Uitspraak ECLI:NL:RBZWB:2020:1339

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 20-03-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 20-03-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBZWB:2020:1339, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is AWB- 19_4294


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANTuitspraak van 20 maart 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres,
gemachtigde: mr. W.P.J.M. van Gestel,

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/4294 ZW

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

ECLI:NL:RBZWB:2020:1339:DOC
nl

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANTuitspraak van 20 maart 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres,
gemachtigde: mr. W.P.J.M. van Gestel,
Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/4294 ZW

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

procesverloop

Procesverloop
Eiseres heeft bij brief van 30 juli 2019 bij het UWV bezwaar gemaakt tegen het besluit van 24 juni 2019 (bestreden besluit) van het UWV inzake de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van eiseres tegen de beëindiging van haar uitkering op grond van de Ziektewet.
Het UWV heeft dit bezwaarschrift ontvangen op 31 juli 2019 en bij brief van 9 augustus 2019 doorgezonden aan de rechtbank om als beroepschrift te worden behandeld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 19 februari 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Reitsma.

Overwegingen
1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.
2. De gemachtigde van eiseres heeft in beroep aangevoerd dat eiseres pas op 21 mei 2019 (een kopie van) het primaire besluit van 14 mei 2019 heeft ontvangen. Hij merkt daarbij op dat in de woonwijk van eiseres zeer regelmatig de post niet aankomt. Op 21 mei 2019 heeft eiseres met het UWV gebeld om aan te geven dat het voor haar onmogelijk was om tijdig bezwaar te maken, omdat de website van het UWV in die periode een aantal dagen digitaal onbereikbaar was. Eiseres verkeerde op dat moment in zware stress. Door een medewerker van het UWV werd haar verteld dat zij zich geen zorgen hoefde te maken. Ook als haar bezwaarschrift te laat zou worden ontvangen, zou er met de inhoud rekening worden gehouden. Op 9 juli 2019 heeft een medewerker van het UWV tegen een medewerker van de Sociale Raadslieden medegedeeld dat tot 5 augustus 2019 bezwaar ingediend kon worden. Eiseres was wegens haar depressieve klachten niet goed in staat om de situatie te overzien. Volgens de gemachtigde van eiseres kan het, alles overziend, eiseres niet worden aangerekend dat zij (pas) op 4 juni 2019 bezwaar heeft gemaakt en heeft het UWV eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar.
3. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.
Eiseres ontving een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).

Bij besluit van 14 mei 2019 (primair besluit) heeft het UWV eiseres medegedeeld dat zij vanaf 17 mei 2019 weer arbeidsgeschikt is voor haar eigen werk en dat daarom vanaf die datum haar uitkering wordt beëindigd.

Op 4 juni 2019 heeft eiseres digitaal bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Het UWV heeft het bezwaarschrift op diezelfde dag ontvangen.

Bij bestreden besluit van 24 juni 2019 heeft het UWV het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard vanwege een niet-verschoonbare termijnoverschrijding van de bezwaartermijn.

Artikel 75k van de ZW bepaalt dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift in een geschil als bedoeld in artikel 75j, in afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), twee weken bedraagt, tenzij het geschil betrekking heeft op een beoordeling als bedoeld in artikel 19ab van de ZW.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 6:9, eerste lid van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft, ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift, niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.1
De rechtbank stelt vast dat het primaire besluit is gedateerd op 14 mei 2019. Tussen partijen is niet in geschil dat het besluit met dagtekening 14 mei 2019 op die dag is verzonden Eiseres stelt pas op 21 mei 2019 een kopie van het besluit te hebben ontvangen, met de opmerking dat in de woonwijk van eiseres zeer regelmatig de post niet aankomt. Nu het besluit is verzonden op 14 mei 2019, is de bezwaartermijn aangevangen op 15 mei 2019. Dat eiseres het besluit pas op 21 mei 2019 heeft ontvangen, maakt dit niet anders. Het bepaalde in de artikelen 6:7, 6:8 en 6:9 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 75k van de ZW, brengt dan mee dat 28 mei 2019 geldt als de laatste dag van de termijn waarbinnen een bezwaarschrift kon worden ingediend. Het bezwaarschrift is op 4 juni 2019 ontvangen bij het UWV en daarmee buiten de bezwaartermijn ingediend.
4.2
De bewaartermijn is een fatale wettelijke termijn waarvan niet kan worden afgeweken. Alleen als de termijnoverschrijding verschoonbaar is in verband met zeer bijzondere omstandigheden waardoor de termijnoverschrijding gerechtvaardigd wordt, kan niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijven.
4.3
De rechtbank ziet in de door de eiseres aangevoerde redenen geen aanleiding om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. Volgens vaste jurisprudentie kan een beroep op het vertrouwensbeginsel slechts slagen, indien bevoegd ten aanzien van een belanghebbende een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging is gedaan die bij die belanghebbende gerechtvaardigde verwachtingen heeft gewekt. Eiseres heeft met de verwijzing naar het telefoongesprek op 22 mei 2019 niet aannemelijk gemaakt dat daarvan in haar geval sprake is. Uit de van het gesprek gemaakte telefoonnotitie blijkt niet van een toezegging dat een te laat ingediend bezwaarschrift ontvankelijk zou worden geacht. Evenmin blijkt uit de gemaakte telefoonnotitie van het gesprek op 9 juli 2019 van een mededeling dat tot 5 augustus 2019 bezwaar kon worden ingediend. Het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel kan dan ook niet slagen.
Verder overweegt de rechtbank dat uit de overgelegde medische stukken niet blijkt dat eiseres, medisch gezien, gedurende de hele bezwaartermijn niet in staat is geweest om haar belangen te (laten) behartigen. In dit kader overweegt de rechtbank dat eiseres binnen de bezwaartermijn twee keer telefonisch contact heeft opgenomen met het UWV en twee keer heeft ingelogd op de website van het UWV. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat eiseres zich er bewust van was dat er iets moest gebeuren. Gelet op het feit dat eiseres kennelijk wel in staat is geweest om op 4 juni 2019 zelfstandig een uitgebreid bezwaarschrift in te dienen, valt niet in te zien waarom eiseres dit niet eerder -en nog tijdig- had kunnen doen.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat in de rechtsmiddelenclausule onder het primaire besluit duidelijk staat vermeld op welke wijze bezwaar kan worden gemaakt. Dit kan digitaal of per brief. Eiseres had de mogelijkheid om, ter veiligstelling van de bezwaartermijn, een schriftelijk bezwaarschrift in te dienen. Het is de eigen keuze van eiseres geweest om dit niet te doen en te wachten met het indienen van een digitaal bezwaarschrift. Dat eiseres hiervoor gekozen heeft en daardoor te laat een bezwaarschrift heeft ingediend dient dan ook voor haar rekening en risico te blijven. Het is de rechtbank ook niet gebleken dat de website van het UWV omstreeks 21 mei 2019 een aantal dagen niet bereikbaar was. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiseres de gestelde storing niet met stukken heeft onderbouwd. De gemachtigde van het UWV heeft ter zitting verklaard dat de website nooit geheel onbereikbaar is geweest, dus ook niet in die periode. Ter zitting heeft eiseres ook bevestigd dat zij op 23 mei 2019 en 25 mei 2019 heeft ingelogd op de website van het UWV. Eiseres heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat zij niet tijdig bezwaar had kunnen maken.

Er is dan ook geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb die in de weg zou staan aan niet-ontvankelijkverklaring.

5. De rechtbank is van oordeel dat het UWV het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk heeft kunnen verklaren.
6. Nu het bezwaar op juiste gronden niet-ontvankelijk is verklaard, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
7. De rechtbank ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.
beslissing

Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in tegenwoordigheid van B.C. van Sprundel-Thelosen, griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2020.
griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.