich in dat kader bezig met transport. Het transport gaat van de locatie waar hij vandaan is gehaald naar de coffeeshop. Dit zijn er vier. In Den Bosch zitten er twee en in Tilburg zitten er twee. [medeverdachte 2] is zijn direct leidinggevende. In het pand waar hij is aangetroffen, was hij bezig met zijn werk. Hij was doende met het klaarmaken voor het transport van Tilburg. In de dozen die in de auto zijn aangetroffen, zat hasj en wiet. Deze drugs moesten naar de coffeeshop. Het waren twee dozen, dus was het voor twee shops. Zijn collega [naam] zou de dozen naar de coffeeshop brengen.

Verdachte heeft verklaard dat hij een dienstverband heeft bij [naam coffeeshop] , officieel [bedrijf medeverdachte 2] . De directeur is [medeverdachte 2] . Hij doet het transport naar en het aanvullen van de coffeeshops. Hij transporteert wiet, hasj en voorgedraaide joints. Zijn transporten gaan naar Den Bosch. De auto met kenteken [kenteken] is zijn werkauto. [naam coffeeshop] is eigenaar van de drugs die is aangetroffen is de auto. In beide dozen zat cannabis. Verdachte moest deze drugs brengen naar de shops van [naam coffeeshop] . In het pand aan de [straat] lag ook drugs. [naam coffeeshop] is hier eigenaar van. Verdachte weet dat hij moet leveren aan de hand van een scherm op zijn I-pad. Er wordt nooit meer geleverd dan 500 gram. Hiervoor bestaat een systeem. Er zijn bepaalde tijden gecreëerd dat ze goed op schema zitten.

Bewijsoverwegingen

De politierechter acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte exact of ongeveer 230 gram hennep en/of hasjiesj heeft vervoerd en aanwezig heeft gehad, zoals ten laste ge-legd onder feit 1. Het dossier biedt hiervoor onvoldoende aanknopingspunten. Wel is bewezen dat verdachte een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, heeft vervoerd en aanwezig heeft gehad. Gelet op het feit dat het om twee dozen gaat met daarin meerdere hennepproducten, staat voldoende vast dat het om een hoeveelheid van meer dan 30 gram gaat. De politierechter acht voorts niet wettig en overtuigend bewezen dat sprake is geweest van 23.396 gram hennep en/of hasjiesj zoals ten laste gelegd onder feit 2. Met de officier van justitie en de verdediging is de politierechter van oordeel dat deze hoeveelheid dient te worden gecorrigeerd omdat de aangetroffen joints enkel 0,15 gram cannabis per stuk bevatten. 23.396 x 0,15 gram komt neer op 3.509,4 gram. Aangezien niet alle joints afzonderlijk zijn gewogen en afgemeten en derhalve niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat alle joints precies 0,15 gram cannabis bevatten, zal 3.509,4 bewezen worden verklaard. Datzelfde geldt voor de overige aangetroffen hoeveelheden verdovende middelen. Omdat er is geëxtrapoleerd aan de hand van metingen aan kleine hoeveelheden, zal de politierechter 6.363 gram hennep en 2.389 gram hasjiesj bewezen verklaren.
De politierechter overweegt ten slotte dat hij onder feit 2 enkel het aanwezig hebben wettig en overtuigend bewezen acht. Het pand waar de verdovende middelen zijn aangetroffen, diende blijkens de verklaring van [medeverdachte 1] als opslagruimte waar de verschillende drugs gereed werden gemaakt voor transport. Hoewel dit laatste mogelijk impliceert dat in het pand ook werd verwerkt en bewerkt, blijkt uit het dossier niet dat dit op 21 november 2018 heeft plaatsgevonden.

4.4
De bewezenverklaring

De politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
De politierechter acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

1op 21 november 2018 te Tilburg opzettelijk heeft vervoerd aanwezig heeft gehad:een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;( art 11 lid 2 Opiumwet, art 3 ahf/ond B Opiumwet )
op 21 november 2018 te Tilburg tezamen en in vereniging met natuurlijke personen en rechtspersonen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk aanwezig heeft gehad:- een hoeveelheid van ongeveer 6.363 gram hennep;- een hoeveelheid van ongeveer 2.389 gram hasjiesj;- een hoeveelheid van ongeveer 3.509,40 gram hennep en/of hasjiesj;- 863 stuks koekjes bevattende een hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep en/of hasjiesj.( art 11 lid 2 Opiumwet, art 3 ahf/ond B Opiumwet )
5

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6

6.1
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf van 120 uur met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft gezeten. Daarnaast verzoekt de officier van justitie om verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen van twee maanden met een proeftijd van twee jaar.
6.2
Het strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om te volstaan met een schuldigverklaring zonder strafoplegging.
6.3
Het oordeel van de politierechter

De politierechter stelt voorop dat de onderhavige strafbare feiten zijn begaan in het kader van de exploitatie van een viertal coffeeshops. Verdachte was in dienst van [naam coffeeshop] en had een rol bij het gereedmaken en vervolgens vervoeren van de hennepproducten naar de shops. De Opiumwet stelt het telen, bewerken, verwerken, inkopen, opslaan, vervoeren, afleveren en verkopen van softdrugs strafbaar. De verkoop van softdrugs door coffeeshops wordt onder strenge voorwaarden gedoogd. Daartoe mogen coffeeshops een relatief kleine voorraad softdrugs van maximaal 500 gram aanhouden. De softdrugs die als gevolg van deze gedoogde verkoop via de voordeur de coffeeshops verlaten, dienen echter wel te worden aangevoerd. Tot op heden wordt de aanvoer van softdrugs ten behoeve van het op peil houden van de gedoogde voorraad van 500 gram softdrugs en het daartoe aanhouden van een zekere externe voorraad niet gedoogd.
Aan de orde is daarmee de kwestie van de ‘achterdeurproblematiek’ en door de verdediging wordt terecht de vraag gesteld of er in dit geval aanleiding zou moeten zijn om toepassing te geven aan het gerechtelijk pardon omdat - kort samengevat - vervolging geen redelijk doel dient. Bij de beantwoording van deze vraag zal de politierechter het arrest van het gerechtshof Den Bosch van 12 november 2015 (ECLI:NL:GHSHE:2015: 4514) als uitgangspunt nemen en toetsen aan de hierin geformuleerde criteria.

De politierechter overweegt dat niet in geschil is dat de onderhavige coffeeshops door de overheid worden gedoogd en dat het er, bij gebrek aan aanwijzingen voor het tegendeel, voor moet worden gehouden dat zij zich op 21 november 2018 hielden aan de in het kader van het AHOJG-beleid ontwikkelde gedoogvoorwaarden (kort gezegd inhoudende dat het (exploitanten van) coffeeshops verboden is te Afficheren, Harddrugs te verhandelen, Overlast te veroorzaken, Jeugdigen toe te laten en Grote hoeveelheden te verhandelen of op voorraad te hebben). Een tweede aspect dat van belang is voor de beoordeling van de vraag of de bestraffing nog een redelijk doel dient, betreft de bedrijfsvoering van de coffeeshops. Door [medeverdachte 2] is gesteld dat er een transparante administratie wordt gevoerd en in dat kader zijn arbeids-overeenkomsten van werknemers overgelegd, alsmede verkooplijsten van cannabisproduc-ten uit de periode waarin de tenlastegelegde datum valt. Aangezien deze stelling door het Openbaar Ministerie niet is betwist en ook overigens uit het dossier niet het tegendeel blijkt, gaat de politierechter ervan uit dat de administratie van de coffeeshops transparant en op orde was. Aan het feit dat [medeverdachte 2] in een separate strafzaak wordt vervolgd voor overtreding van de Opiumwet onder andere omdat de administratie niet op orde zou zijn, kan in dit kader geen gewicht worden toegekend omdat deze zaak nog niet onherroepelijk is en een andere periode betreft. Het derde aspect dat de politierechter bij zijn beoordeling betrekt, betreft de omvang en de noodzaak van de voorraad. In dat verband acht het politierechter van belang dat de in de externe opslagplaats aangetroffen voorraad bestond uit ongeveer 8,75 kilogram aan hennep- en hasjproducten, 23.396 voorgerolde joints en 863 weed- en hasjkoekjes. De totale hoe-veelheid komt neer op ongeveer 13 kilogram. Deze voorraad aan softdrugs was bestemd voor vier coffeeshops en blijkens de overgelegde verkooplijsten voldoende om de bedrijfs-voorraad van 500 gram van die coffeeshops gedurende anderhalve week op peil te houden. In dat licht is het voorstelbaar dat er een externe opslaglocatie werd gebruikt voor de bevoorrading van de coffeeshops, waarbij de politierechter vaststelt dat de omvang van die voorraad in relatie tot die exploitatie als acceptabel kan worden beschouwd. In het verlengde van het derde aspect, ligt een vierde aspect dat de politierechter van belang acht: de voorraad werd uitsluitend aangehouden ten behoeve van de vier gedoogde coffeeshops. De softdrugs waren individueel verpakt en voorzien van barcodes en het opschrift ‘ [naam coffeeshop] ’. Gesteld noch aannemelijk is geworden dat de voorraad mede bestemd was voor andere (illegale, niet-gedoogde) doeleinden of dat er sprake was van straat- of groothandel.
De politierechter komt aan de hand van deze vier aspecten tot de slotsom dat er in het geval van de verdachte sprake is van strafbare feiten die direct voortspruiten uit de bonafide bedrijfsvoering van de gedoogde coffeeshops. De politierechter is met de raadsman van oordeel dat de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd, de zaak zodanig inkleuren dat het gerechtvaardigd en passend is te bepalen dat hem geen straf of maatregel wordt opgelegd. De enkele schuldigverklaring is naar het oordeel van de politierechter een voldoende terechtwijzing.

De officier van justitie heeft er in haar requisitoir op gewezen dat er na voornoemd arrest van het gerechtshof te Den Bosch nieuwe jurisprudentie tot stand is gekomen waaruit valt af te leiden dat de opslag van hennepproducten in het kader van de bedrijfsvoering van een coffeeshop, onder de omstandigheden die in de onderhavige casus aan de orde zijn, niet langer in aanmerking komt voor een gerechtelijk pardon. De politierechter deelt dit standpunt niet. Hij overweegt daartoe op de eerste plaats dat er geen aanknopingspunten zijn dat de wetgever, noch de overheid in brede zin, anders tegen de achterdeurproblematiek is gaan aankijken, wat een eventuele aanpassing van de straftoemeting in dit type zaak zou rechtvaardigen. Sterker, de discussie om met nieuwe experimenten te starten waarbij coffeeshops verdergaande bevoegdheden krijgen, wordt op landelijke en lokaal niveau nog volop gevoerd en de vergunningen van de coffeeshops in kwestie zijn ook telkenmale verlengd. Voorts is de politierechter van oordeel dat in de door de officier van justitie aangehaalde arresten van meer recente datum niet zo zeer een strengere of andere toets wordt aangelegd met betrekking tot de achterdeurproblematiek, maar dat enkel wordt vastgesteld dat om één of meer redenen niet is voldaan aan de hiervoor geformuleerde criteria, hetgeen leidt tot de conclusie dat een gerechtelijk pardon niet passend is. Aan de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 februari 2019, ECLI:RVS:2019:486 komt in deze weinig gewicht toe omdat dit een administratiefrechte-lijke procedure betreft met een ander toetsingskader en andere belangen.

De officier van justitie heeft er ten slotte op gewezen dat het pand waar de verdovende middelen zijn aangetroffen, gehuurd werd door [naam coffeeshop] en dat het gereedmaken voor transport en het vervolgens vervoeren vanaf deze opslaglocatie naar de coffeeshops, werd uitgevoerd door personen in dienst van [naam coffeeshop] . Omdat deze wijze van handelen in strijd is met de voorwaarden in de exploitatievergunning, is het opleggen van een straf gerechtvaardigd en passend, aldus de officier van justitie. De politierechter deelt deze visie niet. Het volgen van deze redenering zou er toe leiden dat personen die professio-neel betrokken zijn bij een coffeeshop en de bevoorrading van de shop beleggen bij eigen mensen die zij kennen en vertrouwen, na vervolging een hoge straf opgelegd krijgen, terwijl coffeeshops die de bevoorrading uitbesteden aan onbekende criminelen, na vervolging enkel een gerechtelijk pardon riskeren. Deze discrepantie kan de politierechter niet uitleggen aan de verdachte en de maatschappij.

7

De beslissing berust op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
beslissing

8

De politierechter:
- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders ten laste is gelegd;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
- verklaart verdachte strafbaar;
- bepaalt dat ter zake van het bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Bewezenverklaring

Strafbaarheid

feit 1:

feit 2:

Strafoplegging

Dit vonnis is gewezen door mr. Prenger, politierechter, in tegenwoordigheid van K. Boudih, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 10 februari 2020.

De griffier is buiten staat om dit vonnis te ondertekenen.

_9577417c-dc86-4a24-bd7f-e8c0979d7f8e
1

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld het eindproces-verbaal met nummer PL2000-2018275043 van politie eenheid Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 81. proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op p. 8.
_5c391565-890b-4077-b99c-f65fe81928d9
2

proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] op p. 10.

_9f3c4e75-a313-4b85-a0c2-fa1a6351d459
3

proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] op p. 13.

_a9e14e20-86e2-4f0c-b469-e6e8876d2c0a
4

proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] op p. 22.

_782b2de0-4ce0-4e54-aa28-7ca3168d14f9
5

proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 6] op p. 28.

_b2e467ce-860f-4f32-a7e3-fa10d6d52f50
6

proces-verbaal van verhoor van verdachte op p. 73-74.

_7fa793cb-a01d-4e5c-b4c3-86cb1cc91f3e
7

proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] op p. 47-49.