Uitspraak ECLI:NL:RBZWB:2019:5383

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 03-12-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 03-12-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBZWB:2019:5383, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 02-111437-19


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02-111437-19

vonnis van de meervoudige kamer van 3 december 2019

in de strafzaak tegen

[Verdachte]

geboren op [Geboortedag] 1991 te [geboorteplaats]wonende te [Adres]gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Dordrechtraadsman mr. M.A. Buntsma, advocaat te Breda

ECLI:NL:RBZWB:2019:5383:DOC
nl

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02-111437-19

vonnis van de meervoudige kamer van 3 december 2019

in de strafzaak tegen

[Verdachte]

geboren op [Geboortedag] 1991 te [geboorteplaats]wonende te [Adres]gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Dordrechtraadsman mr. M.A. Buntsma, advocaat te Breda
1

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 19 november 2019, waarbij de officier van justitie, mr. Simpelaar, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht ter zake dat
- op de (in twee rijstroken verdeelde) rijbaan van die weg niet zoveel mogelijk rechts te houden maar (grotendeels) te gaan rijden op het weggedeelte dat bestemd is voor het tegemoetkomende verkeer, - niet voortdurend, althans niet voldoende zijn, verdachtes, aandacht te richten en/of gericht- niet, althans niet behoorlijk tijdig en/of voldoende het door hem, verdachte, bestuurdemotorrijtuig af te remmen en/of tot stilstand te brengen en/of- niet met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig uit te wijken, in ieder geval
1.hij op of omstreeks 28 april 2019 te Breda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [Slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, door met een personenauto die [Slachtoffer] aan te rijden, tengevolge waarvan die [Slachtoffer] in de lucht is gevlogen en/of vervolgens op het wegdek terecht is gekomen en/of vervolgens die personenauto tot stilstand te brengen en/of vervolgens met de rechtervoorband van die personenauto over de enkels/benen en (daarna) met zijn rechterachterband over de middel van die [Slachtoffer] te rijden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Subsidiair, indien het vorenstaande onder 1. niet tot een veroordeling kan leiden:

hij op of omstreeks 28 april 2019 te Breda, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Seat, type Ibiza, kenteken [Kenteken] ), daarmede rijdende over de weg, [Straatnaam] komende vanuit de [Adres] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, aldaar
te houden op het zich voor hem, verdachte, gelegen weggedeelte van voormelde weg(en)en/of op de zich aldaar bevindende overige verkeersdeelnemer(s) en/of
zonder voldoende en/of tijdig maatregelen te treffen teneinde een botsing/aanrijding tevoorkomen met een overstekende voetganger,ten gevolge waarvan hij, met dat door hem bestuurde motorrijtuig, in botsing of aanrijding is gekomen met een voetgangster, waardoor aan die voetgangster (genaamd [Slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, (te weten gebroken bekken, breuk(en) in het aangezicht, gebroken knie, meerdere kneuzingen en wonden), of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
2.hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraginghij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval hadplaatsgevonden in Breda op/aan [Straatnaam] , op of omstreeks 28 april 2019 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [Slachtoffer] ) letsel was toegebracht.
3

De dagvaarding is geldig.De rechtbank is bevoegd.De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
overwegingen

4

4.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het slachtoffer mevrouw [Slachtoffer] (hierna mevrouw [Slachtoffer] ) heeft aangereden. Zij baseert zich daarbij op de aangifte, op de geneeskundige informatie betreffende het letsel van mevrouw [Slachtoffer] , op de camerabeelden, op het verkeersongeval analyse rapport en op de bekennende verklaring van verdachte.Aangezien op grond van het dossier niet vastgesteld kan worden dat verdachte mevrouw [Slachtoffer] heeft gezien, kan niet bewezen worden verklaard dat verdachte het opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, had op haar dood. Verdachte moet dan ook van de onder 1, primair, tenlastegelegde poging tot doodslag worden vrijgesproken.Gelet op genoemde bewijsmiddelen acht de officier van justitie wel een bewezenverklaring van het onder 1, subsidiair tenlastegelegde veroorzaken van een verkeersongeval aan de orde. Verdachte heeft daarbij volgens de officier van justitie aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend een personenauto bestuurd.Voorts acht de officier van justitie op grond van dezelfde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de plaats van het ongeval heeft verlaten, zoals onder 2 is tenlastegelegd.
4.2
Het standpunt van de verdediging

De verdediging is met de officier van justitie van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder 1, primair tenlastegelegde poging tot doodslag. De verdediging volgt de officier van justitie voor wat betreft de bewezenverklaring van de feiten 1, subsidiair en 2.
4.3
Het oordeel van de rechtbank

Op 28 april 2019 laat in de avond rijdt verdachte in een personenauto weg bij zijn woning aan de [Adres] . Komend vanuit die straat slaat hij rechts af [Straatnaam] op. Tijdens het afslaan is hij aan het zoeken naar een asbak. Dit doet hij door zijn blik van de weg af te wenden en met zijn hand bij of onder de passagiersstoel te zoeken. Op camerabeelden is te zien dat mevrouw [Slachtoffer] , vlak voordat een auto vanuit de [Adres] [Straatnaam] op rijdt, op [Straatnaam] de weg oversteekt. De auto komt bij het nemen van de bocht dermate ruim uit, dat hij daarbij op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer terecht komt. Juist op dat moment is mevrouw [Slachtoffer] nog doende met het oversteken op die helft van de weg. Net voordat zij in veiligheid de stoep op kan gaan, wordt mevrouw [Slachtoffer] door de auto aangereden. Zij vliegt daarbij door de lucht en komt voor de auto op het wegdek terecht. De auto stopt in eerste instantie, maar rijdt dan door en rijdt met het rechtervoorwiel van de personenauto over het lichaam van mevrouw [Slachtoffer] . De auto rijdt vervolgens langzaam door, waarbij mevrouw [Slachtoffer] onder de auto een aantal meters wordt meegesleurd. De auto stopt vervolgens weer en dan is op de camerabeelden door het waarneembare uitlaatgas van de personenauto te zien dat in de auto extra gas wordt gegeven om ook met de rechterachterwiel over mevrouw [Slachtoffer] heen te kunnen rijden, hetgeen ook gebeurt. Vervolgens rijdt de auto verder, mevrouw [Slachtoffer] op de weg achterlatend. Verdachte heeft verklaard de bestuurder te zijn geweest van de auto die op deze beelden is te zien. Hij is doorgereden nadat hij voelde iets te hebben geraakt en heeft de auto verderop geparkeerd.
Mevrouw [Slachtoffer] kan zich herinneren dat zij een auto hoorde aankomen toen zij bijna bij de stoep was. Zij zag dat de auto uit de bocht komen en zij zag dat de auto op haar weghelft terecht kwam. Zij probeerde de stoep nog op te komen, maar toen reed de auto haar tegen haar achterkant aan. Door de aanrijding heeft mevrouw [Slachtoffer] een bekkenbreuk opgelopen. Tevens heeft zij breuken in het aangezicht, een kniebreuk en veel kneuzingen en wonden opgelopen. De duur van genezing is door een arts geschat op tenminste één jaar.

De vraag of genoemde feiten en omstandigheden een bewezenverklaring van de onder 1, primair tenlastegelegde poging tot doodslag kunnen dragen, beantwoordt de rechtbank als volgt. Daarbij onderscheidt de rechtbank twee momenten: de (eerste) aanrijding en vervolgens het doorrijden met de auto over mevrouw [Slachtoffer] heen.

Ook wat betreft de tweede situatie, het doorrijden na de eerste aanrijding, kan de rechtbank op basis van het dossier niet vaststellen dat verdachte met die gedraging het volle opzet had op de dood van mevrouw [Slachtoffer] . Over de vraag of wel sprake was van voorwaardelijk opzet het volgende. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij wist dat hij iets had aangereden, maar dat hij niet wist wat dat was. Volgens hem kon dit een vuilnisbak of dier zijn geweest. Verdachte rijdt echter in een woonwijk. Op [Straatnaam] zijn twee bushaltes die tegenover elkaar gelegen zijn. Het valt daarom te verwachten dat er, zelfs op dat tijdstip (omstreeks 22.48 uur wordt mevrouw [Slachtoffer] aangereden), voetgangers gebruik maken van de haltes en dus ook de weg kunnen oversteken. De rechtbank acht de kans op een voetganger midden op de weg in een woonwijk ook veel groter dan een vuilnisbak of een dier op die plaats. Omdat verdachte iets had geraakt, bestond voorts ook de kans dat hij daar nogmaals overheen zou rijden. Het met een auto over een mens rijden levert naar het oordeel van de rechtbank een aanmerkelijk kans op een dodelijk verwonding op. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er in deze tweede situatie sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood van mevrouw [Slachtoffer] . Heeft verdachte deze aanmerkelijk kans echter ook bewust aanvaard? De rechtbank vindt van niet. Niet uitgesloten kan worden dat verdachte zich na de (eerste) aanrijding in een shocktoestand bevond en uit paniek heeft willen wegkomen, zoals hij zelf heeft verklaard. Zijn gedraging, het doorrijden met de auto na de eerste klap, lijkt ook gericht te zijn op het vluchten. Uit deze gedraging en de verklaring van verdachte leidt de rechtbank dus niet zijn aanvaarding af van de aanmerkelijke kans op de dood van mevrouw [Slachtoffer] , de rechtbank gaat er van uit dat verdachte zich niet bewust is geweest van deze aanmerkelijke kans. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het bestanddeel “opzet” niet bewezen kan worden verklaard. Verdachte wordt dan ook vrijgesproken van de onder feit 1, primair tenlastegelegde poging tot doodslag.

Met verwijzing naar de eerder genoemde feiten en omstandigheden, die volgen uit de bekennende verklaring van verdachte, de verklaring van mevrouw [Slachtoffer] , de geneeskundige verklaring betreffende haar verwondingen en de camerabeelden, overweegt de rechtbank ten aanzien van de onder feit 1, subsidiair tenlastegelegde veroorzaken van een verkeersongeval het volgende.Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de concrete ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Van schuld in de zin van dit artikel is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.Verdachte was al rijdend zoekende naar een asbak, waarvan hij dacht dat die misschien bij of onder de rechter passagiersstoel was gevallen. In plaats van goed op de weg te letten, was hij daarmee bezig. Dit heeft er toe geleid dat hij op de verkeerde weghelft is beland, waar op dat moment mevrouw [Slachtoffer] aan het oversteken was. Vervolgens heeft de aanrijding met haar plaatsgevonden. Het letsel dat mevrouw [Slachtoffer] hieraan heeft overgehouden kwalificeert de rechtbank, gezien de aard, de ernst en de langdurigheid van het herstel ervan, als zwaar lichamelijk letsel.Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank wel het veroorzaken van een verkeersongeval wettig en overtuigend bewezen. Zij komt daarbij tot een bewezenverklaring van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag van verdachte en zwaar lichamelijk letsel bij mevrouw [Slachtoffer] .De rechtbank heeft bij de beoordeling van de mate van onvoorzichtigheid, en de vraag of sprake was van roekeloosheid, niet kunnen betrekken dat verdachte over het lichaam van mevrouw [Slachtoffer] is gereden, nadat hij haar had aangereden, zoals onder feit 1, primair in de tenlastelegging is opgenomen. Immers, die gedraging is niet onder feit 1, subsidiair in de tenlastelegging opgenomen.. Voorstelbaar was geweest dat in het kader van artikel 6 WVW ook ten laste was gelegd dat verdachte na een aanrijding is doorgereden, zonder zich er van te vergewissen wat hij had aangereden en of datgene (of diegene) zich nog voor zijn auto of wielen bevond, maar dat is dus niet gebeurd.
Gelet op de overweging van de rechtbank met betrekking tot het onder feit 1, primair tenlastegelegde, in het bijzonder dat de kans aanmerkelijk is dat verdachte een mens had aangereden, is de rechtbank ten aanzien van feit 2 van oordeel dat verdachte op zijn minst redelijkerwijs had moeten vermoeden dat hij een mens had aangereden. De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde verlaten van een plaats ongeval, nu verdachte zelf heeft bekend te zijn weggereden na de aanrijding.

4.4
De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1, subsidiair,op 28 april 2019 te Breda, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Seat, type Ibiza, kenteken [Kenteken] ), daarmede rijdende over de weg, [Straatnaam] komende vanuit de [Adres] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend, aldaar
te houden op het zich voor hem, verdachte, gelegen weggedeelte van voormelde wegen op de zich aldaar bevindende overige verkeersdeelnemers en
2,als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraginghij als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval hadplaatsgevonden in Breda op [Straatnaam] op 28 april 2019 de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [Slachtoffer] ) letsel was toegebracht.Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

- op de rijbaan van die weg niet zoveel mogelijk rechts te houden maar grotendeels te gaan rijden op het weggedeelte dat bestemd is voor het tegemoetkomende verkeer, - niet voortdurend zijn, verdachtes, aandacht te richten en gericht- niet behoorlijk tijdig en voldoende het door hem, verdachte, bestuurdemotorrijtuig af te remmen en tot stilstand te brengen en- niet met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig uit te wijken teneinde een aanrijding te voorkomen met een overstekende voetganger,ten gevolge waarvan hij, met dat door hem bestuurde motorrijtuig, in aanrijding is gekomen met een voetgangster, waardoor aan die voetgangster (genaamd [Slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten gebroken bekken, breuken in het aangezicht, gebroken knie, meerdere kneuzingen en wonden, werd toegebracht;
5

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6

6.1
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 9 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en onder aftrek van het voorarrest. Aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf dient als bijzondere voorwaarde de begeleiding van de reclassering verbonden te worden. Dit laatste om verdachte steun en hulp te verlenen bij het verkrijgen van grip op zijn leven.Als bijkomende straf vordert de officier van justitie de ontzegging van de bevoegdheid om een motorrijtuig te besturen voor de periode van 2 jaren.
6.2
Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de vordering van de officier van justitie niet in verhouding staat met straffen die in andere recente strafzaken betreffende een verkeersongeval zijn opgelegd. De vordering van de officier van justitie is dan ook te fors. Een gevangenisstraf conform het voorarrest zou op zijn plaats zijn. Daar kan een voorwaardelijke straf aan toegevoegd worden, waarbij toegezegd wordt dat verdachte aan alle voorwaarden zal meewerken.
6.3
Het oordeel van de rechtbank

Op 28 april 2019 heeft verdachte zijn auto aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend bestuurd. Hij heeft een bocht genomen en is daarbij op de verkeerde weghelft terechtgekomen. Daar stak op dat moment net mevrouw [Slachtoffer] over. Verdachte is tegen haar aangereden en is, terwijl mevrouw [Slachtoffer] op de grond lag, eerst met een voorwiel over haar heen gereden. Vervolgens probeert hij door te rijden, waardoor hij mevrouw [Slachtoffer] enkele meters voortsleurt. Ten slotte geeft hij extra gas en rijdt met een achterwiel weer over mevrouw [Slachtoffer] . Door deze gedragingen heeft mevrouw [Slachtoffer] ernstig letsel opgelopen. Verdachte heeft zich niet om haar bekommerd. Sterker nog, na het ongeval heeft verdachte de plaats van het ongeval verlaten en heeft hij mevrouw [Slachtoffer] in hulpeloze toestand achtergelaten. Aldus heeft verdachte drie verkeerde keuzes gemaakte, die hem telkens meer verweten kunnen worden. Allereerst heeft hij er voor gekozen een asbak te zoeken, terwijl hij zijn blik op de weg had moeten houden. Vervolgens heeft hij niet direct gekeken wat hij had geraakt, maar is hij doorgereden. En ten derde heeft hij de plek van het ongeval helemaal verlaten.Met dit laatste heeft verdachte zich onttrokken aan de verantwoordelijkheid die rust op een verkeersdeelnemer die een ongeluk veroorzaakt, namelijk het zich bekommeren om het slachtoffer die als gevolg van het handelen van verdachte, hulp behoefde. Dit getuigt van een groot gebrek aan verantwoordelijkheidsbesef als verkeersdeelnemer. Die verantwoordelijkheid heeft verdachte pas ruim een week later genomen door zich bij de politie te melden. Of dit uit schuldbesef is voortgekomen of dat hij dit heeft gedaan omdat het er na inbeslagname van de auto op leek dat de politie hem op het spoor was, is een vraag die in deze procedure niet is beanwoord.
De maatschappelijke verontwaardiging hierover is terecht zeer groot gebleken. Dit was ook ingegeven door de camerabeelden die van dit voorval aan het publiek zijn getoond. Het zijn afschuwelijke beelden. Het is bijna niet te geloven dat mevrouw [Slachtoffer] van toen [Aantal jaren] een dergelijke aanrijding, waarna zij ook nog is overreden, overleefd heeft. Gelukkig lijkt het fysiek herstel van mevrouw [Slachtoffer] goed te verlopen. Zeker zo belangrijk is hoe het mentale herstel van mevrouw [Slachtoffer] is verlopen. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat er een mediationtraject is ingezet, waarbij ook mevrouw [Slachtoffer] met verdachte een gesprek heeft gehad. Het is de rechtbank duidelijk geworden dat zij dit als fijn heeft ervaren en dat het mediationtraject ervoor gezorgd heeft dat zij het gebeuren een plek kan geven. De rechtbank vindt het daarom positief dat verdachte hier aan mee heeft gewerkt. Gesteld kan worden dat mevrouw [Slachtoffer] veel pech heeft gehad om verdachte die avond als bestuurder van een auto te treffen, maar verdachte heeft het ‘geluk’ gehad de vergevingsgezinde mevrouw [Slachtoffer] te treffen in plaats van een andere voetganger. Want ook verdachte heeft, zo is ter zitting gebleken, baat gehad bij de mediation en de nu goede verstandhouding met mevrouw [Slachtoffer] . De houding van mevrouw [Slachtoffer] en haar dochter ten opzichte van verdachte is bewonderenswaardig.

Dat het mediationtraject goed verlopen is, maakt evenwel niet dat verdachte geen straf verdient voor zijn gedragingen. Die gedragingen zijn hem door het slachtoffer wellicht vergeven, maar ze zijn niettemin buitengewoon laakbaar. Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank in het nadeel van verdachte rekening met zijn strafblad. Hij heeft meerdere overtredingen van de Wegenverkeerswet op zijn strafblad staan, waarbij met name die betreffende het rijden zonder rijbewijs, het onverzekerd rijden en het rijden over de vluchtstrook in het oog springen. Ook houdt de rechtbank in het nadeel van verdachte rekening met twee incidenten die zich zeer kort voor de aanrijding van mevrouw [Slachtoffer] hebben voorgedaan. Op 18 april 2019 heeft verdachte een fietser, die voorrang had, met een auto aangereden. De fietser heeft daarbij zijn ribben en sleutelbeen gebroken. Op 19 april 2019 is verdachte met een auto tegen een lantaarnpaal gereden en is de auto op zijn kant terecht gekomen. Door een verbalisant is bij dit laatste incident gezien dat een lachgasfles uit de auto werd gegooid. Tevens is opgevallen dat in de auto die op 28 april 2019 door verdachte bestuurd werd, een ruime week later een aantal ongebruikte ballonnen is aangetroffen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van lachgas met behulp van ballonnen plaatsvindt en de rijvaardigheid ernstig beïnvloedt. Die aanwezigheid baart de rechtbank zorgen.

De rechtbank hecht bij de strafoplegging belang aan de oriëntatiepunten zoals deze zijn vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), en die dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging. Volgens deze oriëntatiepunten is het uitgangspunt bij het veroorzaken van een verkeersongeval, waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld bij verdachte waardoor het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, oplegging van een taakstraf van 120 uren en daarnaast een onvoorwaardelijke ontzegging motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden. Ten aanzien van het verlaten van de plaats ongeval heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de jurisprudentie.Gelet op het kwalijke van het rijgedrag van verdachte, de gevolgen van het ongeluk voor het slachtoffer, de omstandigheid dat hij de plaats van het ongeval heeft verlaten en zich pas na tien dagen heeft gemeld, is een forse straf op zijn plaats. Weliswaar zijn het twee afzonderlijke feiten, maar overduidelijk is dat zij verband houden met elkaar. Daar komt bij dat verdachte niet zomaar is weggereden. Hij heeft mevrouw [Slachtoffer] bij het verlaten van de plaats ongeval overreden. Dit maakt de feiten extra schokkend, wat ook blijkt uit de ophef en verontwaardiging die in de maatschappij zijn ontstaan. De rechtbank ziet dan ook met de officier van justitie redenen om een fors hogere straf op te leggen dan de oriëntatiepunten in beginsel voorschrijven. De rechtbank acht een gevangenisstraf passend, zoals gevorderd door de officier van justitie. Anders dan de officier van justitie, hoeven aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf geen bijzondere voorwaarden gekoppeld te worden. Verdachte heeft ter zitting aangegeven dat hij gemotiveerd is meer grip op zijn leven te krijgen. Het is naar het oordeel van de rechtbank dan ook aan hem zelf om zijn motivatie om te zetten naar het daadwerkelijk regelen van hulp. De rechtbank overweegt dat, gelet op al het voorgaande, verdachte structureel niet verantwoord omgaat met zijn rijbevoegdheid. De rechtbank is van oordeel dat verdachte voor langere tijd niet moet kunnen deelnemen aan het verkeer als bestuurder van een gemotoriseerd voertuig. Weliswaar heeft verdachte zijn rijbewijs ingeleverd, maar de rechtbank wil zich ervan verzekeren dat hij de komende jaren ook daadwerkelijk niet achter het stuur plaats neemt. Met het oog hierop acht de rechtbank een onvoorwaardelijke ontzegging motorrijtuigen te besturen geboden voor de wettelijk maximale duur van vijf jaar.
7

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 60 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen de artikelen 6, 7, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
beslissing

8

De rechtbank:
- van het onder 1, primair tenlastegelegde feit;
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
- verklaart verdachte strafbaar;
- veroordeelt verdachte tot ;- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;- stelt als dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- veroordeelt verdachte tot ;
- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde gevangenisstraf.
Vrijspraak

Bewezenverklaring

Strafbaarheid

feit 1, subisidiair:

feit 2:

Strafoplegging

Bijkomende straffen

_d5bba976-e2d9-47cd-975f-e3acfeee5169
1

Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer 2019098656 / ZB3R019043 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 153. De verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting van 19 november 2019.
_554f6361-37fc-4eab-9c29-bcc88d091e34
2

De waarneming van de rechtbank van de camerabeelden opgenomen op een DVD-schijf, behorende bij het dossier, gedaan op de zitting van 19 november 2019.

_65e974e3-b8f7-4627-a4ef-0c343f26f6d9
3

De verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting van 19 november 2019.

_31ac56cb-6b37-4a18-8b6c-d9d337d4fd7d
4

Het proces-verbaal van verhoor van mevrouw [Slachtoffer] , pagina 49.

_d35fb072-9106-4d48-a116-bfd5c237b014
5

Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring, pagina 60.