Uitspraak ECLI:NL:RBZWB:2019:5259

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 27-11-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 27-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBZWB:2019:5259, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 02/821566-15


Bron: Rechtspraak


RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/821566-15

vonnis van de meervoudige kamer van 27 november 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [plaats en geboortedatum]wonende te [adres]raadsman mr. G.N. Weski, advocaat te Rotterdam

ECLI:NL:RBZWB:2019:5259:DOC
nl

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/821566-15

vonnis van de meervoudige kamer van 27 november 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [plaats en geboortedatum]wonende te [adres]raadsman mr. G.N. Weski, advocaat te Rotterdam
1

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 11 september 2019, 16 september 2019, 17 september 2019, 19 september 2019, 2 oktober 2019, 3 oktober 2019, 21 oktober 2019 en 13 november 2019, waarbij de officier van justitie, mr. Emmen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2

De tenlastelegging is nader omschreven overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht ter zake dat
feit 1

hij op of omstreeks 14 oktober 2015 te Hooge Zwaluwe, gemeente Drimmelen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] en/of M. [slachtoffer 2] opzettelijk (en al dan niet met voorbedachten rade) van het leven heeft beroofd, door met dat opzet met een of meer vuurwapen(s) een of meer kogel(s) in/door het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te schieten, (mede) waardoor voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zijn/is overleden;art 289 Wetboek van Strafrechtart 287 Wetboek van Strafrechtart 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht
feit 2 primair

hij op of omstreeks 14 oktober 2015 te Hooge Zwaluwe, gemeente Drimmelen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 3] opzettelijk (en al dan niet met voorbedachten rade) van het leven te beroven, met dat opzet, met een of meer vuurwapen(s) een of meer kogel(s) in de richting van en/of in het lichaam van die [slachtoffer 3] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;art 289 Wetboek van Strafrecht
art 287 Wetboek van Strafrechtart 45 lid 1 Wetboek van Strafrechtart 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht
subsidiair

hij op of omstreeks 14 oktober 2015 te Hooge Zwaluwe, gemeente Drimmelen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer 3] , opzettelijk (en al dan niet met voorbedachten rade) zwaar lichamelijk letsel, te weten een schotwond in de flank en/of een of meer botbreuk(en) en/of een (door)schotverwonding in de linker hand, heeft toegebracht door, met dat opzet, met een of meer vuurwapen(s) een of meer kogel(s) in de richting van en/of in het lichaam van die [slachtoffer 3] af te vuren;art 302 Wetboek van Strafrechtart 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht
meer subsidiair

hij op of omstreeks 14 oktober 2015 te Hooge Zwaluwe, gemeente Drimmelen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan een persoon, te weten [slachtoffer 3] , opzettelijk (en al dan niet met voorbedachten rade) zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een of meer vuurwapen(s) een of meer kogel(s) in de richting van en/of in het lichaam van die [slachtoffer 3] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;art 302 Wetboek van Strafrechtart 45 lid 1 Wetboek van Strafrechtart 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht
3

De dagvaarding is geldig.De rechtbank is bevoegd.De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
overwegingen

4

4.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de onder feit 1 tenlastegelegde doodslag en de onder 2 tenlastegelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op:
omstreeks 10.48 uur bij het vakantiehuisje zijn aangekomen en terugrekenend zou de Mercedes van de Belgen om omstreeks 10.53 zijn weggereden vanaf het huisje. [slachtoffer 1] verstuurt nadat hij is neergeschoten berichten aan [getuige] .Dit kan alleen tussen 10.52 uur en 10.55 uur zijn geweest of tussen 10.57 en 11.08 uur of in beide tijdvakken. [slachtoffer 3] is om 11.51 met de Golf van [slachtoffer 2] weggereden bij het huisje;

- de resultaten van het forensisch onderzoek. Daaruit volgt volgens de officier van justitie dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door vuurwapengeweld zijn overleden en dat zij ook tekenen vertoonden van ander geweld. Ook hadden [mededader] en [voornaam 1] [slachtoffer 3] schotwonden en zijn er vier verschillende wapens gebruikt waarmee in totaal 9 schoten zijn gelost. In ieder geval [mededader] , [mededader 2] en [mededader 3] waren getiewrapt;- de resultaten van het digitale onderzoek.De officier van justitie voert aan dat daaruit blijkt van een eerdere ontmoeting te Hoeven en ontmoetingen op 13 en 14 oktober 2015 in het vakantiehuisje in Hooge Zwaluwe. Ook [slachtoffer 1] was bij die ontmoetingen aanwezig, in ieder geval bij de ontmoetingen in Hooge Zwaluwe. De VW Golf van [slachtoffer 2] zou op 14 oktober om
- volgens de officier van justitie is het de opeenstapeling van deze leugens en onverenigbaarheden over het meest relevante vraagstuk in deze zaak (wie heeft of hebben er geschoten en op wie) die hun verklaringen kennelijk leugenachtig maken en daarom gaat hij ervan uit dat deze leugenachtige verklaringen zijn afgelegd om de waarheid te bemantelen;De officier van justitie is van mening dat er sprake is van medeplegen omdat de verdachten wisten in welke situatie ze zich zouden begeven. Ze hebben maatregelen genomen om risico’s in te dammen en ze hebben zich gezamenlijk voorbereid op een confrontatie met geweld, zelfs dodelijk geweld.
-

de verklaringen van de Belgische verdachten, welke verklaringen onderling overeenstemmen en kloppen met het digitale onderzoek, de feitelijk aangetroffen situatie en de forensische bevindingen;

het OVC-gesprek op 1 december 2016 tussen [mededader] en zijn partner, waarin [mededader] op de vraag “wie heeft hem neergeschoten die jongen?” antwoordt “Ikke”;

de PGP-data waarin een aantal berichten over de gebeurtenissen gaan op de 13e en 14e oktober 2015;

de verklaringen van de verdachten over de wijze waarop de schoten zijn gevallen. De verklaringen ten aanzien van het schot op [mededader] kunnen volgens de officier van justitie wel kloppen, maar voor wat betreft de overige geloste schoten acht de officier van justitie de verklaringen niet alleen volstrekt ongeloofwaardig, maar zelfs leugenachtig. De officier van justitie heeft dit onderbouwd met de volgende feiten en omstandigheden:

-

de verklaringen zijn onderling tegenstrijdig;

het aantal gebruikte wapens waarover de verdachten verklaren klopt niet met het forensisch bewijs;

het totaal aantal geloste schoten waarover de verdachten verklaren klopt niet met het forensisch bewijs;

het totaal aantal geloste schoten per wapen waarover de verdachten verklaren klopt niet met het forensisch bewijs;

de schootsrichtingen waarover de verdachten verklaren kloppen niet met het forensisch bewijs;

de verklaringen van de verdachten over het feit dat alle schoten door de Nederlanders gelost zouden zijn is onverenigbaar met het feit dat het de Nederlanders zijn die door de schoten zijn geraakt;

de verklaringen van de verdachten over het feit dat alle schoten in het wilde weg afgevuurd zouden zijn is onverenigbaar met het feit dat alle schoten raak waren en dat alleen de Nederlanders zijn geraakt;

4.2
Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat op basis van de verklaringen van de direct betrokkenen kan worden vastgesteld dat er geen sprake was van een vooropgezet plan van de zijde van verdachte of van de overige Belgen om gewapend naar het huisje te gaan. Ook was er geen sprake van het toepassen van geweld door de Belgen en werden zij overvallen door [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en mogelijk nog een aantal onbekend gebleven personen. De Belgen hebben zich los weten te rukken en zijn in gevecht gekomen met de overvallers. Daarbij zijn
er wapens afgepakt en men heeft de overvallers levend achter gelaten. Daarbij is volgens de verdediging niet vast komen te staan dat de Belgen ook hebben geschoten.Uit het forensisch onderzoek is naar de mening van de verdediging gebleken dat die forensische rapporten ertoe leiden dat de lezingen van de Belgen onomstotelijk bevestigd worden. Daarbij merkt de verdediging nog op dat de forensische onderzoeksbevindingen verklaringen bevestigen die voor die rapporten zijn afgelegd. De verdediging heeft voorts vastgesteld dat noch verdachte, noch een van de overige Belgische medeverdachten geschoten heeft, dan wel verantwoordelijk is voor de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Voor beantwoording van de vraag hoe [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dan uiteindelijk om het leven zijn gekomen vindt de verdediging het van belang om de rol van [slachtoffer 3] in beeld te brengen. De verdediging heeft geconstateerd dat er veel hiaten in zijn gedrag zitten en dat dit, in combinatie met het Hansken onderzoek, zijn dubbelspel bevestigen. Daarmee kan volgens de verdediging niet worden uitgesloten dat er wellicht meer aan de hand is geweest na het vertrek van de Belgische verdachten. Dit wordt gesterkt door het volgende:
Genoeg vraagtekens, zo meent de verdediging, over de rol van [slachtoffer 3] en wellicht derden die bij de rip betrokken waren, terwijl de lezingen van de Belgische verdachten volgens de verdediging glashelder zijn. Verdachte dient daarom naar de mening van de verdediging te worden vrijgesproken.Voor wat betreft het tweede feit, het medeplegen van poging moord, danwel doodslag op [slachtoffer 3] is de verdediging van mening dat er geen enkel bewijs voorhanden is waaruit kan worden geconcludeerd dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan dat feit. Uit niets blijkt dat het hanteren van geweld tegen [slachtoffer 3] door de Belgen het plan was. Uit geen enkele verklaring en ook uit het overige materiaal is niet gebleken dat het plan was om [slachtoffer 3] van het leven te beroven. Uit de verklaring van [slachtoffer 3] blijkt dat hij op enig moment tijdens de chaos gewond is geraakt. Uit zijn verklaringen blijkt echter niet wie de schutter is geweest. De verdediging is op grond van dit alles dan ook van mening dat wettig en overtuigend bewijs ontbreekt voor de poging tot moord, poging tot doodslag en de poging tot toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en dat verdachte ook voor die feiten moet worden vrijgesproken.
-

al het geld en de wapens waren niet meer in het huisje aanwezig, terwijl de Belgische verdachten niet de tijd hebben gehad om dat nog bij elkaar te rapen;

de wijze waarop het meubilair werd aangetroffen was anders dan hoe de Belgen het hadden achtergelaten. Wellicht was het opzij geschoven om alles te zoeken wat er op de grond lag.

4.3
Het oordeel van de rechtbank

Opmerking vooraf: in verband met de leesbaarheid zal de rechtbank [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en verdachte [slachtoffer 3] soms aanduiden als ‘de Nederlanders’ en de verdachten [mededader] , [mededader 2] , [mededader 3] en [verdachte] als ‘de Belgische verdachten’.
Inleiding: een schietpartij

Op 14 oktober 2015 om 11:34 uur werd [mededader] door [mededader 3] en [verdachte] afgezet bij het Amphia Ziekenhuis aan de Pasteurlaan in Oosterhout. [mededader] bleek neergeschoten te zijn. Hij had een schotverwonding in zijn linker flank net boven het heupbeen. Daarnaast had hij bloeduitstortingen rondom zijn rechteroog en twee gebroken tanden, veroorzaakt door stomp botsend geweld. [mededader] had een grote bult op zijn linkerslaap en zijn linker brilglas was kapot.

Op diezelfde dag na een 112-melding om 12:24 uur werd [slachtoffer 3] door de politie aangetroffen in een woning aan de [adres3] te Breda. [slachtoffer 3] bleek twee schotwonden te hebben: een schotverwonding van links naar rechts door de onderrug en een schotwond door de basis van zijn linker duim.

Op aanwijzing van [slachtoffer 3] trof de politie op 15 oktober 2015 voor een vakantiehuisje aan de [adres2] in Hooge Zwaluwe het levenloze lichaam van [voornaam 2] [slachtoffer 1] aan. In de woonkamer van het vakantiehuisje werd het levenloze lichaam van [voornaam 2] [slachtoffer 2] aangetroffen. Beide slachtoffers bleken door vuurwapengeweld om het leven te zijn gekomen.

[slachtoffer 1] had drie schotverwondingen: een schotverwonding van links naar rechts door zijn buik en borstholte, een schotwond door zijn linker bovenarm van elleboog naar oksel en een schotverwonding aan de rechterwijsvinger. Verder had hij bulten op voorhoofd en achterhoofd door een val of slag. De gesp van zijn broekriem is hoogst waarschijnlijk door een kogel geraakt. De forensisch deskundigen van de politie komen tot de conclusie dat

[slachtoffer 1] in ieder geval één keer in de woonkamer is beschoten en geraakt op de gesp van zijn riem, omdat soortgelijke blauwe steentjes als die op de riem zaten, zijn aangetroffen in de woonkamer. De rechtbank neemt deze conclusie over.

[slachtoffer 2] had twee schotverwondingen: een schotverwonding door zijn linker bovenarm en vervolgens van links naar rechts dwars door zijn borstholte en een schotwond door zijn linker onderarm. Daarnaast had hij verwondingen aan zijn hoofd, bestaande uit builen en meerdere huiddefecten met een scherpe rand: éen groep huiddefecten aan de bovenzijde van de schedel, één groep rondom de ogen en één groep rondom de neus en mond. [slachtoffer 2] is overleden door massaal bloedverlies en functieverlies van beide longen. De forensisch deskundigen van de politie komen tot de conclusie dat het aannemelijk is, gezien de schotbaan door zijn lichaam en zijn bloed op de muur in de hoek waar [slachtoffer 2] overleden werd aangetroffen, dat [slachtoffer 2] in die hoek van de woonkamer stond, toen hij door een kogel werd geraakt, waarna hij bloedend tegen de muur aankwam en langs de muur naar beneden gleed tot de eindpositie waarin hij is aangetroffen. De rechtbank neemt deze conclusie over.

Er zijn geen vuurwapens aangetroffen in het vakantiehuisje. Uit het onderzoek naar de munitie is gebleken dat 7 hulzen, 5 kogels en 11 kogel/manteldeeltjes zijn aangetroffen, die zijn verschoten met tenminste 4 verschillende vuurwapens. Daarnaast zijn er diverse munitiedelen gevonden waarvan niet onderzocht kon worden met welk vuurwapen deze zijn verschoten. Verder is vast komen te staan dat de Nederlanders zijn beschoten met minimaal drie verschillende vuurwapens en dat de twee kogels die in het lichaam van [slachtoffer 1] zijn aangetroffen uit twee verschillende wapens afkomstig zijn.

De rechtbank concludeert op basis van de verwondingen dat er in ieder geval één keer is geschoten op [mededader] . Verder is in ieder geval 8 keer geschoten op de Nederlanders: twee keer op [slachtoffer 3] , vier keer op [slachtoffer 1] en twee keer op [slachtoffer 2] . Er zijn dus in totaal ten minste 9 schoten gelost. Elk van deze schoten was raak.

Wie waren er aanwezig in het vakantiehuisje op 14 oktober 2015

De verdachten [slachtoffer 3], [mededader], [mededader 3], [verdachte] en [mededader 2] hebben allen verklaard op 14 oktober 2015 in het vakantiehuisje aanwezig te zijn geweest. [slachtoffer 3] verklaarde hierover: ‘ik was met twee kennissen van me. Er kwamen nog vier andere jongens, dit zijn drie Marokkanen en een blanke Belg’.
De rechtbank is van oordeel dat er geen bewijs is dat er tijdens de gebeurtenissen in het vakantiehuisje aan de [adres2] in Hooge Zwaluwe op 14 oktober 2015 naast deze 7 personen (de bovengenoemde 5 verdachten, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ) nog anderen aanwezig waren in het huisje. DNA van [mededader 4] is aangetroffen op een peuk in de prullenbak in de keuken. Hij heeft daarover verklaard dat hij op 13 oktober 2015 in het huisje is geweest en toen een sigaret heeft gerookt. [mededader 4] ontkent dat hij op 14 oktober 2015 in het huisje is geweest en geen van de andere verdachten heeft hem op 14 oktober 2015 daar gezien. Onbekende man G is geïdentificeerd en heeft op de zitting van 2 oktober 2019 een verklaring afgelegd. Hij heeft daar een mogelijke reden gegeven voor de aanwezigheid van zijn DNA in de rechter kontzak van de broek van [slachtoffer 1] . Hij ontkende op 14 oktober 2015 in het huisje te zijn geweest. Er is onvoldoende bewijs om hem als deelnemer aan de gebeurtenissen aan te wijzen of hem anderszins als verdachte bij de schietpartij aan te merken.Dit laatste geldt ook voor onbekende man F, wiens DNA is aangetroffen op een tas in de slaapkamer van het vakantiehuisje.
Het doel van de bijeenkomst in het vakantiehuisje op 14 oktober 2015

Alle Belgische verdachten hebben verklaard dat zij naar het vakantiehuisje waren gekomen om voor veel (cash) geld ‘iets’ te kopen. [verdachte] en [mededader 3] spraken over ‘handel’, ‘spullen’ en ‘een monster dat is bekeken’, maar ‘niet getest’. [mededader] en [mededader 2] hebben op de zitting van 16 september 2019 verklaard dat het ging om drugs. [slachtoffer 3] heeft op de zitting van 11 september 2019 verklaard dat de deal over 15 kilo cocaïne ging en dat hij 1 puntje, dus 1000 euro, per kilo zou krijgen. In een PGP-bericht aan [voornaam 2] [getuige] op 13 oktober 2015 om 19:48 uur schrijft [slachtoffer 3] ook dat ‘ze nu 15 kopen’. [mededader 2] sprak over ‘veel geld’, allemaal ‘pakjes’ van vermoedelijk ‘1000 euro’. [mededader 3] verklaarde dat het geld was verpakt in ‘folie en elastiekjes’ en hij en [verdachte] spreken over het ‘tellen’ van het geld in het vakantiehuisje. [mededader] heeft aangegeven dat het ‘25.000 euro’ zou kosten en dat daarvan 1000 euro naar [slachtoffer 3] zou gaan.

De rechtbank stelt derhalve vast dat de Belgische verdachten op 14 oktober 2015 15 kilo cocaïne wilden kopen en dat zij in ieder geval 375.000 euro in contanten bij zich hadden om de drugs te betalen. [slachtoffer 3] was bij deze drugsdeal degene die beide groepen bij elkaar heeft gebracht en hij zou daarvoor ook een soort provisie ontvangen.

De Nederlanders waren met een ander doel naar het vakantiehuisje gekomen.

Dit blijkt naar het oordeel van de rechtbank allereerst uit de PGP-berichten die van tevoren werden verstuurd door [voornaam 2] [getuige] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3]. Uit die berichten werd duidelijk dat [slachtoffer 1] al bij de bijeenkomst op 13 oktober 2015 op de bovenverdieping van het vakantiehuisje aanwezig was. Uit die berichten blijkt ook dat op 13 oktober 2015 al gesproken werd over ‘een actie’ die de volgende dag, 14 oktober 2015, plaats zou gaan vinden. Voorts geeft [slachtoffer 3] in de PGP-berichten aan dat hij er niet bij aanwezig wilde zijn en dat hij de volgende dag met zijn gezin zal moeten verhuizen als de actie voorbij is. Hieruit kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat [slachtoffer 3] de vrees had dat ‘die actie’ die de volgende dag plaats zou vinden voor hem vervelende en verstrekkende gevolgen zou kunnen hebben.

Dit blijkt ook uit de overige voorbereidingen. In de slaapkamer op de eerste verdieping van het vakantiehuisje heeft de politie immers een tas aangetroffen met daarin witte tie-wraps, tape, handschoenen en een politiebadge. In de woonkamer zijn gebruikte tie-wraps gevonden en een politiebadge. In de jaszak van [slachtoffer 1] is een taser gevonden en naast zijn lichaam handschoenen en een bivakmuts. Verderop in deze uitspraak zal ook blijken dat in ieder geval [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vuurwapens bij zich hadden.

[slachtoffer 1] is bovendien op 14 oktober 2015 door [slachtoffer 2] thuis opgehaald en rond 10:00 uur in het vakantiehuisje afgezet. [slachtoffer 2] reed vervolgens alleen naar Albert Heijn in Made om [slachtoffer 3] en de Belgische verdachten op te halen. [slachtoffer 1] had zich dus verstopt in het vakantiehuisje. De Belgische verdachten wisten niet dat hij ook in het huisje aanwezig was.

De rechtbank stelt op grond van deze bewijsmiddelen vast dat de Nederlanders op 14 oktober 2015 naar het vakantiehuisje in Hooge Zwaluwe zijn gegaan met de bedoeling om tijdens de drugsdeal de Belgische verdachten te rippen van het door hen meegebrachte geld.

De gebeurtenissen in het vakantiehuisje op 14 oktober 2015

Op 14 oktober 2015 zijn [mededader], [mededader 2], [mededader 3], [verdachte] en [mededader 4] naar Made gereden en bij Albert Heijn in Made hebben zij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ontmoet. Omdat [slachtoffer 2] aangaf dat hij de groep te groot vond, is [mededader 4] bij Albert Heijn in Made achtergebleven.

Over de gebeurtenissen die vervolgens in het vakantiehuisje hebben plaats gevonden, hebben [mededader] , [mededader 3] , [verdachte] en [mededader 2] bij de politie en tijdens de zitting van 16 september 2019 in grote lijnen de navolgende verklaring afgelegd. Er lagen pakketjes met geld op de salontafel en een paar personen waren het geld aan het tellen. [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] verlieten de woonkamer. Even later stormde [slachtoffer 2] de woonkamer weer binnen met een vuurwapen en een politiebadge in zijn handen. Er wordt “politie, politie” geroepen. Achter hem kwam iemand met een bivakmuts op de woonkamer binnen. Hij had ook een vuurwapen vast. Volgens [mededader] en [mededader 2] kwam daarna [slachtoffer 3] binnen met een vuurwapen in zijn hand; [mededader 3] dacht nog 1 of meer mannen met bivakmuts op te hebben gezien. Vanaf het eerste moment wordt door de overvallers grof geweld toegepast op de Belgische verdachten. Direct na binnenkomst werd hard met een vuurwapen op het hoofd van [verdachte] ingeslagen, waardoor hij forse verwondingen heeft opgelopen aan zijn hoofd. Dit blijkt ook uit het grote aantal bloedsporen van [verdachte] die in het vakantiehuisje is aangetroffen. Ook [mededader] werd meteen met een vuurwapen in zijn gezicht geslagen en liep daarbij forse verwondingen op. Van hem is bloed op de bank aangetroffen. De Belgische verdachten hebben verklaard dat zij van de Nederlanders op de grond moesten gaan liggen en dat zij werden vastgebonden met tie-wraps. Naar eigen zeggen werden de Belgische verdachten geslagen en geschopt terwijl ze op de grond lagen.

Gelet op het feit dat alle vier de Belgische verdachten hierover in grote lijnen vergelijkbare verklaringen hebben afgelegd en gezien het ondersteunend forensisch bewijs, acht de rechtbank voldoende bewezen dat [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hebben geprobeerd [mededader] , [mededader 3] , [verdachte] en [mededader 2] met grof geweld en onder bedreiging met vuurwapens het drugsgeld afhandig te maken. Waarschijnlijk om verwarring te zaaien hebben zij zich daarbij voorgedaan als politieagenten.

De rechtbank concludeert dat [slachtoffer 1] degene was die na [slachtoffer 2] de woonkamer binnenstormde met een bivakmuts op. De rechtbank heeft immers al eerder vastgesteld dat [slachtoffer 1] reeds aanwezig was in het huisje op het moment dat de Belgische verdachten daar aankwamen, dat [slachtoffer 1] in de woonkamer is geweest en daar ook is beschoten, dat er geen bewijs is dat er andere personen aanwezig waren in het huisje tijdens de schietpartij en dat naast het lichaam van [slachtoffer 1] een bivakmuts is gevonden.

Op het moment dat [mededader] geboeid op de grond lag, is hij plotseling en zonder enige aanleiding beschoten en het is deze beschieting van [mededader] geweest die alle aanwezige Belgische verdachten heeft doen beseffen dat zij ernstig moesten vrezen voor hun leven. In dit verband heeft [mededader] verklaard: ‘ik dacht alleen dat ze van plan waren ons af te maken’. [verdachte] heeft verklaard: ‘Ik hoorde een schot en gegil. Ik ben zelf overeind gesprongen en stond ineens in de keuken. Ik dacht dat we al overmeesterd waren en dat ik de volgende zou zijn. Ik keek om me heen en zag mannen recht staan en mijn vrienden op de grond liggen. Ik wilde alleen weg komen’ en ‘Gedurende dit gebeuren was ik in een
doodsgevecht’. [mededader 2] heeft verklaard: ‘Ik probeerde weg te komen omdat mijn broer werd geschoten. Ik dacht dat het ook mijn beurt zou zijn en ik wilde maar één ding en dat was wegkomen’. En tot slot [mededader 3] die heeft verklaard: ‘Ik dacht op dat moment dat ik dood zou gaan. Ik ben recht gesprongen en tijdens het recht springen zijn die bandjes open geploft. Het was puur overlevingsinstinct. Ik dacht dat ik dood zou gaan omdat ze gewoon op mensen schieten die geboeid op de grond liggen’.

Alle Belgische verdachten hebben tijdens de zitting van 16 september 2019 verklaard dat het neerschieten van [mededader] de directe aanleiding was om zich los te rukken uit de tie-wraps en in actie te komen. De rechtbank stelt vast dat deze verklaringen worden bevestigd door de gebruikte tie-wraps die gevonden zijn in de woonkamer met het DNA van [mededader] , [mededader 3] en [mededader 2] erop, de eerder genoemde camerabeelden van het ziekenhuis in Oosterhout waarop is te zien dat [mededader 3] een wit sliertje aan zijn pols had en de letselrapporten van [mededader 2] en [mededader 3] waaruit blijkt dat beiden een litteken hebben aan de linker hand respectievelijk rechterpols, passend bij het loswrikken van kabelbinders.

Uit de verklaring van [mededader] volgt dat hij vervolgens in gevecht is gekomen met [slachtoffer 2] , dat hij het wapen van [slachtoffer 2] in handen heeft gekregen en dat hij [slachtoffer 2] daarmee meerdere keren op het hoofd heeft geslagen. De rechtbank stelt vast dat deze verklaring past bij de bij [slachtoffer 2] aan zijn hoofd geconstateerde verwondingen, zoals hiervoor reeds vermeld. [verdachte] heeft verklaard dat hij naar de keuken is gerend, daar een stoel heeft gepakt en met die stoel op de rug van [slachtoffer 1] heeft geslagen. Hij is daarna met [slachtoffer 1] in een worsteling terecht gekomen, waarbij hij het vuurwapen van [slachtoffer 1] heeft kunnen afpakken. Er is inderdaad een stoel uit de keuken op de grond in de woonkamer aangetroffen met bloed van [verdachte] erop. [slachtoffer 1] had letsel aan zijn achterhoofd dat veroorzaakt zou kunnen zijn door de stoel. [mededader 3] heeft verklaard dat hij naar de keuken is gerend en daar de waterkoker heeft gepakt en dat hij het kokende water naar [slachtoffer 1] heeft gegooid. Hij heeft [slachtoffer 1] een paar trappen gegeven. Daarna is hij naar [mededader] en [slachtoffer 2] gegaan, die elkaar op dat moment bij de keel vast hadden. [mededader 3] heeft verklaard dat hij [slachtoffer 2] ook een paar harde klappen en trappen heeft gegeven. Er is inderdaad een waterkoker op de grond in de gang aangetroffen. De deksel lag in de woonkamer. [mededader 2] heeft verklaard dat hij probeerde weg te komen en dat tijdens het slaan het meubilair alle kanten op ging en dat hij zelf ook nog een stoel naar iemand heeft gegooid.
Omdat de verklaringen van de Belgische verdachten op deze onderdelen worden ondersteund door forensisch bewijs, gaat de rechtbank er vanuit dat de gebeurtenissen hebben plaatsgevonden zoals door hen is verklaard.

Uit deze verklaringen leidt de rechtbank af dat de Belgische verdachten, direct na het beschieten van [mededader] , maar één gezamenlijk doel hadden en dat was om levend uit het vakantiehuisje weg te komen. Zij hebben bij dat wegkomen geopereerd als hechte vriendengroep, waarbij ze onderling nauw samenwerkten om iedereen van de groep uit het huisje weg te krijgen. In die overlevingsmodus weten zij de tie-wraps te verbreken en doen zij er alles aan om de Nederlanders te overmeesteren om samen te kunnen ontkomen.

De schietpartij

Daarmee is nu de vraag aan de orde door wie en wanneer de schoten zijn gelost die [slachtoffer 3] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben geraakt. Is dit, zoals door de officier van justitie is betoogd, gebeurd op het moment dat de Belgische verdachten nog in het huisje aanwezig waren? En hebben de Belgische verdachten alle schoten gelost en dus ook de (dodelijke) verwondingen toegebracht aan [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] ? Of moet worden uitgegaan van het scenario dat door de verdediging is geschetst dat de Belgische verdachten de (dodelijke) verwondingen niet hebben toegebracht en dat dit door derden op een later tijdstip is gebeurd. Immers, volgens de verdediging hebben de Belgische verdachten geen schoten gelost.

Op welk moment is er geschoten op de Nederlanders?

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat er voldoende bewijs is dat tijdens de worsteling die is ontstaan na het beschieten van [mededader] meerdere schoten zijn gelost. [mededader 3] verklaart hierover bij de politie. Hij zegt dat in het gevecht met [slachtoffer 1] het wapen van [slachtoffer 1] meerdere keren is afgegaan en dat hij last had van zijn ademhaling door de kruitdampen in de woonkamer. Ook [verdachte] heeft verklaard dat hij, nadat hij los kwam uit de tie-wraps, meerdere schoten heeft gehoord.

Verder heeft de rechtbank al eerder vastgesteld dat [slachtoffer 2] is neergeschoten terwijl hij in een hoek in de woonkamer stond. Hij is tegen de muur in elkaar gezakt en overleden in de positie waarin hij uiteindelijk ook is aangetroffen. Gelet op het massale bloedverlies en het functieverlies van beide longen gaat de rechtbank er vanuit dat [slachtoffer 2] vrijwel onmiddellijk na het neerschieten is overleden.

[voornaam 2] [getuige] heeft verklaard dat [slachtoffer 1] op 14 oktober 2015 omstreeks 10.45 of 10.50 uur vier PGP-berichten naar hem heeft gestuurd gedurende een periode van 10 tot 12 minuten. Het eerste bericht luidde: ‘ik ben zwaargewond, die anderen zijn dood’ en het tweede bericht: ‘ik heb hulp nodig’. Deze verklaring past bij de historische verkeersgegevens van de Blackberry van [slachtoffer 1] , waaruit blijkt dat de Blackberry op 14 oktober 2015 van 10:52 tot 10:55 uur en van 10:58 tot 11:08 uur online is geweest. De rechtbank begrijpt uit deze PGP-berichten dat [slachtoffer 1] op dat moment al was neergeschoten en dodelijk verwond, en dat [slachtoffer 2] reeds was overleden.
Gelet op de verklaring van [slachtoffer 3], de bij hem geconstateerde verwondingen en de bloedsporen die van hem zijn aangetroffen op het hek bij het huisje, is de rechtbank van oordeel dat ook hij op 14 oktober 2015 werd beschoten en dat dit is gebeurd op het moment dat de Belgische verdachten zich nog in het vakantiehuisje bevonden. Hij verklaarde namelijk dat hij is gevlucht uit het huisje nadat hij het eerste schot hoorde en dat hij tijdens zijn vlucht is beschoten. De Belgische verdachten waren toen nog binnen. Daarnaast heeft [slachtoffer 3] verklaard dat hij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dood heeft aangetroffen na zijn terugkeer in het vakantiehuisje.

Uit de track&trace gegevens van de VW Golf waarin [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] naar het vakantiehuisje in Hooge Zwaluwe zijn gereden, met daarachter de zwarte Mercedes met de Belgische verdachten, blijkt dat zij rond 10:51 uur bij het huisje zijn gearriveerd. De Belgische verdachten vertrekken weer rond 10:55 uur en arriveren uiteindelijk om 11:34 uur bij het ziekenhuis in Oosterhout. [mededader 3] zei hierover: ‘het ging allemaal zo snel’ en ‘het is allemaal in minder dan een minuut gebeurd’.

Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de schoten die hebben geleid tot het (dodelijke) letsel bij [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zijn gelost toen de Belgische verdachten nog aanwezig waren in het huisje en dat alle (dodelijke) verwondingen tijdens het ontsnappingsgevecht zijn ontstaan.

Door wie is er geschoten op de Nederlanders?

Daarmee is de vraag wie er heeft geschoten echter nog niet beantwoord. De rechtbank heeft op grond van de bewijsmiddelen niet kunnen vaststellen wie in het vakantiehuisje op wie geschoten heeft. De verdachten ontkennen te hebben geschoten en het technische bewijs geeft hierover geen uitsluitsel.

Wat de rechtbank in ieder geval wel kan vaststellen is dat de Belgische verdachten, als het gaat over wie er op wie heeft geschoten en wanneer dat is gebeurd, ongeloofwaardige verklaringen hebben afgelegd. Immers, in hun visie waren zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 1] niet gewond bij het verlaten van de woning en zouden alle kogels zijn afgevuurd door de Nederlanders. De door de Belgische verdachten afgelegde verklaringen stroken ook niet met het gegeven dat met vier verschillende wapens is geschoten, dat [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zijn geraakt door drie verschillende wapens en dat de twee kogels die in het lichaam van [slachtoffer 1] zijn aangetroffen uit twee verschillende wapens afkomstig blijken te zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de Belgische verdachten in hun poging om te ontsnappen aan de overval wel degelijk meerdere keren hebben geschoten waarbij ze de (dodelijke) verwondingen bij [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] hebben toegebracht.

De verklaring van [mededader] dat hij het wapen van [slachtoffer 2] heeft afgepakt en de verklaring van [verdachte] dat hij het wapen van [slachtoffer 1] heeft afgepakt, ondersteunen die lezing. In een OVC gesprek dat [mededader] heeft gevoerd met [getuige 2] zegt hij ook dat hij ‘kracht van God kreeg’, dat ‘het overlevingsinstinct was’ en dat ‘die bastaards allemaal zijn gedaan door Marokkaansen’. Als [getuige 2] vraagt wie, dan zegt [mededader] : ‘degene die dood zijn gegaan’ en even later: ‘ik heb zijn pistool kunnen afpakken’ en ‘hij is dood gegaan met zijn eigen pistool’.

Aangezien niet kan worden vastgesteld wie de (dodelijke) schoten heeft of hebben afgevuurd, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of de Belgische verdachten tezamen als medeplegers kunnen worden aangemerkt van de doodslag op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en de poging daartoe op [slachtoffer 3] zonder dat individuele schutters zijn aan te wijzen.

Medeplegen in het algemeen

Op grond van de geldende jurisprudentie geldt als voorwaarde voor het medeplegen dat sprake moet zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Het accent ligt daarbij volgens de Hoge Raad op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. Deze jurisprudentie leidt tot de belangrijke en moeilijk te beantwoorden vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken. Die vraag laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Algemene regels daarover kunnen niet worden gegeven. Wel formuleert de Hoge Raad enige aandachtspunten.De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de kwalificatie medeplegen slechts dan gerechtvaardigd is als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Voor de bewezenverklaring van medeplegen is niet vereist is dat het gewicht van de bijdrage van de verdachte gelijkwaardig is aan dat van zijn mededader(s). Voor het gewicht van de rol van de medepleger kan ook worden gewezen op artikel 141, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht. Het daar strafbaar gestelde "in vereniging plegen" van geweld eist dat de verdachte "een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het geweld" heeft geleverd, terwijl deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn geweest.
Om te komen tot het oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit.
Medeplegen in dit concrete geval

Uit de verklaringen van de Belgische verdachten kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat zij een vriendengroep vormden, dat deze groep hecht was en dat zij vaker gezamenlijk als groep optraden. [verdachte] gaf aan: ‘als er een deal moet worden gesloten, dan komen wij met meerderen, dat willen wij zelf’. [mededader 3] heeft verklaard dat zij ‘daar als groep waren en daarmee dus één geheel. We kennen elkaar al jaren en kunnen goed met elkaar opschieten’. [mededader 2] en [mededader] zijn broers en [mededader 3] is hun neef.

Het opzet van deze vriendengroep was aanvankelijk het kopen van cocaïne. Echter door de door de Nederlanders ingezette rip, veranderde het opzet van de Belgische verdachten en daarna was de samenwerking tussen de Belgische verdachten enkel nog gericht op het koste wat kost ontkomen aan de doodsbedreiging, ontstaan uit het door de Nederlanders toegepaste excessieve geweld. Dit excessieve geweld, waarbij met een vuurwapen gericht op [mededader] werd geschoten terwijl hij geboeid op de grond lag, was dermate extreem dat de Belgische verdachten ieder voor zich dachten dat ze om het leven zouden komen in het vakantiehuisje. De hiervoor geciteerde verklaringen van de Belgische verdachten geven dit ook weer.

Het is naar de overtuiging van de rechtbank die gezamenlijke doodsangst van de Belgische verdachten geweest en de drang die ontstond om koste wat kost daaraan te ontkomen, die tot de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en het neerschieten van [slachtoffer 3] heeft geleid. De Belgische verdachten hebben naar het oordeel van de rechtbank hiermee het opzet op het uitschakelen van de Nederlanders gehad en hebben daarbij ook bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat één of meer van de Nederlanders zouden worden gedood of ernstig gewond zouden raken. [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zijn meerdere keren beschoten, elk schot was raak, ze zijn alle drie geraakt in hun bovenlichaam. Ontsnappen aan een situatie waarin je overmeesterd bent, onder schot wordt gehouden met meerdere vuurwapens en uiteindelijk daadwerkelijk wordt beschoten, noodzaakt ook tot toepassing van soortgelijk en potentieel dodelijk (vuurwapen)geweld om aan deze situatie te ontsnappen.

Daar komt bij dat de rechtbank zich op het standpunt stelt dat ontsnappen aan een dergelijke situatie als individu niet mogelijk was. De ontsnapping heeft alleen kunnen slagen omdat de Belgische verdachten tegelijk de aanval in hebben gezet en zij elkaar hebben geholpen in het gevecht tegen de Nederlanders. Als [mededader 3] gevraagd wordt wat maakte dat hij [mededader] ging helpen in het gevecht met [slachtoffer 2] , antwoordde hij: ‘Ik moet toch helpen. Hij was gewond. Ik kon toch niet weg zonder mijn maten’. Zowel hij als [verdachte] waren op enig moment weg uit de woonkamer, maar gaan weer terug de woonkamer in om hun vrienden te helpen, gewapend met een waterkoker met kokend water en een stoel.Dat alle Belgische verdachten aan de vlucht uit het vakantiehuisje en het daarmee gepaard gaande geweld hebben deelgenomen blijkt dus uit de verklaringen zoals die reeds hiervoor zijn aangehaald. [mededader] en [verdachte] hebben beiden verklaard dat zij de vuurwapens van respectievelijk [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] afhandig hebben gemaakt. Zij hebben gevochten met
[slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en hen met die vuurwapens geslagen. Daarnaast hebben [verdachte] , [mededader 2] en [mededader 3] verklaard dat ze fysiek geweld hebben toegepast door met kokend water en stoelen te gooien. [mededader 3] heeft verklaard zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] met alle kracht geschopt en geslagen te hebben.

Al dit fysieke geweld en de schoten die door de Belgische verdachten tijdens die vechtpartij zijn gelost, werden naar het oordeel van de rechtbank met hetzelfde opzet - het uitschakelen van de Nederlanders - gepleegd. [mededader] , [mededader 2] , [mededader 3] en [verdachte] hebben gezamenlijk de aanval ingezet tegen de Nederlanders om te ontkomen aan de dood en hebben daarbij fors fysiek maar ook vuurwapengeweld niet geschuwd. Dit maakt dat zij gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en voor de ernstige verwondingen van [slachtoffer 3] . Dat niet kan worden vastgesteld wie de kogels uiteindelijk heeft of hebben afgevuurd doet daaraan niet af. Een ieder heeft, door de gezamenlijke beslissing om koste wat kost aan de situatie waarin zij verkeerden te ontkomen, de aanmerkelijke kans aanvaard dat daarbij vuurwapengeweld tegen de Nederlanders zou moeten worden toegepast. De Belgische verdachten hebben als groep bewust en nauw samengewerkt aan het gezamenlijke doel om te ontsnappen en elke verdachte heeft een bijdrage aan het geweld geleverd die van voldoende gewicht was om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat het onder 1 tenlastegelegde medeplegen van de doodslag van [slachtoffer 1] en van [slachtoffer 2] en het onder 2 primair tenlastegelegde medeplegen van de poging tot doodslag van [slachtoffer 3] wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Voorbedachte rade

De onder beide feiten tenlastegelegde voorbedachte rade kan naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen worden. Voorbedachte rade vereist immers dat er sprake is van een moment van kalm beraad en rustig overleg. Daar is in het onderhavige geval naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van geweest.






4.4
De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
feit 1

op 14 oktober 2015 te Hooge Zwaluwe, gemeente Drimmelen, tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer 1] en M. [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met dat opzet met een vuurwapen kogels in/door het lichaam van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te schieten, waardoor voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn overleden.
feit 2 primair

op 14 oktober 2015 te Hooge Zwaluwe, gemeente Drimmelen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer 3] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet, met een vuurwapen kogels in het lichaam van die [slachtoffer 3] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5

5.1
Het standpunt van de verdediging

De verdediging sluit zich aan bij het standpunt van de officier van justitie hierover.
5.2
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft in zijn requisitoir aangevoerd dat in de onderhavige zaak zelfverdediging aannemelijk is en dat het door de Belgen gebruikte geweld in het vakantiehuisje enkel een reactie is geweest op het plotselinge geweld waarmee ze geconfronteerd werden. Dit op de Belgen toegepaste geweld was onnodig, excessief en potentieel dodelijk. De officier van justitie is daarom van mening dat bij de Belgen sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging en dat er, zo er al geen sprake zou zijn van noodweer, in ieder geval sprake is geweest van een noodweerexces-situatie. De officier van justitie meent dan ook dat verdachte daarom dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
5.3
Het oordeel van de rechtbank

Volgens vaste rechtspraak dient voor een geslaagd beroep op noodweer aannemelijk te zijn dat er sprake was van een noodzakelijke verdediging tegen een onmiddellijk dreigend gevaar tegen het eigen lijf of dat van een ander. Het verdedigingsmiddel mag niet in onredelijke verhouding staan tot de ernst van de aanranding en er mag geen sprake zijn van een situatie waarin de verdachte zich aan de aanranding had kunnen en ook had moeten onttrekken (Hoge Raad 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, rechtsoverwegingen 3.6). Onder bijzondere omstandigheden kunnen gedragingen van de verdachte aan het slagen van een beroep op noodweer in de weg staan, bijvoorbeeld als de verdachte het latere slachtoffer heeft geprovoceerd of bewust de confrontatie heeft opgezocht. De enkele omstandigheid dat een verdachte zich willens en wetens in een gevaarlijke situatie heeft begeven of dat een verdachte zich als voorzorgsmaatregel van een illegaal vuurwapen had voorzien, is daartoe evenwel onvoldoende (culpa in causa, rechtsoverweging 3.7.1).
De rechtbank is in de bewijsoverwegingen uitgebreid ingegaan op de specifieke omstandigheden waaronder verdachte de feiten samen met zijn medeverdachten heeft gepleegd. De Belgische verdachten werden met grof geweld en onder bedreiging van vuurwapens overvallen. [verdachte] en [mededader] raakten daarbij fors verwond aan het hoofd. Terwijl zij al overmeesterd waren en geboeid met tie-wraps op de grond lagen, werd [mededader] vervolgens van dichtbij beschoten. Deze geweldsuitspatting maakte dat de Belgische verdachten vreesden voor hun leven. Verdachte en zijn medeverdachten meenden en mochten ook menen dat zij in levensgevaar waren en dat zij onmiddellijk moesten optreden om te voorkomen dat zij zouden worden doodgeschoten. Er was sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het eigen of eens anders lijf. De rechtbank is verder van oordeel dat, hoe ernstig de gevolgen ook waren, de Belgische verdachten daarbij hebben voldaan aan de noodzakelijke voorwaarden van proportionaliteit en subsidiariteit. Van hen kon op dat moment niet worden gevergd dat zij, in de hectiek van het moment en in de doodsangst waarin zij verkeerden, minder ingrijpend zouden reageren. Zij werden in elkaar geslagen en beschoten door de latere slachtoffers, waarbij [mededader] ernstig gewond is geraakt. Het door de Belgische verdachten gebruikte (vuurwapen)geweld was naar het oordeel van de rechtbank geboden voor de noodzakelijke verdediging van het eigen en elkaars leven.

Verder oordeelt de rechtbank dat er geen reële en redelijke mogelijkheid was voor de verdachten om zich aan de aanranding te onttrekken. Bij de gevechten en de schietpartij waren meerdere personen betrokken die zich allemaal in dezelfde kleine woonkamer bevonden. [mededader 2] en [mededader] hadden in eerste instantie geen mogelijkheid om zich aan de situatie te onttrekken gelet op hun positie midden in de woonkamer. Het is [verdachte] en [mededader 3] op enig moment wel gelukt om uit de woonkamer te ontsnappen, maar omdat zij hun vrienden niet achter wilden laten, zijn zij, gewapend met stoel en waterkoker, weer teruggegaan. Van hen kon naar het oordeel van de rechtbank niet gevergd worden dat zij [mededader] en [mededader 2] in levensgevaarlijke omstandigheden achter zouden laten.

De enkele omstandigheid dat verdachte zichzelf willens en wetens in een potentieel gevaarlijke situatie heeft gebracht door zich bezig te houden met de illegale cocaïne handel, maakt dat naar het oordeel van de rechtbank niet anders. De illegaliteit van de drugshandel en het geweld waarmee dat soms gepaard gaat, maakt nog niet dat er bij elke drugsdeal op voorhand sprake is van zodanige ‘eigen schuld’ dat dit aan aanvaarding van het beroep op noodweer in de weg staat. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen bijzondere feiten en omstandigheden vast komen te staan, die maakten dat de Belgische verdachten er op hadden moeten rekenen dat zij geript zouden gaan worden. Er was wel wat wantrouwen naar de Nederlanders toe, maar dat was vooral gericht op de kwaliteit van de cocaïne, gelet op de prijs die werd gevraagd.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer en dat hij daarom niet strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank zal verdachte dan ook ontslaan van alle rechtsvervolging.

6

De benadeelde partijen [initialen] [slachtoffer 1] en [naam benadeelde partij] namens haarzelf en ook als wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarigen [voornaam 3] [slachtoffer 1] en [voornaam 3] [slachtoffer 1] , vorderen een schadevergoeding voor feit 1 van respectievelijk € 32.312,99 en drie maal het bedrag van € 10.006,63.
Nu aan verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd omdat hij niet strafbaar wordt geacht voor feit 1, waaruit de schade zou zijn ontstaan, zal de rechtbank de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen.

7

De beslissing berust op de artikelen 45, 47, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
beslissing

8

De rechtbank:
- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
- verklaart ;
- verklaart de benadeelde partijen [initialen] [slachtoffer 1] en [naam benadeelde partij] namens haarzelf en ook als wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarigen [voornaam 3] [slachtoffer 1] en [voornaam 3] [slachtoffer 1] , niet-ontvankelijk in hun vorderingen en bepaalt dat de vorderingen bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil;
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Bewezenverklaring

feit 1:

feit 2 primair:

Benadeelde partijen

Bevel voorlopige hechtenis

Dit vonnis is gewezen door mr. Hertsig, voorzitter, mr. Peters en mr. Fleskens, rechters, in tegenwoordigheid van Nouws, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 27 november 2019.

_d2e2fa56-283c-4e25-bbda-a633dd4d5a26
1

Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer ZBRAB15006, TGO Blackheath van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 2907 (hierna te noemen proces-verbaal 1) of een pagina van het forensisch dossier proces-verbaalnummer 2015-266903 TGO Blackheath van de regionale politie Zeeland-West-Brabant, team forensische opsporing, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 1726 (hierna te noemen proces-verbaal 2) Het proces-verbaal van bevindingen over de camerabeelden van het ziekenhuis, pagina 36 van proces-verbaal 1, waaruit blijkt dat de zwarte Mercedes op dit tijdstip het parkeerterrein op rijdt en [mededader] door 2 mannen wordt afgezet, de verklaring van [mededader 3] op pagina 2206 van proces-verbaal 1 en de verklaring van [verdachte] op pagina 2484 van proces-verbaal 1.
_77a12d55-59ab-4257-a43f-632d8148f149
2

Het letselrapport [mededader] , pagina 820 van proces-verbaal 2, in combinatie met het rapport onderzoek kleding [mededader] , pagina 760 van proces-verbaal 2.

_b9374442-7f55-4ed3-b34f-c880fdbfa8d6
3

De processen-verbaal van bevindingen, pagina’s 1 en 25 van proces-verbaal 1.

_b6aa5fbb-fa45-423e-96f3-ddad23741a77
4

Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 63 van proces-verbaal 1.

_1927b4a6-72d3-488e-b763-ac4ddb91cfec
5

Het letselrapport [slachtoffer 3] op pagina 750 van proces-verbaal 2, in combinatie met het rapport onderzoek kleding [slachtoffer 3] , pagina 721 van proces-verbaal 2..

_de201748-1385-42da-8fc8-5b8988ebbdc4
6

Het proces-verbaal onnatuurlijke dood [slachtoffer 1] , pagina 572 van proces-verbaal 1.

_15291663-afb6-45ea-9e97-ae31a38285b2
7

Het proces-verbaal onnatuurlijke dood [slachtoffer 2] , pagina 572 van proces-verbaal 1.

_63cba79d-97ef-4f41-82d0-dd8124d3dc12
8

Het proces-verbaal verslag binnentreden, pagina 175 van proces-verbaal 1.

_642ee457-4798-4239-a596-2ba0e12c8302
9

Het pathologisch rapport [slachtoffer 1] , pagina 518 van proces-verbaal 2, en het radiologisch rapport [slachtoffer 1] , pagina 459 van proces-verbaal 2.

_02dadd6b-ba41-4b68-abe4-c1e93f783757
10

Het aanvullend schotrestenonderzoek van het NFI, pagina 1473 van proces-verbaal 2

_8cf48f4d-1c63-486c-84d9-40968fd3014c
11

Het proces-verbaal relaas, pagina 99 van proces-verbaal 2, en een vindplaats van de blauwe steentjes o.a. bij bordje 12 tussen de benen van [slachtoffer 2] , pagina 412 en 258 van proces-verbaal 2

_3b576785-547e-4b5f-847c-2c9a5d190315
12

Het pathologisch rapport [slachtoffer 2] , pagina 677 van proces-verbaal 2, en het radiologisch rapport [slachtoffer 2] , pagina 616 van proces-verbaal 2.

_a4a3c9aa-3fc7-4b16-bc8d-5a31b7a5079e
13

Het proces-verbaal relaas, pagina 99 van proces-verbaal 2.

_7e97f4e1-0007-4fcd-a8d0-6008163183ba
14

Het NFI-rapport van 3 februari 2016 en het aanvullend rapport van 15 april 2016, pagina 1283 e.v. van proces-verbaal 2.

_6b59896f-3528-44e9-83ff-aa834d069b36
15

Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 3] , pagina 129 van proces-verbaal 1.

_9cdbf31a-5c93-45f3-bf32-9843be9fcaa0
16

Het proces-verbaal van verhoor [mededader] , pagina 122 van proces-verbaal 1.

_0d07c368-9cb5-4c8f-b987-35b89dbc8e1c
17

Het proces-verbaal verhoor [mededader 3] , pagina 1186 van proces-verbaal 1.

_ad8ff1b0-1927-4259-993b-c335dfa56a5a
18

Het proces-verbaal verhoor [verdachte] , pagina 1297 van proces-verbaal 1.

_242747d8-1041-4082-80ff-5645d8895a9b
19

Het proces-verbaal verhoor [mededader 2] , pagina 1430 van proces-verbaal 1.

_65e8ae8d-57ae-4e8b-82ae-57a1ebf63b05
20

Het proces-verbaal verhoor [verdachte] , pagina’s 2419 en 2452 van proces-verbaal 1, en het proces-verbaal van verhoor [mededader 3] , pagina’s 2137 en 2164 van proces-verbaal 1.

_ea91d619-6b60-4ddf-ab1a-d7c1bce8d48c
21

Het proces-verbaal van bevindingen nr. 747 over PGP-berichten onderzoek 26Sassenheim van 27 november 2018, pagina 5, los stuk in het dossier.

_eb825707-e0f9-402a-886f-ed68d91d4ebf
22

Het proces-verbaal van verhoor [mededader 2] , pagina 2683 van proces-verbaal 1.

_e31ec33a-5b8a-4d97-977c-0f3b92f6044b
23

Het proces-verbaal van verhoor van [mededader 3] , pagina’s 2168 en 2171 van proces-verbaal 1, en het proces-verbaal van verhoor van [verdachte] , pagina 2422 van proces-verbaal 1.

_6499ab70-6f78-4f3a-a671-b0552350a401
24

Het proces-verbaal van verhoor van [mededader] , pagina 1864 van proces-verbaal 1.

_cbfb8448-c35a-455b-8c43-9c51b765ee6c
25

De verklaring van [slachtoffer 3] , afgelegd op de zitting van 11 september 2019 en de verklaring van [mededader] , afgelegd op de zitting van 16 september 2019.

_02509f02-1dea-485b-a9fc-3946fcc842d0
26

Het proces-verbaal van bevindingen onderzoek PGP berichten onderzoek 26Sassenheim d.d. 6 mei 2019.

_a6940b5f-606b-40fd-9f94-e2ac9f0c89d4
27

Het proces-verbaal sporenonderzoek, pagina 235 van proces-verbaal 2.

_5f4e6f24-dafa-40e6-99c1-299b839ac070
28

Dit blijkt uit de camerabeelden van de woning van [slachtoffer 1] in Almere op pagina 502 e.v. van proces-verbaal 1, het gebruik door [slachtoffer 2] van de VW Golf met kenteken [kenteken] op pagina 393 van proces-verbaal 1, de track&trace gegevens van de VW Golf [kenteken] op pagina 437 van proces-verbaal 1, en het aanstralen van de Blackberry van [slachtoffer 1] in de omgeving van Hooge Zwaluwe vanaf 09:45 uur op pagina 699 van proces-verbaal 1.

_4113bf44-a92c-4d28-8c16-e2a62623a661
29

De verklaring van [mededader] , afgelegd op de zitting van 16 september 2019.

_b248f7f0-6af6-4bfa-9491-fbfc6e94f355
30

De verklaring van [mededader 2] , afgelegd op de zitting van 16 september 2019.

_96fe315e-3e18-4300-ac08-52fb2c29d492
31

De verklaring van [mededader 3] , afgelegd op de zitting van 16 september 2019

_fb25144b-b59b-45d7-ad3a-5e84b24ecec2
32

De verklaring van [verdachte] , afgelegd op de zitting van 16 september 2019.

_aae2844f-2685-4c58-9e78-ccab3cdda535
33

Het proces-verbaal van bevindingen uitwerking camerabeelden Vlinderscrime, interview met [mededader 4] (stemherkenning), pagina 692 van proces-verbaal 1.

_a1412664-1cd7-437b-a168-4d380f507e8a
34

Het proces-verbaal van bevindingen camerabeelden Albert Heijn in Made, waaruit blijkt dat [mededader 4] om 10:49 uur iets afrekent bij de kassa, pagina 597 van proces-verbaal 1.

_339d42e3-4ebd-471a-943c-3aedd05a3423
35

DNA-onderzoek NFI match onbekende man D en [verdachte] , pagina 1448 van proces-verbaal 2.

_3a0eded0-2a9e-4769-af33-f2da566a619b
36

Zie noot 3 en 4.

_fbef059e-fd77-4d0f-ac48-a9026a78cb3b
37

Het NFI-rapport van 26 januari 2016, pagina 1346 van proces-verbaal 2.

_45904bc1-6370-4cdc-96c0-a30b1400c410
38

De verklaringen van de verdachten tijdens de zitting van 16 september 2019.

_3578fd5f-bda5-4642-8791-0fd3b5b417af
39

De verklaring van [mededader 2] , afgelegd op de zitting van 16 september 2019

_64723b7f-f33e-425a-9456-b3ea8b5cbd13
40

De verklaring van [mededader] , afgelegd op de zitting van 16 september 2019.

_7caf0e17-627e-