Uitspraak ECLI:NL:RBZWB:2019:5382

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 03-12-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 03-12-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBZWB:2019:5382, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 02-820099-13


Bron: Rechtspraak


RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Parketnummer: 02/820099-13VI-zaaknummer: 99/000618-37
beslissing op de vordering tot verlenging van de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling

In de zaak van de officier van justitie tegen:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedag] 1966 te [geboorteplaats] ,thans verblijvende te Pompestichting, 6532 CN Nijmegen, Weg door Jonkerbos 53.

ECLI:NL:RBZWB:2019:5382:DOC
nl

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Parketnummer: 02/820099-13VI-zaaknummer: 99/000618-37
beslissing op de vordering tot verlenging van de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling

In de zaak van de officier van justitie tegen:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedag] 1966 te [geboorteplaats] ,thans verblijvende te Pompestichting, 6532 CN Nijmegen, Weg door Jonkerbos 53.
1

Bij onherroepelijk vonnis van de meervoudige kamer van 15 oktober 2015 onder het hierboven genoemde parketnummer is betrokkene veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar met aftrek van voorarrest voor diverse zedenfeiten.
Betrokkene is bij beslissing van 13 oktober 2017 en feitelijk op 17 oktober 2017 voorwaardelijk in vrijheid gesteld. De periode waarvoor de voorwaardelijke invrijheidstelling is verleend betrof 730 dagen en liep af op 27 oktober 2019.

Betrokkene is voorwaardelijk in vrijheid gesteld onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Daarnaast is er een aantal bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke invrijheidstelling verbonden, waaronder een contactverbod, een locatieverbod, een locatiegebod en een meldplicht. Betrokkene moet zich tevens ambulant laten behandelen en hij zal moeten verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang. Voorts moet betrokkene medewerking verlenen aan en een actieve inspanning verrichten voor (een traject gericht op) het verkrijgen en het behouden van woonruimte en een structurele en zinvolle (betaalde) dagbesteding, meewerken aan verdiepingsonderzoek bij een forensische polikliniek, teneinde een behandelplan op te stellen, zich onthouden van gedragingen binnen internetomgevingen waarin kinderpornografisch materiaal kan worden verkregen, daaronder uitdrukkelijk begrepen internetomgevingen waarvan verondersteld mag worden dat kinderpornografisch materiaal als ‘bijvangst’ kan worden verkregen, medewerking verlenen aan het controleren van zijn sociale media accounts en gegevensdragers door de reclassering en/of de politie, een open, gemotiveerde en meewerkende houding tonen met betrekking tot het toezicht en de behandeling en ten slotte moet hij openheid van zaken tonen ten aanzien van zijn financiële situatie. Bij Wijzigingsbesluit voorwaardelijke invrijheidstelling van 27 november 2018 zijn de bijzondere voorwaarden locatieverbod en locatiegebod gewijzigd.

Bij beslissing van de rechtbank van 25 oktober 2019 is de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling met 60 dagen verlengd. Hieraan zijn de voorwaarden verbonden als vermeld in het Wijzigingsbesluit voorwaardelijke invrijheidstelling van 27 november 2018. De periode waarvoor de voorwaardelijke invrijheidstelling is verleend, loopt af op 26 december 2019.

procesverloop

2

Het dossier bevat de volgende stukken:- het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 15 oktober 2015;- het advies van Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) van 14 november 2019;- de vordering van de officier van justitie van 31 oktober 2019 tot verlenging van de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor een periode van 305 dagen;- de overige stukken.
Het onderzoek is gehouden op de openbare zitting van 19 november 2019.

Ter zitting zijn de officier van justitie mr. W.J.W.K. Suijkerbuijk, betrokkene en zijn raadsman mr. G.R. Stoeten, advocaat te Leeuwarden gehoord. Tevens zijn de deskundigen [naam 1] en [naam 2] , medewerkers Reclassering Nederland, gehoord.

3

De reclassering heeft in haar advies van 14 november 2019 geadviseerd de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling te verlengen, gezien het feit dat door [naam 3] , de huidige behandelaar van betrokkene, het recidiverisico als hoog wordt ingeschat. Er wordt verwacht dat dit risico door middel van behandeling, te weten psychotherapie, verlaagd kan worden. Behandeling in een gedwongen kader is daarbij gewenst. Tevens adviseert de reclassering het locatieverbod als voorwaarde te laten vervallen.
Ter zitting is hieraan door de deskundigen toegevoegd dat het voortzetten van de behandeling in een vrijwillig kader, gezien het hoge recidiverisico, niet afdoende is. Om het recidiverisico te verlagen, is ongeveer een jaar behandeling nodig.

4

De officier van justitie blijft bij zijn vordering tot verlenging van de proeftijd met 305 dagen. Tevens heeft hij geen bezwaar tegen het laten vervallen van de voorwaarde inhoudende het locatieverbod.
5

De verdediging bepleit dat een verlenging van de proeftijd op grond van artikel 15c lid 3 van het Wetboek van Strafrecht in strijd is met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) en met artikel 2, eerste lid van het vierde protocol van het EVRM. De inbreuk op deze rechten is niet gerechtvaardigd, omdat niet wordt voldaan aan de in deze artikelen genoemde criteria voor rechtvaardiging. De vordering moet daarom worden afgewezen. Wanneer wordt besloten de vordering toe te wijzen, verzoekt de verdediging de voorwaarde inhoudende het locatieverbod te laten vervallen.
6

Artikel 15c lid 3 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is gewijzigd bij Wet van 25 november 2015, Stb. 2015, 460 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en Wetboek van Strafvordering in verband met het laten vervallen van de maximale duur van de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege, het verlengen van de proeftijden van de voorwaardelijke invrijheidstelling en de invoering van een langdurige gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel voor ter beschikking gestelden en zeden- en geweldsdelinquenten. Sinds de inwerkingtreding van deze wet per 1 januari 2018 voorziet artikel 15c lid 3 Sr onder meer in de mogelijkheid van een verlenging van de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling met telkens ten hoogste twee jaren, indien aan de in dit artikellid genoemde voorwaarden is voldaan. Op het gewijzigde artikel 15c lid 3 Sr is geen overgangsrecht van toepassing.
De rechtbank toetst in deze zaak aan artikel 8 EVRM en aan artikel 2, eerste lid van het vierde protocol van het EVRM. De vraag die centraal staat is of inbreuk op deze artikelen gerechtvaardigd is. De inbreuk moet 'in accordance with the law' en 'necessary in a democratic society' zijn ten behoeve van 'legitimate aims'. Er moet dus worden beoordeeld of de inbreuk gebaseerd is op een wetsbepaling, de inbreuk een legitiem doel dient en de inbreuk als noodzakelijk kan worden beschouwd in een democratische samenleving. Om te beoordelen of in het onderhavige geval een eventuele inbreuk rechtmatig plaats zal vinden zal de rechtbank beoordelen of aan deze voorwaarden wordt voldaan.

Met betrekking tot de vraag of de inbreuk plaatsvindt 'in accordance with the law' stelt de rechtbank het volgende vast. Op grond van artikel 15c lid 3 van het Wetboek van Strafrecht kan de rechter op vordering van het openbaar ministerie de proeftijd telkens met ten hoogste twee jaren verlengen indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat betrokkene wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen of indien dit ter voorkoming van ernstig belastend gedrag jegens slachtoffers of getuigen noodzakelijk is. De rechtbank stelt derhalve vast dat de inbreuk op het recht op privacy door middel van het verlengen van de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling op een wettelijke grondslag berust. Voorts overweegt de rechtbank dat een ieder van deze wettelijke regeling in voldoende mate kennis heeft kunnen nemen (het vereiste van ) en dat daarin met voldoende precisie wordt aangegeven welke juridische consequenties een bepaalde gedraging kan hebben (), en dus onder welke omstandigheden inbreuk kan worden gemaakt op het recht op privacy. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de wettelijke regeling voldoet aan de uit het EVRM voortvloeiende vereisten van toegankelijkheid en voorzienbaarheid.
Voorzover de raadsman heeft betoogd dat voor de veroordeelde op het moment van het wijzen van het vonnis in 2015 niet te voorzien was dat door een wetswijziging de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling met een langere periode kan worden verlengd dan oorspronkelijk bij vonnis was bepaald, overweegt de rechtbank dat zij in haar beslissing van 25 oktober 2019 reeds heeft bepaald dat de wetswijziging van artikel 15c lid 3 Sr en de onmiddellijke toepassing daarvan geen strijd oplevert met het legaliteitsbeginsel dat is vervat in artikel 1 Sr en artikel 7 EVRM en dat dit niet anders is bij een vordering tot verlenging voor een langere periode. Dit is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet de voorzienbaarheid waar artikel 8 EVRM op doelt.

Gelet op het bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de inbreuk op de privacy in het onderhavige geval 'in accordance with the law' is.

Met betrekking tot de vraag of de inbreuk een 'legitimate aim' heeft, stelt de rechtbank vast dat een verlenging van de proeftijd tot doel heeft het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of goede zeden en de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen, te weten van (toekomstige) slachtoffers. Het door [naam 3] als hoog ingeschatte recidiverisico van betrokkene kan door middel van behandeling worden verlaagd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de inbreuk op het recht op privacy in het onderhavige geval een legitiem doel heeft.

Behalve dat een inbreuk op het recht op privacy 'in accordance with the law' moet zijn en de inbreuk een 'legitimate aim' moet hebben, moet de inbreuk ook nog 'necessary in a democratic society' zijn. Omdat het recidiverisico op dit moment als hoog wordt ingeschat, is de rechtbank van oordeel dat inbreuk op de privacy als noodzakelijk kan worden beschouwd in een democratische samenleving.

Samenvattend acht de rechtbank het verlengen van de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling in het onderhavige geval niet in strijd met artikel 8 EVRM en met artikel 2, eerste lid van het vierde protocol van het EVRM.

De rechtbank toetst tevens aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. De eisen van proportionaliteit brengen met zich mee dat de inbreuk die door het opleggen van bijzondere voorwaarden en het toezicht worden gemaakt op iemands persoonlijke levenssfeer, bewegingsvrijheid en persoonlijke vrijheid moet voortvloeien uit de ernst van het gepleegde strafbare feit en de duur van de opgelegde vrijheidsstraf.De rechtbank overweegt hiertoe dat er sprake is van veroordeling van ernstige feiten, namelijk verkrachting, meermalen gepleegd, met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd, met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd, feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd, met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd en een afbeelding en een gegevensdrager, bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken, in bezit hebben, meermalen gepleegd. Betrokkene heeft hier een gevangenisstraf voor opgelegd gekregen van zes jaren. Tevens overweegt de rechtbank dat het recidiverisico door [naam 3] als hoog wordt ingeschat. Dit recidiverisico kan worden verlaagd door middel van de inmiddels gestarte behandeling. [naam 3] ziet onvoldoende aanleiding om de behandeling in een vrijwillig kader voort te zetten, maar vindt voortzetting in een gedwongen kader gewenst.Gelet op bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de inbreuk die wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer, bewegingsvrijheid en persoonlijke vrijheid van betrokkene niet in strijd is met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit wanneer deze wordt afgezet tegen bovenstaande feiten.
Ter onderbouwing van de vordering is concreet aangegeven waartoe verlenging van de proeftijd nog nodig is. Er ligt daarnaast een concreet plan van aanpak. Van de noodzaak tot verlenging is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gebleken.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling toewijzen.

De rechtbank stelt vast dat het aanvullen, wijzigen of opheffen van voorwaarden een bevoegdheid is die op grond van artikel 15a zevende lid Wetboek van Strafrecht aan het Openbaar Ministerie toekomt.

7

De beslissing berust op artikel 15c van het Wetboek van Strafrecht.
beslissing

8

De rechtbank
- wijst de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling met een periode van 305 dagen toe;
- verlengt de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling met 305 dagen;
- verbindt daaraan de voorwaarden als vermeld in het Wijzigingsbesluit voorwaardelijke invrijheidstelling van 27 november 2018.
Deze beslissing is gegeven door mr. E.J. Zuijdweg, voorzitter, mr. G.H. Nomes en mr. J.A. van Voorthuizen, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier drs. T. Swint en is uitgesproken ter openbare zitting op 3 december 2019.