Uitspraak ECLI:NL:RBZWB:2019:495

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 07-02-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 07-02-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBZWB:2019:495, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 19/60


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANTuitspraak van 7 februari 2019 van de voorzieningenrechter in de zaken tussen [naam verzoekers 1] ,de burgemeester van de gemeente Oosterhout (de burgemeester).

1. [naam verzoekers 1]

2. [naam verzoeker 2]

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 19/60 en 19/61 WET VV

te [vestigingsplaats verzoekers] (verzoeksters),gemachtigde: mr. M.P. Wolf,
en

ECLI:NL:RBZWB:2019:495:DOC
nl

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANTuitspraak van 7 februari 2019 van de voorzieningenrechter in de zaken tussen [naam verzoekers 1] ,de burgemeester van de gemeente Oosterhout (de burgemeester).
1. [naam verzoekers 1]

2. [naam verzoeker 2]

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 19/60 en 19/61 WET VV

te [vestigingsplaats verzoekers] (verzoeksters),gemachtigde: mr. M.P. Wolf,
en

procesverloop

Procesverloop
Verzoeksters hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 19 december 2018 (bestreden besluit) van de burgemeester inzake de sluiting van het perceel met opstallen [adres verzoekers] te [vestigingsplaats verzoekers] voor een periode van twaalf maanden. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 24 januari 2019. Namens verzoeksters sub 1 (hierna samen aangeduid als [naam verzoekers 1] ) zijn verschenen [naam belanghebbenden] , bijgestaan door hun gemachtigde en mr. E.C.J. Wouters. Verzoekster 2 (hierna: [naam verzoeker 2] ) heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en mr. E.C.J. Wouters. De burgemeester heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.E.J. Wuijts, en M.A.P. Morreau.

overwegingen

Overwegingen
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
Het perceel [adres verzoekers] te [vestigingsplaats verzoekers] (het perceel) inclusief opstallen is in eigendom van [naam eigenaar] Het perceel bestaat uit twee kadastrale percelen, genummerd B 1667 en B 1635.
Het bedrijfsperceel inclusief opstallen is verhuurd aan [naam verzoekers 1] . [naam verzoekers 1] heeft sinds 1 maart 2015 een deel van het bedrijfsperceel en een deel van de opstallen (onder)verhuurd aan [naam verzoeker 2] en [naam tweede onderhuurder] . De aan de rechterzijde van het perceel gelegen loods is verdeeld in drie compartimenten. [naam verzoeker 2] heeft ongeveer tweederde deel van de loods in gebruik, inclusief het in het middelste deel gelegen laaddok, en de bij de loods gelegen kantine. Ook gebruikt [naam verzoeker 2] een deel van het perceel voor het stallen van voertuigen. Het andere deel van de loods was tot 31 december 2018 in gebruik bij een derde partij. [naam verzoekers 1] heeft de twee kleinere opstallen links achter op het perceel in gebruik, evenals een belangrijk deel van het perceel zelf ten behoeve van de stalling van vrachtwagens en trailers.
Uit de bestuurlijke rapportage van 10 oktober 2018 van de Dienst Landelijke Recherche blijkt dat de Politie Landelijke Eenheid, Dienst Infrastructuur, Opsporing Zuid-West, op 24 augustus 2018 van de Federale gerechtelijke politie, Afdeling Drugs, uit Antwerpen het bericht heeft ontvangen dat in een uit Colombia afkomstige container een partij cocaïne is aangetroffen met een gewicht van ongeveer 3477,9 kilogram. Na het aantreffen van de drugs is een beperkte hoeveelheid in de container achtergelaten ten behoeve van een zogenaamde ‘gecontroleerde aflevering’. De container is op 27 augustus 2018 opgehaald en diezelfde dag afgeleverd bij de loods op het perceel aan de [adres verzoekers] te [vestigingsplaats verzoekers] .

Op 27 augustus 2018 is de Dienst Landelijke Recherche de loods ter aanhouding en doorzoeking ter inbeslagneming binnengetreden en bij nader onderzoek aan de inbeslaggenomen container aan het laaddok is daarin een hoeveelheid van 1160 gram cocaïne aangetroffen.

Bij brief van 5 november 2018 heeft de burgemeester het voornemen kenbaar gemaakt om een last onder bestuursdwang als bedoeld in artikel 13b van de Opiumwet op te leggen, waarbij zal worden gelast het perceel met de bedrijfspanden te sluiten en afgesloten te houden voor een periode van twaalf maanden. Als niet aan die last zal worden voldaan, zal de burgemeester het perceel en de panden met toepassing van bestuursdwang afsluiten.

Verzoeksters hebben hun zienswijze over dit voornemen naar voren gebracht.

Vervolgens heeft de burgemeester verzoeksters bij het bestreden besluit op grond van artikel 13b van de Opiumwet gelast om het bedrijfspand en het bijbehorende erf aan de [adres verzoekers] te [vestigingsplaats verzoekers] binnen drie weken te sluiten en afgesloten te houden voor een periode van twaalf maanden.

Na de indiening van het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen heeft de burgemeester de sluiting opgeschort tot na de uitspraak van de voorzieningenrechter. Ter zitting is toegezegd dat de begunstigingstermijn wordt verlengd tot twee weken na de uitspraak van de voorzieningenrechter.
Verzoeksters hebben, kort samengevat, aangevoerd dat de burgemeester niet van zijn bevoegdheid neergelegd in artikel 13b van de Opiumwet gebruik kan maken, omdat de hersteldoelstellingen niet kunnen worden bereikt. Deze zijn namelijk al verwezenlijkt: verzoeksters waren niet betrokken bij de overtreding, de overtreding is beëindigd en er bestaat geen kans op herhaling vanwege de door verzoeksters getroffen maatregelen. De last zou in dit geval neerkomen op een punitieve maatregel jegens verzoeksters. Voorts hebben zij zich op het standpunt gesteld dat de burgemeester heeft volstaan met een standaard-belangenafweging en dat hij in de bijzondere omstandigheden van dit geval aanleiding had moeten zien om af te wijken van de beleidsregels. Deze bijzondere omstandigheden zijn door de burgemeester niet betrokken bij het besluit, althans de belangafweging dient in het voordeel van verzoeksters uit te vallen. Zij worden onevenredig benadeeld door de sluiting van het perceel. Subsidiair hebben zij gesteld dat in ieder geval niet kan worden overgegaan tot een sluiting van twaalf maanden en dat hen een redelijke termijn moet worden gegund om hun activiteiten elders onder te brengen. Tot slot hebben zij aangevoerd dat in ieder geval het perceel met nummer B 1667 buiten de sluiting moet vallen, en dat uitsluitend (het deel van) de loods op het perceel met nummer B 1635 - waar de drugs zijn aangetroffen - onder de last zou moeten worden gebracht.

Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen.

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

Verzoeksters hebben aangevoerd dat het spoedeisend belang reeds gelegen is in de aard van het besluit, alsmede in de duur van de opgelegde sluiting. Sluiting zal ertoe leiden dat verzoeksters met een enorme schadepost zullen worden geconfronteerd. De continuïteit van de bedrijfsvoering van verzoeksters wordt aangetast, en in het geval van [naam verzoeker 2] zal dit mogelijk zelfs tot een faillissement kunnen leiden. Bovendien wordt hun goede naam aangetast.

De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat verzoeksters een voldoende spoedeisend belang hebben bij het verzoek om voorlopige voorziening. Hoewel verzoeksters geen bewijsstukken hebben overgelegd, is het de voorzieningenrechter ter zitting voldoende aannemelijk geworden dat verzoeksters door het bestreden besluit grote financiële schade lijden. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat zij ter zitting ook gemotiveerd hebben gesteld dat en waarom het niet eenvoudig is om de bedrijfsactiviteiten die door de betrokken ondernemingen ter plaatse worden uitgeoefend, op zeer korte termijn elders onder te brengen. Daarom ziet de voorzieningenrechter voldoende aanleiding om het verzoek inhoudelijk te behandelen.

In artikel 2 van de Opiumwet is, voor zover thans van belang, bepaald, dat het verboden is een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren of aanwezig te hebben.Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Cocaïne staat op lijst I.
Op grond van artikel 5:21 van de Awb wordt onder last onder bestuursdwang verstaan: de herstelsanctie, inhoudende (a) een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en (b) de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

De burgemeester heeft invulling gegeven aan de bevoegdheid die hem op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet toekomt, middels vaststelling van de “Beleidsregels op grond van artikel 13b Opiumwet gemeente Oosterhout” (hierna: de beleidsregels).

In deze beleidsregels is opgenomen dat bij overtreding van artikel 2 van de Opiumwet in verbinding met artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet in of vanuit een voor het publiek toegankelijk lokaal dan wel een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, of daarbij behorende erven, bij een eerste constatering een sluiting voor een periode van twaalf maanden zal worden opgelegd. Van een overtreding is in ieder geval sprake bij de aanwezigheid van harddrugs in het lokaal in een handelshoeveelheid (> 0,5 gram harddrugs/ voor GHB >5 ml).

De voorzieningenrechter acht dit beleid in navolging van de vaste rechtspraak hierover als zodanig niet onredelijk.

7.1
Door verzoeksters wordt niet betwist dat op 27 augustus 2018 in een container aan het laaddok op het perceel 1160 gram cocaïne als bedoeld in lijst I van de Opiumwet is aangetroffen. Evenmin wordt betwist dat de burgemeester op basis van deze vondst in principe bevoegd was om tot sluiting over te gaan op grond van artikel 13b van de Opiumwet.
7.2
Ter zitting hebben verzoeksters nog benadrukt dat het feitelijk slechts ging om het overladen van de container: het bedrijfspand is ongelukkigerwijs gebruikt voor het lossen van een container met verboden middelen. Voor zover verzoeksters hiermee hebben beoogd te stellen dat de burgemeester vanwege het ontbreken van een verband tussen het pand en de drugs niet bevoegd zou zijn om een last onder bestuursdwang op te leggen (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 6 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3339), dan mist die stelling doel.
Weliswaar zijn er geen aanwijzingen voor de conclusie dat er vanuit het pand of vanaf het perceel werd gehandeld, in die zin dat de harddrugs ter plaatse werden verkocht, maar niet in geschil is dat de harddrugs aanwezig waren voor de aflevering of verstrekking. Degenen die door de opsporingsdiensten vooralsnog (mede)verantwoordelijk worden gehouden voor de overtreding, waren destijds respectievelijk als medewerkster en als directeur in dienst van [naam verzoekers 1] . [naam verzoekers 1] is (mede)gebruiker van het perceel en [naam verzoekers 1] is verhuurder van het deel dat door [naam verzoeker 2] wordt gebruikt. De toenmalige directeur van beide vennootschappen heeft, in zijn hoedanigheid van directeur, persoonlijk telefonisch met [naam verzoeker 2] afgesproken dat het laaddok die dag gebruikt zou mogen worden voor het overladen van een container. Dat betekent dat de container met daarin de drugs niet toevalligerwijze aanwezig was, maar dat het laaddok is gebruikt ten behoeve van het beoogde (verdere) transport van de drugs. De stelling dat het verband tussen het pand en de drugs ontbreekt, volgt de voorzieningenrechter daarom niet.

7.3
Dat leidt de voorzieningenrechter tot het voorlopige oordeel dat de burgemeester bevoegd was tot het opleggen van een last onder bestuursdwang.
8.

8.1
Waar het in dit geschil met name om gaat is of de burgemeester in het geval van verzoeksters in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. De burgemeester heeft conform zijn beleid besloten tot een sluiting van het perceel met opstallen voor een periode van twaalf maanden.
8.2
Dat de burgemeester op grond van de aangetroffen hoeveelheid harddrugs en het door hem vastgestelde beleid bevoegd was om tot sluiting voor de genoemde periode over te gaan, betekent niet zonder meer dat de burgemeester daartoe ook kon besluiten. De burgemeester moet bij het nemen van een besluit een nadere beoordeling maken. Zoals de AbRS heeft overwogen in haar uitspraak van 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2840, dient de burgemeester alle omstandigheden van het geval te betrekken bij zijn beoordeling en te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen (vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de AbRS van 16 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:113).
8.3
Uit de beleidsregels volgt dat, ter bescherming van de gezondheid en openbare orde en veiligheid, een strikte handhaving bij overtredingen van de Opiumwet noodzakelijk is om handel in drugs in [vestigingsplaats verzoekers] tegen te gaan. Doel van de handhavingsmatrix is het verschaffen van duidelijkheid en kenbaarheid over welke maatregel van de burgemeester volgt na een overtreding, waardoor er mogelijk een preventieve werking van uit gaat, en het herstel door het beëindigen van, dan wel het voorkomen van herhaling van de overtreding in het pand (woningen en/of lokalen en/of de daarbij behorende erven).
Ter onderbouwing van de stelling dat de met handhaving te dienen doelen reeds zijn bereikt, hebben verzoeksters benadrukt dat zij geen enkele betrokkenheid hadden bij het transport. Het betrof een eenmansactie van de directeur van [naam verzoekers 1] . De daarvoor verantwoordelijk gehouden personen zijn aangehouden en [naam verzoekers 1] heeft de banden met de van betrokkenheid verdachte medewerkers onmiddellijk verbroken. Op het perceel zijn niet langer verboden middelen aanwezig. Bovendien is sprake van vergevorderde gesprekken met een investeerder die het perceel (en enkele andere op het bedrijfsterrein gelegen percelen van [naam eigenaar] ) wenst over te nemen. Het transportbedrijf wordt ook overgenomen en onder een andere naam voortgezet, zodat voor herhaling niet hoeft te worden gevreesd. Sluiting is onder deze omstandigheden niet het geëigende middel, aldus verzoeksters.

Met de burgemeester is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat het feit dat de middelen niet meer aanwezig zijn en de banden met de betrokken medewerkers zijn verbroken, niet betekent dat sluiting van het pand niet langer noodzakelijk is. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat, hoewel aannemelijk is dat de bij het transport direct betrokken personen zijn aangehouden en er geen aanwijzingen zijn voor betrokkenheid van andere personen die werkzaam zijn bij verzoeksters, de stelling dat het transport in de sfeer van de bedrijfsvoering van [naam verzoekers 1] heeft plaats gevonden niet onjuist is. Niet in geschil is immers dat daarvoor een vrachtwagen van [naam verzoekers 1] is gebruikt, met daarop het logo van dit bedrijf, ten behoeve van het transport dat - naar thans moet worden aangenomen - is gefaciliteerd door haar toenmalige directeur en is bestuurd door een chauffeur die eerder in dienst was bij het bedrijf. Namens [naam verzoekers 1] is [naam verzoeker 2] verzocht om toestemming om van het laaddok gebruik te mogen maken. Dat de rit niet in het rooster was opgenomen, maakt het voorgaande niet anders. De burgemeester heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met de inbeslagname van de drugs, de door [naam verzoekers 1] genomen maatregelen en de voorziene bedrijfsovername niet aan alle in de beleidsregels genoemde doelstellingen is voldaan. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat de aangetroffen drugs deel uitmaakte van een transport uit Colombia van een aanzienlijk grotere hoeveelheid van 3477,9 kilogram cocaïne, hetgeen wijst op een professionele organisatie van dit drugstransport. Daarmee is overigens uitdrukkelijk niet gezegd dat binnen het bedrijf nog steeds personen werkzaam zijn die deel uitmaken van dit netwerk, maar door de effectuering van de last wordt voor een ieder duidelijk dat het pand en de daarbij behorende erven aan het drugscircuit zijn onttrokken. Dat het opleggen van een last onder dwangsom daartoe niet een toereikend middel is, heeft de burgemeester voldoende gemotiveerd.

Ten aanzien van de mogelijke overname van dit perceel (en andere percelen) en de bedrijfsactiviteiten overweegt de voorzieningenrechter dat deze omstandigheid op dit moment voor de burgemeester geen aanleiding hoeft te zijn om af te zien van handhaving. Hij heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de beoogde doelstellingen op dit moment nog niet zijn behaald. Zoals de burgemeester in het bestreden besluit - en ook ter zitting - heeft aangegeven, is ook de burgemeester op zoek naar een meer bestendige oplossing van de drugsgerelateerde problematiek op dit deel van het bedrijventerrein. Het staat verzoeksters vrij om zich te zijner tijd tot de burgemeester te wenden met een verzoek om de sluiting eerder op te heffen. De voorzieningenrechter geeft partijen uitdrukkelijk in overweging om hierover constructief met elkaar in gesprek te blijven.

8.4
De burgemeester heeft zich voorts op goede gronden op het standpunt gesteld dat voor de toepasselijkheid van artikel 13b van de Opiumwet - anders dan in de strafrechtelijke procedure - het al dan niet bestaan van verwijtbaarheid aan de zijde van verzoeksters niet is vereist. Uit vaste rechtspraak volgt dat voor het mogen aanwenden van de bevoegdheid van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet niet is vereist dat de betrokkene een persoonlijk verwijt kan worden gemaakt (bijvoorbeeld de uitspraak van de AbRS van 18 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:90).
Dat betekent echter niet dat de omstandigheid dat een rechthebbende zich actief heeft geïnformeerd over het gebruik van het pand door een derde en daarop ook toezicht heeft gehouden, niet kan bijdragen aan de constatering dat het ontbreken van verwijtbaarheid in de belangenafweging een rol van betekenis kan spelen (vergelijk de uitspraak van de AbRS van 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2241). Die situatie doet zich hier naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter echter niet voor. Het handelen van de directeur moet in de omstandigheden van dit geval aan [naam verzoekers 1] worden toegerekend. [naam verzoeker 2] heeft - zonder zich te laten informeren en toezicht te houden - ingestemd met het overladen van de container aan het laaddok en heeft daarmee een risico genomen dat, hoe groot daarvan de consequenties ook zijn, voor haar rekening moet komen. Dat het in de transportwereld gebruikelijk is om mee te werken aan dergelijke verzoeken, en al helemaal in dit geval gezien de huurrelatie, maakt het voorgaande niet anders.

8.5
Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zijn de door verzoeksters geschetste omstandigheden niet dermate bijzonder dat de burgemeester had moeten afwijken van zijn beleidsregels. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de door burgemeester gemaakte belangenafweging onredelijk is.
Buiten twijfel staat dat het besluit ingrijpende gevolgen heeft voor verzoeksters, zowel voor wat betreft de reputatie van de ondernemingen als op financieel gebied. Dat het gezien de eigenschappen van het perceel en de locatie waarop dit is gelegen, niet wenselijk en evenmin eenvoudig is om een ander perceel te vinden waarop [naam verzoeker 2] haar bedrijfsactiviteiten kan uitvoeren, is niet onaannemelijk. Dat dit (haast) onmogelijk is, is echter onvoldoende gebleken. Dat geldt nog meer voor [naam verzoekers 1] . Aangenomen moet worden dat de beschreven bedrijfsactiviteiten elders kunnen worden uitgeoefend. Tot slot speelt het feit dat de opgelegde last mogelijk een obstakel vormt in de gesprekken met de beoogde overnamekandidaat, evenmin een doorslaggevende betekenis.

Gelet op het betrokken algemeen belang (openbare orde en veiligheid) heeft de burgemeester in redelijkheid meer gewicht kunnen toekennen aan de door handhaving gediende belangen. Dat verzoeksters onevenredig worden benadeeld, is onvoldoende aannemelijk geworden.

8.6
Ten aanzien van de grond dat de burgemeester in de onderhavige situatie kan volstaan met een gedeeltelijke sluiting overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
Verzoeksters stellen dat in ieder geval het perceel B 1667 buiten de sluiting moet vallen, en dat uitsluitend (het deel van) de loods op het perceel met nummer B 1635 - waar de drugs zijn aangetroffen - onder de last zou moeten worden gebracht. In dit kader hebben verzoeksters gewezen op de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 18 augustus 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:4423 (Shurgard).

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester zich echter op goede gronden op het standpunt gesteld dat het adres [adres verzoekers] weliswaar uit twee kadastrale percelen bestaat, maar dat het gehele terrein met opstallen feitelijk één functionele eenheid vormt. De loods vormt bovendien één bouwkundig geheel. Dat er meerdere gebruikers zijn van het perceel en de opstallen, maakt dat niet anders. Dat bepaalde delen afgesloten en ontoegankelijk zouden kunnen worden gemaakt, leidt de voorzieningenrechter evenmin tot het voorlopig oordeel dat de burgemeester moest volstaan met gedeeltelijke sluiting, aangezien niet aannemelijk is dat de doelstellingen van het beleid ook met een gedeeltelijke sluiting worden behaald. De verwijzing van verzoeksters naar de uitspraak inzake Shurgard gaat mank, omdat deze betrekking heeft op een andere feitelijke situatie. In die zaak was de burgemeester namelijk overgegaan tot sluiting van één van de 545 aan derden verhuurde opslagboxen - die waarin de middelen waren aangetroffen - in één gebouw op hetzelfde adres. Die situatie verschilt wezenlijk van de onderhavige, zodat de verwijzing al daarom niet opgaat.

8.7
Ten aanzien van de duur van de sluiting overweegt de voorzieningenrechter dat deze procedure zich niet leent voor een voorlopig oordeel daarover, omdat verwacht wordt dat ruimschoots voor het verstrijken van die termijn een beslissing op bezwaar zal worden genomen.
8.8
Hoewel de voorzieningenrechter invoelbaar acht dat verzoeksters de opgelegde last als bestraffend ervaren, ziet de voorzieningenrechter gelet op het voorgaande geen reden om in onderhavige situatie af te wijken van de vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld de uitspraak van de AbRS 24 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1362) die inhoudt dat een op artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet gebaseerd sluitingsbevel in beginsel geen punitieve sanctie is en niet is gebaseerd op een 'criminal charge'. Slechts indien het besluit tot toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet verder zou strekken dan beëindiging en voorkoming van overtredingen van de Opiumwet, zou dat besluit niet meer uitsluitend het karakter van een herstelsanctie hebben, maar ook een leedtoevoegend karakter hebben. In hetgeen verzoeksters aanvoeren, ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat een dergelijke situatie zich hier voordoet.
9.

9.1
Het voorgaande leidt de voorzieningenrechter tot het voorlopige oordeel dat de burgemeester in redelijkheid van zijn bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet gebruik heeft kunnen maken.
9.2
Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het bestreden besluit bij de heroverweging op bezwaar naar verwachting in stand zal blijven.
10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

beslissing

Beslissing
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.M. van Lanen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2019.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.