Uitspraak ECLI:NL:RBZWB:2019:3968

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 06-09-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 06-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBZWB:2019:3968, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is AWB- 19_3879 VV


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANTuitspraak van 6 september 2019 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [naam verzoeker], te [wwonplaats verzoeker], verzoeker,het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tholen, verweerder.

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/3879 WABOA VV

en

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:
[naam belanghebbende]

gemachtigde: mr. R.E. Izeboud.

ECLI:NL:RBZWB:2019:3968:DOC
nl

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANTuitspraak van 6 september 2019 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [naam verzoeker], te [wwonplaats verzoeker], verzoeker,het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tholen, verweerder.
Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/3879 WABOA VV

en

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:
[naam belanghebbende]

gemachtigde: mr. R.E. Izeboud.
procesverloop

Procesverloop
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 11 juli 2019 (bestreden besluit) van het college inzake de aan [naam belanghebbende] verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van een stallingsruimte op het perceel [adres perceel] te Oud-Vossemeer. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 30 augustus 2019.Verzoeker is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. de Smid en C.Meijboom. [naam belanghebbende] heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam betrokkene], bijgestaan door gemachtigde.
Overwegingen
1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.
2. Verzoeker heeft, samengevat, aangevoerd dat de uitbreiding van het industrieterrein Klaverveld in strijd is met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 11 maart 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BH5545). Volgens verzoeker is het argument van het college dat de uitbreiding binnen het bestaande bestemmingsplan zal plaatsvinden en dus is toegestaan niet valide. Het gaat immers niet om de locatie van de uitbreiding, maar om gevolgen ten aanzien van geluidsbelasting op zijn woning en het toenemende verkeersgevaar. Verzoeker verzoekt niet alleen naar het bestreden besluit te kijken, maar de zaak te willen bezien in het grotere verband van de gemeenteplannen. Het nu toelaten van de volgens verzoeker onrechtmatige uitbreiding betekent dat hij een beduidend hoger dan de door de AbRS geanticipeerd geluidsoverlast moet verdragen. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen.3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevings-recht (Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.
6. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘[naam bestemmingsplan]’ (het bestemmingsplan) rust op het onderhavige perceel de bestemming ‘Bedrijventerrein’ met de aanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 3.1’ en de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie - 3’.
5. De voorzieningenrechter voorop dat artikel 2.10, eerste lid van de Wabo met zich brengt dat de in dat artikel bedoelde omgevingsvergunning moet worden geweigerd indien zich één of meer van de daar genoemde weigeringsgronden voordoen. Doen zich daarentegen geen van de genoemde weigeringsgronden voor, dan is het college gehouden de vergunning te verlenen. Van een afweging van de bij de besluitvorming betrokken belangen kan dan geen sprake zijn.
6. Niet in geschil is dat het bouwplan niet in strijd is met het bouwbesluit, de bouwverordening en de redelijke eisen van welstand. Verder heeft verzoeker erkend dat het bouwplan in overeenstemming is met de van belang zijnde planregels van het bestemmingsplan en is niet betwist dat het bouwplan voldoet aan de parkeernorm uit het bestemmingsplan ‘[naam bestemmingsplan]’. Gelet hierop doet geen van de weigeringsgronden van artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo zich voor. Het college was daarom gehouden de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Het limitatief-imperatieve stelsel van artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo verzet zich er tegen dat de omgevingsvergunning op een andere grond wordt geweigerd. Voor een belangenafweging, zoals door verzoeker bepleit, biedt de wet het college bij de beslissing op deze aanvraag dan ook geen ruimte.
7. Ten aanzien van de door verzoeker gestelde geluidsbelasting en het verkeersgevaar merkt de voorzieningenrechter op dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat het college de belangen van verzoeker heeft onderkend, maar dat uit rechtsoverweging 6 volgt dat dit niet kan leiden tot weigering van de gevraagde omgevingsvergunning. Dat geldt eveneens voor het door verzoeker ter zitting ingenomen standpunt dat uit artikel 2.14, derde lid, van de Wabo volgt dat de omgevingsvergunning in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd nu deze bepaling slechts ziet op de activiteit ‘het oprichten van een inrichting of mijnbouwwerkbouwen’ en niet op de door [naam belanghebbende] gevraagde omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’.
8. De argumenten die verzoekers hebben aangevoerd ten aanzien van de verkoop van de grond door de gemeente aan [naam belanghebbende], vallen buiten de omvang van dit geschil, zodat de voorzieningenrechter hierover geen oordeel kan geven. Dit geldt ook voor het verzoek om het bestreden besluit te willen bezien in het grotere verband van de gemeenteplannen. Voor een dergelijke beoordeling biedt deze procedure geen ruimte omdat het bestreden besluit geen betrekking heeft op deze plannen. Dit staat uiteraard niet in de weg aan de gesprekken die namens de gemeente met verzoeker worden gevoerd om aan zijn problemen en belangen tegemoet te komen door het aanleggen van een rondweg (op lange termijn) en/of het aanleggen van een (rechtstreekse) ontsluiting van het Klaverveld op korte(re) termijn. Aan de vertegenwoordigers van het college is ter zitting (nogmaals) duidelijk gemaakt dat verzoeker een hoge mate van urgentie voelt bij oplossing van de door hem ervaren geluidsoverlast. De voorzieningenrechter gaat er van uit dat dit (nogmaals) zal worden ingebracht binnen het besluitvormingstraject van de gemeente.
9. Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het bestreden besluit bij de heroverweging op bezwaar naar verwachting in stand zal blijven.
10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Bij het bestreden besluit heeft het college aan [naam belanghebbende] een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘bouwen’, ten behoeve van het realiseren van een stallingsruimte op het perceel [adres perceel] te Oud-Vossemeer.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

Op grond van artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo moet een omgevingsvergunning worden geweigerd als het bouwplan niet voldoet aan - kort gezegd - het bouwbesluit (a), de bouwverordening (b), het bestemmingsplan (c) of de redelijke eisen van welstand (d).

Ingevolge artikel 5.1 van de planregels zijn de voor ‘Bedrijventerrein’ aangewezen gronden bestemd voor ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 3.1’: bedrijven tot en met categorie 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten.

Ingevolge artikel 38.1 van de planregels zijn de voor 'Waarde - Archeologie - 3' aangewezen gronden - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor het behoud, de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden en aanwezige vindplaatsen, niet zijnde beschermd van rijkswege.

beslissing

Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M.J. Kok, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van W.J. Steenbergen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 september 2019.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.