Uitspraak ECLI:NL:RBZWB:2019:4016

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-09-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 12-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBZWB:2019:4016, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 02-081805-19, 02-076815-19


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummers: 02/081805-19 en 02/076815-19 (gev. ttz.)

vonnis van de meervoudige kamer van 12 september 2019

in de strafzaak tegen

[Verdachte]

geboren op [Geboortedag] 1995 te [Geboorteplaats] ,wonende te [Adres] gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zuid - West, De Dordtse Poorten, te 3313 LC Dordrecht, Kerkeplaat 25,
raadsvrouw mr. C.M. Koole, advocaat te Goes

ECLI:NL:RBZWB:2019:4016:DOC
nl

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummers: 02/081805-19 en 02/076815-19 (gev. ttz.)

vonnis van de meervoudige kamer van 12 september 2019

in de strafzaak tegen

[Verdachte]

geboren op [Geboortedag] 1995 te [Geboorteplaats] ,wonende te [Adres] gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zuid - West, De Dordtse Poorten, te 3313 LC Dordrecht, Kerkeplaat 25,
raadsvrouw mr. C.M. Koole, advocaat te Goes

1

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 29 augustus 2019, waarbij de officier van justitie mr. L. van den Oever en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.
2

Verdachte staat terecht, ter zake dat:
02/081805-19

1.hij op of omstreeks 5 april 2019 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingenaan (zijn partner) [Slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weteneen (gecompliceerde) breuk in de heup, heeft toegebracht door die [Slachtoffer 1](met veel kracht) met een heupworp op de grond te smijten/gooienen/of die [Slachtoffer 1] (terwijl zij op de grond lag) meermalen, althans eenmaal(met geschoeide voeten) tegen het lichaam te schoppen en/of tetrappen en/of meermalen, althans eenmaal in de buik te stompen en/ofte slaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordelingmocht of zou kunnen leiden:hij op of omstreeks 5 april 2019 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingenter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omaan [Slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,die [Slachtoffer 1] (met veel kracht) met een heupworp op de grond heeftgesmeten/gegooid en/of die [Slachtoffer 1] (terwijl zij op de grond lag) meermalen,althans eenmaal (met geschoeide voeten) tegen het lichaam heeftgeschopt en/of getrapt en/of meermalen, althans eenmaal in de buikheeft gestompt en/of geslagen,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot eenveroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij op of omstreeks 5 april 2019 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen(zijn partner) [Slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [Slachtoffer 1] (met veel kracht)met een heupworp op de grond te smijten/gooien en/of die [Slachtoffer 1] (terwijlzij op de grond lag) meermalen, althans eenmaal (met geschoeidevoeten) tegen het lichaam te schoppen en/of te trappen en/ofmeermalen, althans eenmaal in de buik te stompen en/of te slaan,terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een (gecompliceerde)breuk in de heup ten gevolge heeft gehad;
2.hij op of omstreeks 5 april 2019 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen [Slachtoffer 2] (geboren op [Geboortedag slachtoffer 2] 2009) heeft mishandeld door die [Slachtoffer 2] teduwen, waardoor deze op de grond is gevallen en/of in de buik testompen/slaan en/of met de fiets over een voet/been te rijden,ten gevolge waarvan verdachte pijn en/of letsel, danwel een hevigeonlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam van die [Slachtoffer 2] teweeg heeft gebracht;
02/076815-19

3.hij op of omstreeks 18 december 2017 te Middelburg [Slachtoffer 3] heeft bedreigdmet enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,door die [Slachtoffer 3] (door middel van een facebookbericht/bericht viade telefoon) dreigend de woorden toe te voegen " Hey hoer.. Luister ikben jou niet vergeten dat weetje zelf ook .. Binnekort ga je mij smeken ..Ik ga ookalles vertellen aan die turk dat je met wess fokte enzoo .. Ik krijg jouzowieso maar dat weetje popo is al bij jou geweest.. Ik hoop voor je datze mij eerder hebben dan ik jou.. Ik ga je helemaal kapot maken datweetje. Ik wou eerst niks zeggen maar heb tog niks te verliezen alleenme vrijheid maar die heb je al eerder afgenomen.. Ik kom onverwachtsen je gaat me egt smeken [Verdachte] stoppp niet doennn maar ik ganiet rusten totdat ik joumet de grond gelijk maak ik heb je gezegt.. Bereid je voor want de koudedonkeere en je laaste dagen zijn begonnen.. Geniet er nog ff vann ik pakjou binnekort!! Ik ben een mother fucker. En jou karma gaat binnekortkomen ik hou je ff op de hoogte dat is wel lief van me togg je bent ookliefvoor mij geweest maar nu ga je egt zien waar toe ik in staat ben.",althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
De rechtbank heeft de feiten van een doorlopende nummering voorzien. Zij zal hieronder bij de beoordeling van het bewijs van de feiten slechts deze nummering hanteren en niet daarbij steeds de parketnummers noemen.

3

De dagvaarding is geldig.De rechtbank is bevoegd.De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
overwegingen

4

4.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle aan hem tenlastegelegde feiten en baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen in het dossier. Zij acht ten aanzien van feit 1 de primair tenlastegelegde zware mishandeling bewezen.
4.2
Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van feit 1 primair en subsidiair. Er is onvoldoende informatie beschikbaar om zwaar lichamelijk letsel vast te kunnen stellen. Ook is voor een heupworp onvoldoende wettig bewijs in het dossier aanwezig. Voorts is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat er sprake was van opzet, ook in voorwaardelijke zin, ten aanzien van de onder feit 1 primair ten laste gelegde zware mishandeling en de onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde poging hiertoe. Ten aanzien van de onder feit 1 meer subsidiair en onder feit 2 tenlastegelegde eenvoudige mishandelingen en ten aanzien van de onder feit 3 tenlastegelegde bedreiging refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
4.3
Het oordeel van de rechtbank


- de aangifte van [Slachtoffer 3] van 18 december 2017;- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de zitting van 29 augustus 2019.
feit 1

Op 6 april 2019 deed [Slachtoffer 1] aangifte van zware mishandeling, gepleegd op 5 april 2019 in Oost-Souburg. Zij verklaarde dat zij tegen verdachte had gezegd dat zij een einde wilde maken aan hun relatie. Op het moment dat zij die dag met haar zoon [Slachtoffer 2] de auto in wilde gaan, was verdachte ineens daar. Hij was op een fiets en knalde een soort van tegen haar op. Hij had haar meteen beet. Ze begon gelijk te gillen, maar kreeg ook meteen klappen van verdachte. Ze heeft meerdere klappen geïncasseerd. Opeens lag ze op de grond en kon ze niet meer lopen. Ze kon ook haar been niet meer bewegen. Ze is met haar hoofd en rug op straat gevallen. Toen ze met haar rug op de grond lag, stompte verdachte op haar in. Hij sloeg haar met zijn vuisten. Ze voelde pijn. Verdachte sloeg haar met zijn rechtervuist. Daarna kon ze niet meer opstaan. In het ziekenhuis is geconstateerd dat haar linker heup versplinterd was en scheef stond. Er zijn pinnen in gezet. Dit is operatief gedaan. Haar heup was gekanteld en gebroken. Ze mocht er zeker zes weken niet op leunen. Ze had ook heel veel last van haar rug, hoofdpijn en pijn in haar nek en hand. De revalidatie zal zes maanden duren. Het is nog maar de vraag of haar heup opnieuw zal aangroeien. Wanneer dit niet gebeurt, welke kans bestaat, zal zij een heupprothese moeten krijgen.
Tijdens eerder telefonisch contact tussen aangeefster en de politie verklaarde zij dat verdachte haar bij haar haren had gepakt en keihard op de grond had geslingerd. Volgens haar was dit een paar keer gebeurd, ook met een heupworp of iets dergelijks. Hij had haar ook meerdere stompen gegeven. Ze had veel pijn als gevolg van de mishandeling door verdachte.

Getuige [Naam 1] verklaarde dat zij uit het raam keek en zag dat aangeefster door een man werd vastgepakt. Hij gooide haar met een soort heupworp met haar rug op de grond. Dit ging heel hard.

Getuige [Naam 2] verklaarde dat zij zag dat een man aangeefster diverse keren tegen haar lichaam aan trapte.

De zoon van aangeefster, [Slachtoffer 2] , verklaarde dat hij had gezien dat verdachte zijn moeder in elkaar sloeg. Hij sloeg haar bij haar buik en ze viel ook nog hard op de grond. Hij gaf haar een stomp in haar buik.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij explodeerde.

Bij de spoedeisende hulp bleek aangeefster een gebroken linker heup te hebben, die later tijdens de ziekenhuisopname met een schroef geopereerd en gefixeerd werd. Er volgde een revalidatietraject met poliklinische controles. Of het herstel volledig zal zijn, is niet zeker.

Gelet op de voorgaande bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte aangeefster met een heupworp op de grond heeft gegooid . De verklaring van aangeefster hierover wordt ondersteund door de verklaring van een objectieve getuige. Gelet op het hierdoor veroorzaakte letsel, namelijk een (gecompliceerde) breuk in de heup, is de rechtbank van oordeel dat deze heupworp, zoals ook door getuige [Naam 1] wordt omschreven, met veel kracht was. Vervolgens heeft verdachte aangeefster, terwijl zij op de grond lag, geschopt en in haar buik gestompt.

De rechtbank stelt voorop dat onder zwaar lichamelijk letsel op grond van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht wordt begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden, afdrijving of dood van de vrucht van een vrouw alsmede storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken heeft geduurd. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd indien dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Bij de beantwoording van de vraag of bepaald letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, zijn de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en/of het uitzicht op (volledig) herstel van belang.

De rechtbank is van oordeel dat het door verdachte aan aangeefster toegebrachte letsel, te weten een (gecompliceerde) breuk in de heup, gelet op de aard en de gevolgen daarvan zoals uit de bewijsmiddelen naar voren komt, naar gewoon spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. Dit letsel was van dien aard dat een operatie noodzakelijk is gebleken, terwijl thans nog geen uitzicht is op (volledig) herstel.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat de gedragingen van verdachte, zoals hierboven weergegeven, naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van dergelijke aanwijzingen is de rechtbank niet gebleken. Zij betrekt daarbij in haar oordeel de verklaring van verdachte dat hij op dat moment explodeerde. Gelet op het voorgaande had verdachte ten minste voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank acht het onder feit 1 primair ten laste gelegde daarom wettig en overtuigend bewezen.

feit 2

Aangeefster [Slachtoffer 1] verklaarde dat ook haar zoon [Slachtoffer 2] op 5 april 2019 bij hen in de straat in Oost-Souburg klappen heeft gehad van verdachte. Ze zag dat [Slachtoffer 2] in zijn buik werd gestompt door verdachte en dat [Slachtoffer 2] ook op de grond is gevallen. Hij had een bult op zijn achterhoofd. [Slachtoffer 2] heeft ook een fiets over zich heen gekregen van verdachte.
[Slachtoffer 2] , geboren op [Geboortedag slachtoffer 2] 2009, verklaarde dat hij verdachte een duw gaf en verdachte hem toen een stomp in zijn buik gaf. Verdachte duwde hem met zijn fiets en hij viel op de grond. Hij viel achterover op een steen. Verdachte reed toen over zijn voet.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat zijn fiets op [Slachtoffer 2] is gevallen.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de aan hem onder feit 2 tenlastegelegde mishandeling van [Slachtoffer 2] , door hem in de buik te stompen. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [Slachtoffer 2] dat verdachte hem heeft geduwd, waardoor hij op de grond is gevallen en dat verdachte met de fiets over zijn voet is gereden, onvoldoende wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Verdachte zal van dat gedeelte van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

feit 3

Aangezien verdachte het aan hem onder 3 tenlastegelegde feit heeft bekend en hiervoor geen vrijspraak is bepleit, kan, op grond van artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering met de hierna genoemde opgave van bewijsmiddelen worden volstaan:
4.4
De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1.op 5 april 2019 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingenaan (zijn partner) [Slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weteneen (gecompliceerde) breuk in de heup, heeft toegebracht door die [Slachtoffer 1](met veel kracht) met een heupworp op de grond te smijtenen die [Slachtoffer 1] (terwijl zij op de grond lag) meermalen(met geschoeide voeten) tegen het lichaam te schoppen en in de buik te stompen.
2.op 5 april 2019 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen [Slachtoffer 2] (geboren op [Geboortedag slachtoffer 2] 2009) heeft mishandeld door die [Slachtoffer 2] in de buik testompen, ten gevolge waarvan verdachte pijn teweeg heeft gebracht.
3.op 18 december 2017 te Middelburg [Slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,door die [Slachtoffer 3] (door middel van een facebookbericht) dreigend de woorden toe te voegen " Hey hoer.. Luister ik ben jou niet vergeten dat weetje zelf ook .. Binnekort ga je mij smeken ..Ik ga ook alles vertellen aan die turk dat je met wess fokte enzoo .. Ik krijg jouzowieso maar dat weetje popo is al bij jou geweest.. Ik hoop voor je datze mij eerder hebben dan ik jou.. Ik ga je helemaal kapot maken datweetje. Ik wou eerst niks zeggen maar heb tog niks te verliezen alleenme vrijheid maar die heb je al eerder afgenomen.. Ik kom onverwachtsen je gaat me egt smeken [Verdachte] stoppp niet doennn maar ik ganiet rusten totdat ik joumet de grond gelijk maak ik heb je gezegt.. Bereid je voor want de koudedonkeere en je laaste dagen zijn begonnen.. Geniet er nog ff vann ik pakjou binnekort!! Ik ben een mother fucker. En jou karma gaat binnekortkomen ik hou je ff op de hoogte dat is wel lief van me togg je bent ookliefvoor mij geweest maar nu ga je egt zien waar toe ik in staat ben.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6

6.1
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen de maatregel van TBS met verpleging van overheidswege voor de duur van twee jaar.
6.2
Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt, gelet op de adviezen van de psycholoog en psychiater, de feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen en dit ten gunste van verdachte te verdisconteren in de strafmaat. Er wordt verzocht geen TBS met verpleging van overheidswege op te leggen. Aan het gevaarscriterium wordt niet voldaan. Voorts wordt niet aan het ‘ultimum remedium’-vereiste voldaan, aangezien er nog andere, minder ingrijpende mogelijkheden zijn om aan verdachte een langdurige klinische behandeling op te leggen. Een klinische behandeling in het kader van bijzondere voorwaarden met een flinke voorwaardelijke gevangenisstraf, desgewenst dadelijk uitvoerbaar, wordt haalbaar geacht. Uiterst subsidiair wordt in overweging gegeven een behandelverplichting na afronding van het lopende ISD-traject op te leggen in het kader van TBS met voorwaarden. Mocht de rechtbank het opleggen van TBS met verpleging van overheidswege overwegen, wordt verzocht bij tussenvonnis te bepalen dat de beide deskundigen alsnog op zitting nader worden ondervraagd omtrent hun bevindingen en deskundige visie op mogelijke alternatieven.
6.3
Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling van zijn partner. Nadat zij had aangegeven de relatie met verdachte te willen beëindigen, heeft verdachte haar opgezocht en dusdanig geweld op haar uitgeoefend dat zij daar onder meer een gebroken heup aan overhield, waaraan zij moest worden geopereerd. Het is onduidelijk of dit letsel volledig zal herstellen. De kans bestaat dat zij een nieuwe heup zal moeten krijgen. Deze zware mishandeling van aangeefster vond plaats in het bijzijn van haar negenjarige zoontje. Verdachte heeft vervolgens ook hem mishandeld door hem in zijn buik te stompen. Daarnaast heeft verdachte zijn ex-partner bedreigd. Dergelijke feiten zorgen doorgaans voor veel angst bij de slachtoffers, zoals ook is gebleken uit de slachtofferverklaring van aangeefster [Slachtoffer 1] . Hieruit blijkt dat zij en haar kinderen nog elke dag worden geconfronteerd met wat verdachte heeft aangericht en zij hier nog steeds, zowel lichamelijk als psychisch, pijn van heeft. De rechtbank rekent verdachte deze feiten zwaar aan en acht het zeer kwalijk dat verdachte dergelijke feiten heeft gepleegd juist ten aanzien van zijn naasten, zeker nu dit in het bijzijn van en ook met betrekking tot een kind is gebeurd.
De rechtbank houdt rekening met het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten.

Uit het reclasseringsadvies van 20 augustus 2019 blijkt dat er bij verdachte sprake is van een patroon van geweldsdelicten in de laatste jaren en ook van recidiverend huiselijk geweld. Er zijn vele risicoverhogende factoren. Op ieder leefgebied zijn problemen of criminogene factoren te benoemen. Beschermende factoren zijn er nauwelijks tot niet. Verdachte kent een verleden van meermaals niet nakomen van voorwaarden en zijn motivatie voor verandering is sterk gericht op zijn eigen wensen en behoeften. De kans op recidive wordt, gezien zijn delict verleden, zijn psychosociaal functioneren en de vele problemen op de leefgebieden, hoog ingeschat. Ook de kans op onttrekken aan voorwaarden wordt hoog ingeschat. Een intensieve klinische behandeling wordt geïndiceerd geacht om de hoge recidivekans positief te kunnen beïnvloeden. Er is geen vertrouwen in dat verdachte binnen het kader van een TBS met voorwaarden de gewenste resultaten zal behalen. Zijn ambivalentie en impulsiviteit worden daarvoor te hoog geacht en zijn intrinsieke motivatie te laag. De kans op overtreden van voorwaarden wordt te hoog geacht om positief te kunnen adviseren over TBS met voorwaarden. De kans op een omzetting naar TBS met verpleging van overheidswege wordt te groot geacht. Er worden geen mogelijkheden gezien om met voorwaarden de risico's te beperken of het gedrag te veranderen. Er worden ook geen redenen gezien om verdachte nog onder het jeugdstrafrecht af te straffen.
Uit de Pro Justitia rapportage van 26 juli 2019, opgesteld door T.W.D.P. van Os, psychiater, blijkt dat er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis, te weten een stoornis in gebruik van alcohol. Ook is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, te weten een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Deze beïnvloedden verdachtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde. De antisociale persoonlijkheidsstoornis impliceert dat verdachte weinig verantwoordelijkheid neemt voor de keuzes die hij maakt. Hij leidt een leven dat gericht is op wensvervulling en exploitatie van anderen om in zijn behoeften te voorzien. Geadviseerd wordt om verdachte de hem ten laste gelegde feiten in verminderde mate toe te rekenen. Verdachte ervaart te weinig remmende gevoelens zoals angst, schaamte- en schuldgevoelens om hem ervan te weerhouden zijn antisociale levensstijl voort te zetten. Verdachte kan ook impulsief reageren. Deze impulsiviteit kan nog eens versterkt worden door zijn gebruik van alcohol. Er kan worden vastgesteld dat het risico op gewelddadig gedrag in de toekomst als hoog moet worden ingeschat. Er zijn geen beschermende factoren. Zonder streng toezicht en controle gaat verdachte zijn impulsen achterna. Zonder behandeling blijven de risicofactoren die van belang zijn in de hem tenlastegelegde feiten onveranderd. Een behandeling en nadien langdurige begeleiding is noodzakelijk om de kans op herhaling binnen aanvaardbare grenzen te krijgen. Een klinische behandeling in een gespecialiseerde gestructureerde forensische gesloten setting is geïndiceerd. Binnen een behandeling moet gefocust worden op het verder uitrijpen van verdachte, de persoonlijkheidsproblematiek en verslavingen met tevens aandacht voor mogelijke traumaverwerking. Ingeschat wordt dat een behandeltraject van een aantal jaar nodig is om pro sociaal gedrag te laten inslijpen en het recidiverisico op soortgelijke feiten te reduceren tot een aanvaardbaar niveau. Een hoog beveiligingsniveau wordt, gelet op eerdere onttrekkingen in het verleden, noodzakelijk geacht. Geadviseerd wordt om aan verdachte de maatregel van TBS met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen. Er is nadrukkelijk bij stilgestaan of behandeling in een minder stringent kader mogelijk is teneinde het recidivegevaar op soortgelijke delicten als de huidige tenlastegelegde feiten tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen. Gezien bovenstaande factoren biedt een behandeling in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk op te leggen strafgedeelte of een TBS met voorwaarden onvoldoende garanties en behandelmogelijkheden en onderstreept dit in onvoldoende mate het behandelbelang. De geschiedenis maakt duidelijk dat verdachte niet in staat is om zich aan voorwaarden te houden. Hiertoe is hij ook vanuit zijn pathologie niet in staat. Hij handelt vanuit zijn impulsen zonder stil te staan bij de consequenties van zijn gedrag en is hierin tot nu toe weinig leerbaar gebleken.

Uit de Pro Justitia rapportage van 30 juli 2019, opgesteld door N.P.A. van der Weegen, psycholoog, blijkt dat verdachte lijdt aan een antisociale persoonlijkheidsstoornis en aan stoornissen in het gebruik van cannabis, alcohol en cocaïne. Dit was ten tijde van het ten laste gelegde hetzelfde en beïnvloedde verdachtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde, zodanig dat dat mede daaruit verklaard kan worden. Verdachte is door zijn antisociale persoonlijkheidsstoornis impulsief en niet goed in staat om onlustgevoelens te hanteren. Onlustgevoelens leiden al snel tot acting-out gedrag. Verdachte heeft, eveneens door zijn antisociale persoonlijkheidsstoornis, weinig empathie en weinig oog voor het perspectief van de ander. Zowel zijn impulsiviteit als zijn gebrekkige frustratietolerantie als zijn gebrek aan respect voor de grenzen van aangeefster lijken een rol te hebben gespeeld in het ten laste gelegde. Geadviseerd wordt om verdachte de tenlastegelegde feiten in verminderde mate toe te rekenen. Geen enkele beschermende factor is op verdachte van toepassing. Het recidiverisico wordt al met al als zeer hoog ingeschat. Verdachte is tot op heden nooit behandeld voor zijn problematiek. Behandeling zal moeten bestaan uit verslavingsbehandeling en een behandeling voor zijn persoonlijkheidsstoornis. De behandeling zal langdurig, intensief en klinisch moeten zijn. Een dergelijke behandeling zal binnen een kliniek met expertise op het gebied van forensische problematiek, persoonlijkheidsstoornissen en stoornissen in het gebruik van middelen moeten plaatsvinden. Het zal veel tijd vergen om tot een behandelrelatie met verdachte te komen. Binnen een kader waarin verdachte zich kan onttrekken, lijkt dit niet mogelijk te zijn. Hij zal zich dan, zoals tot op heden steeds gebeurt, impulsief onttrekken zo gauw de mogelijkheid zich daarvoor leent, waardoor de behandeling zich vooral daarop zal richten. Behandeling kan dan ook alleen in een gedwongen kader plaatsvinden. De mogelijkheid van TBS met voorwaarden is overwogen. Tot op heden is verdachte er nooit in geslaagd zich aan voorwaarden te houden. Ook lijkt de termijn van een klinisch behandelprogramma in een Forensisch Psychiatrische Kliniek of een Forensische Verslavings Kliniek te kort te zijn om verdachte echt in behandeling te krijgen. Verder wordt in dergelijke settings al te snel naar vrijheden toegewerkt, waardoor verdachte vooral daarop gericht zal raken en niet daadwerkelijk in behandeling komt. De kans dat hij opportunistisch gericht zal raken op vrijheden, zich vervolgens onttrekt aan voorwaarden en teruggezet wordt, waardoor behandeling een heel langdurig en moeizaam proces wordt, wordt als zeer groot ingeschat. Dan verdient een behandeling binnen het kader van TBS met verpleging van overheidswege de voorkeur, omdat verdachte dan eerst echt in behandeling moet komen.

De rechtbank neemt bovenstaande conclusies over en acht verdachte ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten verminderd toerekeningsvatbaar.

Gelet op de inhoud van de rapporten, de ernst van de feiten en het strafblad van verdachte is de rechtbank van oordeel dat een maatregel van terbeschikkingstelling noodzakelijk is.Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat voldaan wordt aan de eisen die de wet daaraan stelt, te weten:
De rechtbank acht, gelet op de ernst van de problematiek en het gevaar dat verdachte voor anderen oplevert, verpleging van overheidswege noodzakelijk.

De rechtbank overweegt voorts dat de maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Voor een TBS met voorwaarden ziet de rechtbank geen ruimte. Blijkens de rapporten van de psychiater en psycholoog is door hen nadrukkelijk afgewogen of er alternatieven voor een TBS met verpleging van overheidswege zijn, waaraan verdachte zich niet makkelijk kan onttrekken. Uit beide rapporten blijkt echter dat een TBS met voorwaarden onvoldoende garanties en behandelmogelijkheden biedt en in onvoldoende mate het behandelbelang onderstreept. Het alsnog op zitting nader ondervragen van beide deskundigen omtrent hun bevindingen en deskundige visie op mogelijke alternatieven, zoals door de verdediging verzocht, wordt door de rechtbank dan ook niet noodzakelijk gevonden voor enige in deze strafzaak te beantwoorden vraag. De rechtbank wijst dit verzoek daarom af.

Naast voornoemde TBS met verpleging van overheidswege acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen met aftrek van voorarrest passend en geboden. Bij de bepaling van de duur van die straf heeft de rechtbank -naast de hiervoor geschetste problematiek- met name acht geslagen op de impact die de gepleegde feiten op de slachtoffers hebben gehad.

- bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van de feiten een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens en een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens; - op het gepleegde misdrijf van zware mishandeling is een gevangenisstraf van vier jaar of meer gesteld; - de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist die maatregel.
7

[Slachtoffer 1]

De benadeelde partij [Slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 8.408,59 voor feit 1, waarvan € 908,59 ter zake van materiële schade en € 7.500,- ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 april 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 8.348,99 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan € 848,99 ter zake van materiële schade en € 7.500,- ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 april 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.
Het gevorderde bedrag voor de kosten van het eigen risico van de zorgverzekering met betrekking tot een diëtist ter hoogte van € 59,60 houdt naar het oordeel van de rechtbank geen verband met dit bewezen verklaarde feit. Zij zal de vordering daarom voor dat deel afwijzen.

[Slachtoffer 2]

De benadeelde partij [Slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 2.500,- ter zake van immateriële schade voor feit 2, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 april 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 500,- een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.
Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Met betrekking tot de toegekende vorderingen benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8

De beslissing berust op de artikelen 36f, 37a, 37b, 57, 285, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
beslissing

9

De rechtbank:
- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:- verklaart verdachte strafbaar;
- veroordeelt verdachte tot ;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- gelast de van verdachte, van overheidswege;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [Slachtoffer 1] van € 8.348,99, waarvan € 848,99 ter zake van materiële schade en € 7.500,- ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 april 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- wijst de vordering voor het overige gedeelte af;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [Slachtoffer 2] van € 500,- ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 april 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de hierna te noemen slachtoffers de daarbij vermelde bedragen te betalen, bij niet betaling te vervangen door het daarbij vermelde aantal dagen hechtenis:- benadeelde partij [Slachtoffer 1] (feit 1), € 8.348,99, 76 dagen hechtenis,- benadeelde partij [Slachtoffer 2] (feit 2), € 500,-, 10 dagen hechtenis,met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Bewezenverklaring

Strafbaarheid

feit 1 primair:

feit 2:

feit 3:

Strafoplegging

Maatregel

Benadeelde partijen

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P.E. Mullers, voorzitter, mr. E.J. Zuijdweg en mr. F. van Es, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.E.A.M. van der Ven - van de Riet, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 12 september 2019.
Mr. E.J. Zuijdweg en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

_208afeb4-1c19-47f1-aea1-073b5a5098e5
1

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld het eindproces-verbaal met proces-verbaalnummer PL2000-2019078940 van de politie eenheid Zeeland - West-Brabant, district Zeeland, basisteam Walcheren, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van pagina 1 tot en met 56. Het proces-verbaal aangifte van [Slachtoffer 1] van 6 april 2019, pagina 5, aanhef, pagina 6, derde, vierde en vijfde alinea, en pagina 7, eerste alinea.
_efd8a7bf-22c1-4c53-84c2-fe9e85a4cc22
2

Het proces-verbaal van bevindingen van 6 april 2019, pagina 24.

_8fa3aa9d-3a45-48cb-b0bf-cc53324a7e2d
3

Het proces-verbaal van verhoor getuige [Naam 1] van 6 april 2019, pagina 30, eerste en vijfde alinea, en pagina 31, eerste en tweede alinea.

_1ea760b3-5c3f-4ca2-a708-d753fe399888
4

Het proces-verbaal van verhoor getuige [Naam 2] van 6 april 2019, pagina 32.

_1b263647-3f84-43e2-a444-4f92e435d1fa
5

Het proces-verbaal van bevindingen van 7 april 2019, pagina 8, vierde en achtste alinea.

_61e7f13b-0ea9-4bfd-b672-31690e5137ad
6

De verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting van 29 augustus 2019.

_4ac0586c-934c-4a87-bbec-69bd5d4fc1d0
7

Het schriftelijk stuk, inhoudende een letselbeschrijving van 18 april 2019 (los).

_d00c9082-4018-4719-a62d-8c778f71fb4d
8

Het proces-verbaal aangifte van [Slachtoffer 1] van 6 april 2019, pagina 5, aanhef en eerste alinea, pagina 6, vierde alinea.

_ca0ad524-6d5a-437e-afbf-24949238f5fe
9

Het proces-verbaal van bevindingen van 7 april 2019, pagina 8, eerste alinea, en pagina 10, tweede alinea.

_45ff03a2-6d5d-4ef4-8bbc-6ea1c5b83699
10

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld het eindproces-verbaal met proces-verbaalnummer PL2000-2017303424 van de politie eenheid Zeeland - West-Brabant, district Zeeland, basisteam Walcheren, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van pagina 1 tot en met 25. Het proces-verbaal aangifte van [Slachtoffer 3] van 18 december 2017, pagina 3 tot en met 7.
_3f81babe-8c2e-469b-a66d-fbd9f4790f23
11

De verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting van 29 augustus 2019.