Uitspraak ECLI:NL:RBZWB:2020:1340

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 20-03-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 20-03-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBZWB:2020:1340, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is AWB- 19_281


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANTuitspraak van de meervoudige kamer van 20 maart 2020 in de zaak tussen [naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eisereshet Dagelijks Bestuur van Orionis Walcheren (Orionis), verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
gemachtigde: mr. B.H. Vader,

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/281 PW

en

ECLI:NL:RBZWB:2020:1340:DOC
nl

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANTuitspraak van de meervoudige kamer van 20 maart 2020 in de zaak tussen [naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eisereshet Dagelijks Bestuur van Orionis Walcheren (Orionis), verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
gemachtigde: mr. B.H. Vader,
Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/281 PW

en

procesverloop

Procesverloop

In het besluit van 10 oktober 2018 (verrekeningsbesluit) heeft Orionis bepaald dat een door eiseres ontvangen transitievergoeding op haar uitkering in mindering zal worden gebracht.

In het besluit van 6 december 2018 (bestreden besluit) heeft Orionis het bezwaar van eiseres tegen het verrekeningsbesluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Orionis heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 12 februari 2020. Eiseres en haar gemachtigde zijn, na voorafgaand bericht, niet verschenen. Namens Orionis is verschenen mr. N.M. Feijtel.

Overwegingen

1. Eiseres ontvangt vanaf 18 december 2017 een uitkering op grond van de Participatiewet, in aanvulling op inkomsten uit een uitkering op grond van de Werkloosheidswet en uit een arbeidsovereenkomst met PostNL. De arbeidsovereenkomst met PostNL is door middel van een beëindigingsovereenkomst beëindigd op 30 juni 2018. Overeengekomen is daarbij dat aan eiseres een transitievergoeding toekomt van € 1.034,50 bruto.
2. Partijen verschillen van mening over de vraag of de transitievergoeding in mindering moet worden gebracht op de uitkering van eiseres. Het geschil spitst zich toe op de vraag of die vergoeding is aan te merken als inkomen in de zin van artikel 32 van de Participatiewet.
3. Voordat de rechtbank toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van het geschil staat zij stil bij het beroep van eiseres op betalingsonmacht wat betreft het griffierecht.
4. In artikel 32, eerste lid, van de Participatiewet wordt onder inkomen verstaan op grond van artikel 31 van de Participatiewet in aanmerking te nemen middelen voor zover deze betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid en betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.
5. Eiseres voert aan dat de transitievergoeding kan worden aangewend zonder vastomlijnd doel. De vergoeding is niet bedoeld als aanvullende inkomensvoorziening. In het geval van eiseres is de vergoeding aan te merken als materiële schadevergoeding.
6. De rechtbank overweegt dat noch uit de beëindigingsovereenkomst, noch uit de wettelijke bepalingen over de transitievergoeding blijkt dat eiseres beperkt is in de bestedingsvrijheid van de vergoeding. Niet is gebleken dat eiseres de vergoeding heeft gebruikt voor scholing, outplacement of om anderszins de werkloosheid te beperken. Zij was vrij om over de vergoeding te beschikken en heeft die, bijvoorbeeld, kunnen gebruiken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Zij heeft in beroep verklaard dat zij de vergoeding zonder vastomlijnd doel kan aanwenden voor diverse doeleinden.
7. Met verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 4 oktober 2019 (ECLI:NL:RBNHO:2019:8308), met name de overwegingen 8 tot en met 14 van die uitspraak, overweegt de rechtbank dat de transitievergoeding is aan te merken als inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Participatiewet.
8. Voor de opvatting van eiseres dat de transitievergoeding aan te merken is als materiële schadevergoeding zijn, in de beëindigingsovereenkomst of elders, geen aanknopingspunten te vinden. Niet blijkt dat de vergoeding door PostNL is toegekend in verband met de door eiseres in het aanvullend beroepschrift beschreven omstandigheden.9. Tegen de wijze waarop Orionis uitvoering heeft gegeven aan de verrekening heeft eiseres geen gronden aangevoerd, zodat de rechtbank dit verder buiten bespreking laat.
10. Het bestreden besluit houdt in rechte stand. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.
11. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.
Orionis heeft op 18 september 2019 aan eiseres om bewijsstukken met betrekking tot de transitievergoeding gevraagd. Volgens een rapportage van een inkomensbeheerder van Orionis heeft eiseres op 9 oktober 2018 telefonisch verklaard dat zij het bedrag van € 1.034,50 daadwerkelijk op haar rekening heeft ontvangen. In het verrekeningsbesluit heeft Orionis de transitievergoeding als inkomsten aangemerkt en bepaald dat die vergoeding op de uitkering in mindering zal worden gebracht door verrekening in gedeeltes met de uitkering over de maanden oktober, november en december 2018. Orionis heeft gebruik gemaakt van de bevoegdheid op grond van artikel 58, vierde lid, van de Participatiewet.
Het bezwaar van eiseres tegen het verrekeningsbesluit is in het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Op basis van de door eiseres verstrekte financiële gegevens heeft de griffier in een voorlopige beslissing van 9 april 2019 het beroep van eiseres op betalingsonmacht griffierecht afgewezen.

De rechtbank heeft de door eiseres verstrekte gegevens nader bezien en vastgesteld dat het beroep op betalingsonmacht ten onrechte is afgewezen. Eiseres wordt alsnog vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen en het door haar voldane griffierecht zal door de griffier worden teruggestort.

beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, voorzitter, en mr. P.H.J.G. Römers en mr. M.Z.B. Sterk, leden, in aanwezigheid van mr. P. Oudkerk, griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2020.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.