Uitspraak ECLI:NL:RBZWB:2019:3946

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 05-09-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 05-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBZWB:2019:3946, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is BRE - 18 _ 434, 18_435, 18_387, 18_389, 18_55, 18_50, 18_28, 18_26, 18_27, 18_25


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 18/434, 18/435, 18/387, 18/389, 18/55, 18/50, 18/28, 18/26, 18/27 en 18/25

uitspraak van 5 september 2019

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

[belanghebbende]

belanghebbende,
en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.
alsmede

de Minister voor Rechtsbescherming.

De bestreden beslissingen

De beslissingen van de inspecteur zoals opgenomen in de bijlage.
Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2019 te Eindhoven. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift tegelijk met een afschrift van deze uitspraak naar partijen wordt gezonden.

ECLI:NL:RBZWB:2019:3946:DOC
nl

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 18/434, 18/435, 18/387, 18/389, 18/55, 18/50, 18/28, 18/26, 18/27 en 18/25

uitspraak van 5 september 2019

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

[belanghebbende]

belanghebbende,
en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.
alsmede

de Minister voor Rechtsbescherming.

De bestreden beslissingen

De beslissingen van de inspecteur zoals opgenomen in de bijlage.
Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2019 te Eindhoven. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift tegelijk met een afschrift van deze uitspraak naar partijen wordt gezonden.
beslissing

1

De rechtbank verwijst naar de bijlage bij deze uitspraak waarin per zaak(nummer) de beslissing is vermeld.

overwegingen

2

Vooraf: intrekking en inhoudelijke behandeling dwangsom

2.1.1.
Gelet op artikel 4:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep tegen een uitspaak op bezwaar mede betrekking op de daarmee samenhangende dwangsombeschikking. In een aantal zaken is echter ook een bezwaarprocedure betreffende de dwangsombeschikking gevolgd terwijl reeds beroep tegen de uitspraak op bezwaar in de hoofdzaak aanhangig was. Deze bezwaarprocedure had niet gevoerd mogen worden. Praktisch is dit als volgt opgelost overeenkomstig een aanpak op een eerdere zitting bij een andere rechter. Belanghebbende heeft ter zitting de beroepen die specifiek betrekking hadden op de (uitspraken op bezwaar tegen) de dwangsombeschikking ingetrokken. De beoordeling of belanghebbende recht heeft op een dwangsom gebeurt in het kader van de betreffende hoofzaak. De ingetrokken zaken zijn de volgende: 18/2425, 18/2437, 18/2431, 18/2420 en 18/2423.
Vooraf: wijze van beoordeling van de zaken / leeswijzer

2.1.2.
Sommige van de standpunten van belanghebbende spelen in alle of een groot deel van de zaken. Ook sommige standpunten van de inspecteur spelen in meerdere zaken. De rechtbank zal hierna eerst onder ‘algemene overwegingen’ ingaan op geschilpunten die zich lenen voor algemene behandeling.
2.1.3.
Sommige van de ‘algemene’ standpunten van belanghebbende zijn eerder door rechterlijke instanties, soms ook reeds door de Hoge Raad, onjuist bevonden. De rechtbank heeft de in deze procedure aangevoerde argumenten gewogen om te zien of er aanleiding is anders te beslissen. Indien dat niet het geval is en de argumenten ook geen aanleiding geven voor een andere of nadere motivering, heeft de rechtbank bij de desbetreffende beroepsgrond volstaan met een verwijzing naar eerdere jurisprudentie. Voormelde heroverweging heeft met betrekking tot één kwestie geleid tot een gedeeltelijk afwijkend oordeel ten opzichte van recente uitspraken van de rechtbank (zie 2.7 en verder).
2.1.4.
Na de algemene overwegingen worden per zaak de voor die zaak specifieke beslissingen gegeven, waar mogelijk onder verwijzing naar de algemene overwegingen. Een uitzondering betreft het griffierecht en het standpunt dat het verdedigingsbeginsel is geschonden; daarover wordt direct al de beslissing gegeven bij de algemene overwegingen (zie 2.2 en 2.4). De overwegingen per zaak bevatten niet een afzonderlijke geschilomschrijving. De diverse onderdelen waarover beslist moet worden, zijn herkenbaar gemaakt via gecursiveerde tussenkopjes. De zaken worden in dezelfde volgorde behandeld als op zitting.
Algemene overwegingen

Griffierecht

2.2.
Niet in geschil is dat het door de griffier geheven griffierecht in iedere zaak in overeenstemming is met artikel 8:41 van de Awb. Voor zover belanghebbende stelt dat in een of meer zaken slechts eenmaal griffierecht had mogen worden geheven, verwerpt de rechtbank dat standpunt. De beroepszaken zijn via afzonderlijke beroepschriften aanhangig gemaakt.De rechtbank verwerpt verder de beroepsgrond van belanghebbende dat gelet op het arrest Kantarev het griffierecht de toegang tot de rechter op ontoelaatbare wijze belemmert, nu in het Nederlandse wettelijke systeem voor de hoogte van het griffierecht geen rekening wordt gehouden met ‘de waarde van het onderliggende geschil’. Uit het arrest Kantarev volgt (i) dat de maatstaf is of, rekening houdend met ‘ontheffingsmogelijkheden’, het griffierecht een onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter vormt (rov. 134-135) en (ii) dat dit aan de nationale rechter is om dat na te gaan (rov. 137). De rechtbank is van oordeel dat, in aanmerking genomen de mogelijkheid tot vrijstelling van griffierecht bij betalingsonmacht, de hoogte van het Nederlandse griffierecht niet in zijn algemeenheid een onoverkomelijk obstakel vormt voor de toegang tot de rechter, ook niet op het onderdeel dat de hoogte van griffierecht onafhankelijk is van het geldelijk belang bij de procedure. Belanghebbende heeft geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat in deze specifieke zaak wel sprake is van het hiervoor genoemde obstakel.
Op de zaak betrekking hebbende stukken en toepassing 8:31 Awb

2.3.
In het kader van de kwestie ‘eerst betalen, later registeren’ is aan de orde gekomen of de inspecteur bepaalde gegevens moet inbrengen gelet op zijn verplichting de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen en zo ja, wat de gevolgen zijn van weigering om dat te doen. De rechtbank gaat daarop in bij de desbetreffende kwestie (zie 2.7 en verder).
Verdedigingsbeginsel

2.4.
In zaken waarin een naheffingsaanslag aan de orde is, heeft belanghebbende zich steeds beroepen op schending van het verdedigingsbeginsel, mede in verband met een beroep op vergoeding van de werkelijke proceskosten. In elk van die zaken doet het geval zich voor dat belanghebbende voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag bij brief in kennis is gesteld van het voornemen om de naheffingsaanslag op te leggen en in de gelegenheid is gesteld om schriftelijk op dit voornemen te reageren, en dat belanghebbende hierop niet heeft gereageerd. Onder deze omstandigheden eist het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel niet dat belanghebbende wordt uitgenodigd voor een hoorgesprek. Het andersluidende standpunt van belanghebbende is onjuist en wordt daarom verworpen.
BPM: ‘Eerst betalen, later registreren’

2.5.
Belanghebbende stelt dat de systematiek van heffing van BPM via voldoening op aangifte ter zake van tweedehands geïmporteerde voertuigen in zijn algemeenheid in strijd is met het Unierecht. Tweedehands voertuigen die worden ingevoerd vanuit het buitenland worden te allen tijde hoger belast dan vergelijkbare binnenlandse voertuigen, aangezien er bij importvoertuigen tijd zit tussen het moment van betalen van de BPM en het te naam stellen van het voertuig zijnde het belastbare feit. Bij binnenlandse voertuigen wordt de rest-BPM wel bepaald op het moment van overschrijven/te naam stellen van het voertuig. De waarde van het voertuig wordt aldus eerder, en daardoor hoger, vastgesteld en de daarop gebaseerde voldoening van BPM is eveneens eerder verschuldigd zodat hierover een renteverlies optreedt, aldus nog steeds belanghebbende.
2.6.
De rechtbank verwerpt het standpunt dat de heffingssystematiek van BPM, in het bijzonder de heffing via voldoening op aangifte, als zodanig in strijd is met het Unierecht. Voor dat standpunt is geen steun te vinden in de jurisprudentie van de Hoge Raad of het Hof van Justitie. De gemaakte vergelijking met een binnenlands tweehandsvoertuig gaat niet op. Ter zake van een binnenlands tweedehandsvoertuig wordt immers geen BPM geheven van een opvolgende eigenaar. Het gaat er (wel) om dat de BPM die ter zake van een geïmporteerd voertuig wordt geheven niet hoger is dan de BPM die nog rust op een vergelijkbaar binnenlands voertuig. Voor het geval tussen het moment van de voldoening van BPM en het moment van registratie de waarde van het voertuig is gedaald, bijvoorbeeld door tijdsverloop, waardoor de voldane BPM te hoog is, kan dat aanleiding geven tot teruggave van BPM (met rentevergoeding), bijvoorbeeld door aanspraak te maken (bijvoorbeeld via bezwaar) op de toepassing van de zogenoemde leeftijdskorting.
2.7.
Tot zover is de beoordeling dezelfde als in recente uitspraken van de rechtbank in zaken van dezelfde gemachtigde die twee weken vóór de onderhavige zaken op zitting zijn behandeld. Pas tijdens de zitting in de onderhavige zaken heeft (de gemachtigde van) belanghebbende zijn standpunt nader verduidelijkt en is bovendien gebleken van een aanverwante kwestie waarover de gemachtigde en de inspecteur kennelijk al langere tijd principieel van opvatting verschillen. Het gaat om het volgende. Belanghebbende treedt als importeur/intermediair op en hij weet, zonder navraag te doen bij zijn cliënt, niet wanneer de registratie plaatsvindt en daarmee niet of recht bestaat op leeftijdskorting. De gemachtigde vindt principieel dat belanghebbende geen navraag hoeft te doen bij zijn cliënt en dat de inspecteur moet nagaan in zijn systemen of recht op leeftijdskorting bestaat. De rechtbank begrijpt dat dit voor de gemachtigde en belanghebbende een principieel punt is gegeven de gedwongen ‘eerst betalen, later registreren’-systematiek zoals die uit de regelgeving voor registratie van geïmporteerde auto’s volgt (er moet eerst belasting op aangifte worden voldaan, opdat het zogenoemde fiscaal akkoord wordt gegeven, waarna pas de registratie via de tenaamstelling wordt beëindigd), waarbij bovendien het tijdsverloop tussen het moment van voldoening en registratie kan variëren. De inspecteur meent daarentegen, eveneens principieel, dat als belanghebbende aanspraak wil maken op de leeftijdskorting het aan belanghebbende is om de daarvoor benodigde gegevens aan te leveren. Indien een belanghebbende dat doet en uit de gegevens blijkt dat recht bestaat op leeftijdskorting, dan zal die korting worden gegeven.
2.8.
De rechtbank is het als uitgangspunt met de inspecteur eens dat indien belanghebbende aanspraak wil maken op leeftijdskorting, het op de weg van belanghebbende ligt om daartoe de feiten te stellen en zo nodig te bewijzen. Dat neemt echter niet weg, zoals de rechtbank aan partijen ter zitting heeft voorgehouden, dat de vraag rijst of de gegevens over het moment van registratie zijn aan te merken als op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb. De inspecteur heeft ter zitting desgevraagd gemeld dat de inspecteur het moment van registratie kan achterhalen aan de hand van bepaalde (naar de rechtbank begrijpt: voor hem toegankelijke) applicaties. De rechtbank begrijpt daaruit dat de informatie over het registratiemoment op zichzelf ter vrije beschikking staan van de inspecteur. Daarmee zou het een ‘stuk’ kunnen zijn in de zin van artikel 8:42 van de Awb. De stelling van de inspecteur dat de gegevens niet in zijn dossier zitten doet daaraan niet af. Ook gegevens die elektronisch worden opgeslagen, bewerkt, verwerkt of beheerd in systematische gegevensverzamelingen (databases) – waarvan hier naar de rechtbank begrijpt sprake is, gelet op de verklaring inzake ‘applicaties’ – kunnen op de zaak betrekking hebben voor zover zij van belang en raadpleegbaar zijn met het oog op de aan de orde zijnde zaak. De omstandigheid dat de inspecteur de gegevens niet heeft gebruikt, maakt nog niet dat geen sprake kan zijn van een op de zaak betrekking hebbend stuk. Aangezien de BPM wordt geheven ter zake van de registratie, zijn elektronische gegevens over het moment van registratie naar hun aard in beginsel op de zaak betrekking hebbende stukken. Dat zou anders kunnen liggen indien die gegevens niet (meer) van belang zijn voor de beoordeling door de rechter van het aan hem voorgelegde geschil. Hier zijn die gegevens echter wel van belang voor de beoordeling. De gegevens zijn immers van belang voor de bepaling of recht bestaat op leeftijdskorting. Aan het voorgaande doet niet af dat belanghebbende als uitgangspunt de stelplicht en bewijslast heeft en evenmin dat belanghebbende zelf ook aan de gegevens zou kunnen komen. Geen van beide ontslaat de inspecteur van de verplichting om op de zaak betrekking hebbende stukken (gegevens) in te brengen. De rechtbank laat overigens in het midden de kwestie of het bij het opleggen van een naheffingsaanslag sowieso aangewezen zou zijn dat de inspecteur controleert of belanghebbende recht heeft op leeftijdskorting.
2.9.
De inspecteur heeft desgevraagd ter zitting gemeld de gegevens over het moment van registratie niet te willen inbrengen, indien de rechtbank in afwijking van de opvatting van de inspecteur wél van oordeel zou zijn dat die gegevens op de zaak betrekking hebbende stukken zijn. De rechtbank heeft vervolgens de inspecteur erop gewezen dat in dat geval de rechtbank op grond van artikel 8:31 van de Awb aan die weigering de consequenties kan verbinden die haar geraden voorkomen. De inspecteur heeft daarop geen gewijzigd standpunt ingenomen.
2.10.
De gegevens over het moment van registratie zijn, zoals hiervoor overwogen, op de zaak betrekking hebbende stukken. De rechtbank begrijpt dat de inspecteur erin volhardt dat hij de gegevens niet hoeft in te brengen. Dit betekent dat de inspecteur niet voldoet aan een verplichting als bedoeld in artikel 8:31 van de Awb. De gevolgtrekking die de rechtbank geraden voorkomt is om een leeftijdskorting van 2% te geven op het bedrag aan verschuldigde BPM ter zake van de desbetreffende auto. Voor zaken waarin een naheffing aan de orde is, betekent dit dus dat die korting wordt berekend over de som van (i) het bedrag aan BPM dat is voldaan op aangifte en (ii) het nageheven bedrag aan BPM voor zover dat in stand blijft na beoordeling van eventueel andere beroepsgronden. In zaken waarin de naheffingsaanslag reeds bij uitspraak op bezwaar vernietigd is, is er geen aanleiding om gevolgen te verbinden aan het niet willen inbrengen van de registratiegegeven (in het midden gelaten of die gegevens in die zaken wel op de zaak betrekking hebbende stukken zijn).
BPM: Koerslijst

2.11.
Op p. 4 van de pleitnota heeft belanghebbende onder het kopje ‘’ een betoog gehouden dat – zo heeft belanghebbende ter zitting bevestigd – voor alle zaken geldt. Ook na herhaaldelijke lezing van dat betoog is het de rechtbank niet duidelijk wat de verhouding is tussen het betoog en het ‘kopje’ (het woord koerslijst komt in het betoog niet voor), en, belangrijker nog, wat de strekking van het betoog is en de betekenis ervan voor deze zaken is. Het betoog geeft de rechtbank dus geen aanleiding om de BPM te verminderen in een of meer van de zaken.
BPM: ex-rentalkorting

2.12.
Belanghebbende bepleit dat een ex-rentalkorting moet worden verleend ongeacht of de auto daadwerkelijk een huurverleden heeft. De rechtbank en het gerechtshof hebben dit betoog reeds eerder verworpen. Wat belanghebbende heeft aangevoerd is geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.
BPM: btw/marge-korting

2.13.
Belanghebbende bepleit een zogenoemde btw/marge-korting in gevallen waarin een koerslijst van Eurotaxglass’s wordt gebruikt. Belanghebbende betoogt, naar de rechtbank begrijpt, dat de koerslijst van Eurotaxglass’s weliswaar niet voorziet in een dergelijke korting, maar dat aangezien wel aannemelijk is dat in de koerslijst ook btw-auto’s zijn verwerkt, in elk geval enige korting geboden is. In eerder gewezen rechtspraak van Gerechtshof ’s Hertogenbosch is een dergelijke korting voor de koerslijst van Eurotaxglass’s afgewezen, waarbij ook voormeld betoog in de beoordeling is betrokken. Belanghebbende heeft hier geen concrete feiten en omstandigheden gesteld die aanleiding geven om af te wijken van deze rechtspraak.
BPM: bruikbaarheid rapporten CED en Dekra

2.14.
In een aantal zaken heeft de inspecteur gebruik gemaakt van rapporten van CED of Dekra. De rechtbank volgt belanghebbende niet in zijn betoog dat de daarop gebaseerde naheffingsaanslagen vernietigd moeten worden omdat aanbestedingsregels zijn geschonden bij de aanneming door de Belastingdienst van CED en Dekra voor taxaties. Ook als aanbestedingsregels geschonden zouden zijn, maakt dat nog niet dat de taxaties als zodanig buiten beschouwing moeten blijven of niet bruikbaar zijn. Verder gaat de rechtbank voorbij aan de blote stelling van belanghebbende dat het enige doel van CED en Dekra bij hun taxaties was om het mogelijk te maken naheffingsaanslagen op te leggen.
(Irimie-)rentevergoeding over eerder te veel betaalde belasting

2.15.
Tussen partijen is niet in geschil dat in de zaken waarin sprake is van voldoening op aangifte (hierna: voldoeningszaken), er recht bestaat op een rentevergoeding op grond van artikel 30ha van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) in het geval van teruggaaf van BPM (hierna: 30ha-rentevergoeding). In alle zaken waarin een dergelijke teruggaaf aan de orde was, was onduidelijk of een dergelijke beschikking genomen was. De inspecteur heeft deze onduidelijkheid voor zijn rekening laten komen. Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat bij de uitspraak op bezwaar tevens een rentebeschikking geacht wordt te zijn genomen van nihil en dat – naar de rechtbank begrijpt, zo nodig, via rechtstreeks beroep tegen deze beschikking – de rechtbank hierover een beslissing kan nemen. De rentevergoeding zal hierna per zaak worden vastgesteld. Daarbij verdient het volgende opmerking.In gevallen waarin reeds een teruggaaf is verleend bij uitspraak op bezwaar, hebben partijen steeds ter zitting vastgesteld over welke periode de 30ha-rentevergoeding wordt berekend. Niet besproken is over welke periode de vergoeding moet worden berekend indien de rechtbank tot het oordeel komt dat recht bestaat op een hogere teruggaaf. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen het erover eens zijn dat de 30ha-rentevergoeding ter zake van het bedrag van de extra teruggaaf moet worden berekend over een periode die eindigt twee weken na deze uitspraak. Dit sluit namelijk aan bij de opvatting van partijen ter zitting in de zaak 18/25, waarin bij uitspraak op bezwaar geen teruggaaf was verleend en ter zitting is geconcludeerd dat recht bestaat op teruggaaf.
2.16.
Voor zover belanghebbende een rentevergoeding bepleit op basis van een hoger percentage dan dat uit artikel 30hb AWR volgt, ziet de rechtbank daarvoor geen grond, ook niet op basis van het Unierecht. Gelet op het arrest Irimie, ECLI:EU:C:2013:250, is het een internrechtelijke gelegenheid van een lidstaat om de voorwaarden voor de rentevergoeding vast te stellen, waaronder de rentevoet, mits het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel worden geëerbiedigd. Dat het gelijkwaardigheidsbeginsel hier wat betreft het rentepercentage wordt geëerbiedigd, is – terecht – niet in geschil. Evenmin wordt het doeltreffendheidsbeginsel hier geschonden, in aanmerking genomen dat het AWR-rentepercentage aansluit bij de wettelijke rente (met een minimum) en naar het oordeel van de rechtbank als een passende rentevoet is aan te merken. Het door belanghebbende aangevoerde arrest Eesti Pager geeft onvoldoende aanleiding voor een ander oordeel, nu dat arrest is gewezen op het specifieke terrein van terugvordering van staatssteun.
2.17.
Belanghebbende wil bij terugbetaling van BPM die eerder is nageheven ook een vergoeding van rente. Verder wil belanghebbende bij de voldoeningszaken een rentevergoeding over een langere periode dan waarin artikel 30ha van de AWR voorziet. Geen van beide verzoeken kunnen worden gehonoreerd in deze procedure. De rechtbank is niet bevoegd om in deze procedure – waarin niet een beschikking op grond van artikel 28c van de Invorderingswet 1990 aan de orde is – daarover te oordelen; het Unierecht maakt dat niet anders. De rechtbank heeft bij de onbevoegdverklaring in het dictum niet een verwijzing naar artikel 8:71 van de Awb opgenomen, omdat er wel een rechtsingang bij de belastingrechter is ter zake van voormelde artikel 28c-beschikking.
Dwangsom

2.18.
In de zaken nummers 18/50, 18/26, 18/27 en 18/25 heeft de inspecteur het verweer gevoerd geen dwangsom verschuldigd te zijn omdat sprake is van een onredelijke late ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, zesde lid, onderdeel a, van de Awb. De rechtbank is van oordeel dat het verweer van de inspecteur slaagt en dat belanghebbende in die zaken dus geen recht heeft op een dwangsom. Of een ingebrekestelling onredelijk laat is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Daarbij kan onder meer van belang zijn of het uitblijven van een ingebrekestelling verband hield met bijzondere omstandigheden. Er is geen harde termijn. Wel zijn er richtsnoeren in de jurisprudentie te vinden. Zo heeft het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch overwogen dat – behoudens bijzondere omstandigheden – een termijn van meer dan vier maanden in ieder geval niet tijdig is. Ook wordt wel aangesloten bij de termijn van één jaar die de Hoge Raad heeft gehanteerd in een arrest betreffende een verzoek om herziening. Zelfs indien als richtsnoer van deze langere termijn wordt uitgegaan, zijn de ingebrekestellingen in deze zaken onredelijk laat. De ingebrekestellingen zijn gedaan ruim één jaar na het einde van de beslistermijn. Ter zitting is ook vastgesteld dat na het stuk van belanghebbende van 12 maart 2015 (nummer 18/50), 3 december 2014 (nummer 18/26 en nummer 18/27) en 17 oktober 2013 (nummer 18/25) er geen stukkenwisseling meer heeft plaatsgevonden tot de ingebrekestelling op 28 of 30 november 2016. Belanghebbende heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd voor het uitblijven van een ingebrekestelling.De rechtbank verwerpt het betoog dat aanvaarding van het ‘onredelijk laat’-verweer in strijd komt met het Unierecht, in het bijzonder met artikel 47 van het Handvest. De dwangsom is een maatregel in de bezwaarprocedure (of aanvraagprocedure) en valt als zodanig niet onder het toepassingsbereik van artikel 47 van het Handvest, dat op de rechterlijke procedure ziet. De bestreden maatregel beperkt ook niet de toegang als zodanig tot de rechter; het gaat hier niet om de in artikel 6:12 van de Awb opgenomen regel voor het geval het beroepschrift tegen het niet-tijdig beslissen onredelijk laat is ingediend, maar om een regel waardoor geen recht kan bestaan op een dwangsom. Artikel 47 van het Handvest dwingt er niet toe dat er een prikkel zoals een dwangsom dient te zijn die bestuursorganen dwingt tot het tijdig beslissen zodat toegang tot de rechter wordt verkregen; het artikel staat er dan ook evenmin aan in de weg dat als zo’n regeling er wel is om aan het verbeuren van een dwangsom voorwaarden te stellen zoals dat niet onredelijk laat in gebreke wordt gesteld. Overigens wordt ook niet in strijd gekomen met de eisen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid. Tot slot, het betoog dat het Unierecht zich ertegen verzet dat een belanghebbende zelf termijnen in de gaten moet houden, is zo algemeen gesteld onjuist.
2.19.
De inspecteur heeft in de zaken waarin een dwangsomgeschil speelt, ook het verweer gevoerd geen dwangsom op grond van artikel 4:17 van de Awb verschuldigd te zijn omdat er gelet op artikel 611g Rv sprake is van verjaring. De rechtbank is het niet met de inspecteur eens dat artikel 611g Rv hier van (overeenkomstige) toepassing is. Weliswaar is in (bijvoorbeeld) artikel 8:55c van de Awb dat artikel van overeenkomstige toepassing verklaard, maar artikel 8:55c van de Awb ziet op de van een ingevolge afdeling 4.1.3 van de Awb verbeurde dwangsom, indien het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond is. Hier gaat het om een ander beroep en gaat het niet om een vaststelling van een dwangsom op grond van artikel 8:55c van de Awb. Het gaat hier om een van een beschikking waarbij de inspecteur (de verschuldigdheid en de hoogte van) de dwangsom heeft vastgesteld op grond van artikel 4:18 van de Awb. In afdeling 4.1.3 van de Awb zelf is artikel 611g Rv niet van (overeenkomstige) toepassing verklaard. Wel is er in hoofdstuk 4 van de Awb een bepaling over verjaring opgenomen in artikel 4:104, maar de daar vermelde verjaringstermijn bedraagt vijf jaar en in geen van de zaken is die termijn verstreken. Verder is in artikel 5:35 van de Awb weliswaar een – van artikel 4:104 van de Awb – afwijkende verjaringstermijn van één jaar opgenomen, maar die bepaling ziet op een dwangsom in het kader van een last onder dwangsom. Kortom, de wettekst en de wetsystematiek bieden geen steun voor de opvatting van de inspecteur. Die steun is evenmin te vinden in de wetsgeschiedenis.Het voorgaande neemt niet weg dat niet direct duidelijk is waarom er een verschil zou zijn tussen enerzijds een vaststelling van een dwangsom op grond van artikel 4:18 van de Awb en anderzijds een vaststelling van een dwangsom op grond van artikel 8:55c van de Awb wat betreft de (on)mogelijkheid voor een bestuursorgaan om een ‘artikel 611g Rv-verjaringsverweer’ te voeren c.q. waarom afwijkende verjaringstermijnen zouden gelden. Dit geeft echter geen aanleiding voor een ander oordeel.
Immateriëleschadevergoeding terugwijzingszaken

2.20.
In alle zaken heeft belanghebbende aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Vier van die zaken betreffen terugwijzingszaken: het bezwaar is aanvankelijk niet-ontvankelijk verklaard en uiteindelijk – via een rechtbank en een hof – heeft de Hoge Raad de zaak teruggewezen naar de inspecteur om opnieuw op het bezwaar te beslissen, waarna opnieuw beroep is ingesteld tegen de nieuwe uitspraak op bezwaar. In zo’n geval rijst de vraag of na terugwijzing een nieuwe redelijke termijn is aangevangen. Hierover wordt verschillend geoordeeld; de rechtbank verwijst naar haar uitspraak van 12 april 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:1738 met betrekking tot een tot op zekere hoogte vergelijkbare kwestie (nieuwe beroepszaak na eerdere terugwijzing door de rechtbank). In die uitspraak heeft de rechtbank de benadering van de CRvB gevolgd. De omstandigheid dat in terugwijzingszaken zoals hier ook een cassatieprocedure aan de orde is geweest, geeft geen aanleiding om die benadering hier niet (dienovereenkomstig) te volgen. Dat betekent dat de rechtbank tot uitgangspunt neemt dat niet een nieuwe redelijke termijn is aangevangen na terugwijzing. Ook betekent dit dat – overeenkomstig rechtspraak van de CRvB – een overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan de inspecteur wordt toegerekend, tenzij in de loop van de hele procedure een of meer keer sprake is geweest van een langere behandelduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd. Alsdan komt de overschrijding van de behandelduur door de rechter in zoverre niet voor rekening van de inspecteur maar voor rekening van de Minister voor Rechtsbescherming.De vraag rijst nog hoe met de duur van de cassatieprocedure moet worden omgegaan: (i) moet deze duur ‘gewoon’ in aanmerking worden genomen, of (ii) moet de duur van de cassatiefase afzonderlijk in aanmerking worden genomen (zoals bij verzetzaken gebeurt)? Met name indien sprake is van een ‘snelle’ cassatiefase kan er een verschil in uitkomst zijn. Het komt de rechtbank voor dat de bij (i) vermelde benadering het meest voor de hand ligt. De rechtbank zal daarvan dan ook uitgaan bij haar beoordeling hierna in de terugwijzingszaken.
Immateriëleschadevergoeding: samenhang?

2.21.
De inspecteur heeft bepleit dat voor de immateriëleschadevergoeding (hierna: ISV) ‘samenhang’ moet worden aangenomen enerzijds bij de vier terugwijzingszaken en anderzijds bij de overige zaken (hierna: de niet-terugwijzingszaken).
2.22.
Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat van ‘samenhang’ sprake is indien meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld en die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien daarvan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk eenmaal het tarief van € 500 per half jaar gehanteerd. Anders dan belanghebbende bepleit, staat het unierecht hieraan niet in de weg. De jurisprudentie van de Hoge Raad over ISV is immers gebaseerd op artikel 6 EVRM, en artikel 47 van het Handvest is op zijn beurt geïnspireerd op artikel 6 EVRM. De Hoge Raad heeft in zijn jurisprudentie over ISV ook geen uitzondering gemaakt voor zaken die onder de werkingssfeer van het unierecht vallen.Bij BPM-zaken zoals hier, gaat het om een verschillende feitencomplexen (verschillende auto’s), maar kan niettemin toch sprake zijn van ‘hetzelfde onderwerp’ indien het bijvoorbeeld gaat om dezelfde (overwegend) rechtskundige geschilpunten waarbij de individuele kenmerken van de auto’s geen (noemenswaardige) rol spelen.Voor samenhang is niet noodzakelijk dat alle onderwerpen die in de ene zaak spelen ook in de andere zaak aan de orde zijn. Indien in zaak A minder onderwerpen aan de orde zijn dan in zaak B maar (in hoofdzaak) die onderwerpen wel ook in zaak B spelen, dan is sprake van samenhang. Er is dan sprake van dat zaak A als het ware ‘opgaat’ in zaak B voor de toepassing van de ISV. De veronderstelling is dat de lange duur van de procedure in zaak A geen extra spanning en frustratie oplevert ten opzichte van de (veronderstelde) spanning en frustratie opgeroepen door de lange duur van de procedure in zaak B.Tegen de achtergrond van het voorgaande oordeelt de rechtbank als volgt.
2.23.
Voor de niet-terugwijzingszaken zijn onvoldoende aanknopingspunten in het dossier aanwezig om te kunnen concluderen dat sprake is van ‘samenhang’. Overigens heeft de inspecteur ter zitting alleen bloot het ‘samenhang’-standpunt ingenomen zonder verdere concrete onderbouwing. Opmerking verdient nog dat bij bijvoorbeeld de zaken 18/435 en 18/27 zou kunnen worden betoogd dat aangezien in de beroepsfase (in hoofdzaak) geen andere onderwerpen aan de orde zijn dan die ook in andere zaken spelen, er wél samenhang in de beroepsfase zou kunnen worden aangenomen voor die zaken met andere zaken. De rechtbank gaat er evenwel van uit dat voor de invulling van het begrip ‘per fase’ als bedoeld in 2.22 de bezwaar- en beroepsfase samen als één fase moeten worden aangemerkt. Daarvoor pleit ook de eenvoud, nu immers bij de vraag of en zo ja in hoeverre recht bestaat op ISV de bezwaar- en beroepsfase tezamen worden genomen.
2.24.
Bij de vier terugwijzingszaken is wel sprake van ‘samenhang’, gelet op het volgende:
-

Afgaande op de processtukken in het dossier waren bij alle vier zaken zowel in de eerste bezwaarfase als in de tweede bezwaarfase (na terugwijzing) in hoofdzaak een of meer van dezelfde rechtskundige onderwerpen aan de orde (btw/marge, 12%-regeling, tussentijdstarief, Irimie-rente, werkelijke proceskosten);

In het eerste rechterlijke traject (Rechtbank; Hof; Hoge Raad) stond hetzelfde onderwerp centraal: de kwestie of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk was verklaard.

In de huidige beroepsfase gaat het in hoofdzaak om dezelfde rechtskundige onderwerpen.

De zaken zijn gelijktijdig behandeld in de verschillende fases: eerste uitspraak op bezwaar op 10 mei 2012, zitting en uitspraak rechtbank Gelderland (hierna: de 1e rechtbank) op 31 oktober 2013 en 9 januari 2014, zitting en uitspraak Hof Arnhem-Leeuwarden op 27 november 2014 en 6 januari 2015, arrest Hoge Raad op 15 januari 2016, horen in bezwaar op 13 oktober 2017, tweede uitspraak op bezwaar op dagen in de periode tussen 7 en 14 december 2017, en gelijktijdige behandeling in de onderhavige beroepsfase.

Immateriëleschadevergoeding: hoogte voor de terugwijzingszaken

2.25.
Voor de vier samenhangende terugwijzingszaken wordt dus éénmaal ISV toegekend. Deze vergoeding bedraagt € 2.000, waarvan € 261 voor rekening van de Minister en € 1.739 voor rekening van de inspecteur komt. De rechtbank zal uit overwegingen van eenvoud de schadevergoeding toekennen in de zaak 18/434 en volstaat in de overige terugwijzingszaken met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Voormelde bedragen zijn gebaseerd op het volgende, in samenhang met wat in 2.20 is overwogen:De behandelduur bij de 1e rechtbank is afgerond één maand te lang geweest en die bij deze rechtbank 2 maanden te lang, dus in totaal 3 maanden. Dit betekent (zie 2.20) dat 3/23 deel, dus € 261 voor rekening van de Minister komt en de rest, dus € 1.739, voor rekening van de inspecteur.
loweralpha

Het vroegst ingediende bezwaarschrift is ingediend op 26 oktober 2011

Er is uitgegaan van de redelijke termijnen die als uitgangspunt gelden. De inspecteur heeft zich namelijk niet beroepen op bijzondere omstandigheden die een afwijking rechtvaardigen. Bijzondere omstandigheden in de onderhavige beroepsfase zijn ook niet gebleken. De redelijke termijn is hier daarom 6 jaar;

In het eerste rechterlijke traject is in elk geval voor de 1e rechtbank een verzoek om ISV gedaan. Zowel de 1e rechtbank als het Hof heeft het verzoek afgewezen. De Hoge Raad heeft de uitspraken van deze rechterlijke instanties integraal vernietigd. In deze procedure moet daarom rekening worden gehouden met de omstandigheid dat in eerdere instantie reeds een verzoek is gedaan.

De 1e rechtbank heeft niet binnen twee jaar na indiening van het (vroegst ingediende) bezwaarschrift uitspraak gedaan. Zou toen wel een ISV zijn toegewezen, dan zou die – uitgaande van wat bij b) is vermeld – € 500 zijn geweest (overschrijding van de redelijke termijn van bijna 3 maanden).

In het eerste rechterlijke traject heeft zowel het Hof als de Hoge Raad binnen de redelijke termijn van twee jaar uitspraak gedaan.

De snelle behandeling door het Hof en de Hoge Raad kan niet meebrengen dat thans op een lagere vergoeding zou worden uitgekomen dan indien destijds de 1e rechtbank de in d) vermelde schadevergoeding al had toegekend. De ISV dient dus minimaal € 500 te zijn.

Er is echter geen reden waarom de snelle behandeling door het Hof en de Hoge Raad overigens de overschrijding van de redelijke termijn niet deels zou kunnen compenseren. Nu deze uitspraak wordt gedaan op 5 september 2019, is de totale duur van de procedure 7 jaar en bijna 11 maanden. Er is daarom een totale overschrijding van de redelijke termijn van 1 jaar en 11 maanden. In verband met de toepassing van het tarief van € 500 per half jaar moet een afronding naar boven plaatsvinden, die moet worden toegepast op de totale overschrijding in al die fasen gezamenlijk. Die totale overschrijding is hier dus afgerond twee jaar. Er bestaat dan recht op ISV van in totaal € 2.000 (inclusief het bij d) genoemde bedrag van € 500).
Materiële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

2.26.
Belanghebbende heeft in elke zaak verzocht om vergoeding van materiële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Desgevraagd ter zitting is verklaard dat de gestelde schade bestaat uit de proceskosten en de Irimie-rente Dit verzoek wordt afgewezen. De vergoeding van proceskosten wordt exclusief geregeld door artikel 8:75 van de Awb en voor een aanvullende vergoeding op grond van (een overeenkomstige toepassing van) het hier nog geldende artikel 8:73 (oud) van de Awb is geen plaats. Het Unierecht maakt dat niet anders, in aanmerking genomen dat op dit punt geen onderscheid wordt gemaakt tussen zuivere nationale geschillen en geschillen die (deels) onder het toepassingsbereik van het Unierecht vallen. Wat betreft de Irimie-rente begrijpt de rechtbank dat belanghebbende stelt dat door een te lange duur van de procedure het langer heeft geduurd voordat hij teruggaaf van belasting krijgt of heeft gekregen en daarmee een rentenadeel leidt of heeft geleden. Voor een dergelijke rentevergoeding als schadevergoeding is echter geen plaats, reeds omdat de rentevergoeding exclusief is geregeld in artikel 30ha van de Awb en artikel 28c van de Invorderingswet. Het Unierecht dwingt niet tot een ander oordeel.
Rentevergoeding ter zake van kostenvergoeding in bezwaarfase

2.27.
In vrijwel alle zaken is een kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend. Belanghebbende heeft aanspraak gemaakt op rentevergoeding over het toegekende bedrag in het geval deze niet tijdig aan belanghebbende is betaald (of is verrekend met een schuld). Indien dat laatste juist is, heeft belanghebbende daarop inderdaad recht, zonder dat dit tot gegrondverklaring van het beroep leidt reeds omdat niet gebleken is dat om rentevergoeding is verzocht in de bezwaarfase.
Proceskostenvergoeding in bezwaar en beroep: werkelijke kosten en Unierecht?

2.28.
Belanghebbende heeft in elke zaak voor zowel de kosten in bezwaar als de proceskosten in beroep betoogd in algemene bewoordingen, mede met een beroep op het Unierecht, dat recht bestaat op vergoeding van de werkelijke proceskosten. De rechtbank volgt belanghebbende daarin niet. Een hogere dan een forfaitaire vergoeding op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht kan slechts worden toegepast indien er sprake is van een bijzondere omstandigheid. In elk van de zaken heeft belanghebbende daartoe onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld en ook overigens is niet gebleken van bijzondere omstandigheden. Het enkele feit dat in strijd met het Unierecht zou zijn geheven, brengt nog niet mee dat aanspraak op een hogere vergoeding dan een forfaitaire vergoeding kan worden gemaakt. Het beroep op artikel 47, derde alinea van het Handvest maakt dat niet anders, reeds omdat niet is gesteld dat belanghebbende niet beschikte over toereikende financiële middelen om rechtsbijstand te verkrijgen. Met betrekking tot de proceskosten in beroep overweegt de rechtbank verder dat een hogere vergoeding dan een forfaitaire vergoeding evenmin geboden is door de enkele omstandigheid dat de redelijke termijn is overschreden. De door belanghebbende aangevoerde zaak Gascogne, ECLI:EU:C:2013:770, duidt er niet op dat het Unierecht daartoe wel dwingt. Belanghebbende betoogt weliswaar met juistheid dat gelet op die omstandigheid de onrechtmatigheid gegeven is, maar dat brengt nog niet mee dat een hogere proceskostenvergoeding geboden is.
Proceskostenvergoeding in beroep

2.29.
Naar het oordeel van de rechtbank is bij de zaken met nummers 18/434, 18/435, 18/387, 18/389, 18/55, 18/28, 18/27, 18/26 en 18/25, in de beroepsfase sprake van ‘samenhangende zaken’ in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (BPB). De beroepen in deze zaken zijn (nagenoeg) gelijktijdig behandeld met rechtsbijstand door dezelfde persoon. Gelet op de inhoud van de beroepschriften en de pleitnota, konden bovendien de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek zijn. De omstandigheid dat in sommige zaken een of meer geschilpunten minder aan de orde waren dan in andere zaken, maakt niet dat geen sprake is van samenhang tussen de zaken (vgl. de ‘opgaan in’-benadering vermeld in 2.22 maar dan toegepast op werkzaamheden). De samenhang wordt ook niet doorbroken door de omstandigheid dat in de zaak 18/387 een (voor de toepassing van het BPB als conclusie van repliek aan te merken) reactie op het verweerschrift is ingediend. Opmerking verdient verder dat ook de zaak 18/28 als samenhangend is aangemerkt, hoewel in die zaak nog een geschilpunt over de schade aan de orde is. De reden is dat in het beroepschrift en de pleitnota die kwestie (nagenoeg) niet aan de orde is gesteld, en ook ter zitting de inbreng op dit punt relatief beperkt was. Met betrekking tot de zaak 18/26 geldt tot op zekere hoogte hetzelfde. Ook in die zaak is weliswaar een geschilpunt de schade, maar in het beroepschrift wordt niet (gemotiveerd) op dat punt ingegaan. De pleitnota gaat op p. 2 wel specifiek op het geschilpunt in, maar het aldaar betoogde duidt er niet op dat wezenlijk nieuwe werkzaamheden zijn verricht. Het is in elk geval onvoldoende om niet te kunnen concluderen dat ook bij deze zaak sprake is van werkzaamheden die nagenoeg identiek zijn. Datzelfde geldt – ook in samenhang bezien – voor de werkzaamheden in verband met de zaakspecifieke klacht op p. 7 van de pleitnota over de kostenvergoeding in bezwaar. De inbreng ter zitting met betrekking tot beide punten geeft evenmin aanleiding voor een ander oordeel dan dat de zaak 18/26 tot de samenhangende zaken hoort. In elk van de samenhangende zaken bestaat aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Voor die zaken samen komt de proceskostenvergoeding in beroep voor juridische bijstand uit op € 1.920 (2,5 punt voor beroepschrift, conclusie van repliek en zitting; wegingsfactor 1, samenhangfactor 1,5; € 512 per punt). Per zaak is dat afgerond € 214. Er zijn geen andere kosten gesteld die voor vergoeding in aanmerking komen.
2.30.
De zaak met nummer 18/50 behoort naar het oordeel van de rechtbank niet tot de samenhangende zaken.
Rente over het griffierecht, de immateriëleschadevergoeding en de proceskostenveroordeling in beroep

2.31.
Belanghebbende heeft in elke zaak aanspraak gemaakt op vergoeding van rente ter zake van ISV, het griffierecht en de in de beroep toegekende proceskostenvergoeding. De rechtbank honoreert die aanspraak in zoverre dat beslist zal worden dat recht bestaat op een vergoeding van wettelijke rente indien de ISV, het griffierecht en/of de in de beroep toegekende proceskostenvergoeding niet aan belanghebbende wordt uitbetaald binnen vier weken na de datum van deze uitspraak. Er is geen aanleiding om met betrekking tot de vergoeding van griffierecht de rente op een eerder moment in te laten gaan, ook niet op grond van het Unierecht. Er is evenmin aanleiding om de rentevergoeding op een hogere rentevoet te stellen dan de wettelijke rente, ook niet grond van het Unierecht (vgl. 2.16), slot).
Prejudiciële vragen

2.32.
De rechtbank ziet in al hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen reden om een of meer prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen en gaat daarom voorbij aan het verzoek van belanghebbende om dat wel te doen. Anders dan belanghebbende betoogt, is de rechtbank niet verplicht tot het stellen van prejudiciële vragen, ook niet indien de rechtbank voornemens is een beroep van belanghebbende op het Unierecht af te wijzen. De stelling van belanghebbende dat dit volgt uit zaken zoals de recente zaak Eurobolt, ECLI:EU:C:2019:555, en daarbij kennelijk de rechtsoverwegingen 28 en 29 baat hem niet. Daarbij gaat het namelijk om een ander leerstuk, namelijk de kwestie in hoeverre een nationale rechter onderzoek mag doen en mag oordelen over de geldigheid van een handeling van (een instelling van) de Unie. Belanghebbende heeft dit (uiteindelijk) ter zitting ook erkend, maar aangevoerd dat zijn standpunt steun vindt in een door het Hof van Justitie gegeven advies. In het midden gelaten of het advies zo gelezen moet worden zoals belanghebbende doet, kan dit betoog belanghebbende niet helpen. In het VWEU is nu eenmaal niet door de belanghebbende gestelde verplichting voor een ‘lagere’ rechter neergelegd.
Zaakspecifieke behandeling

Zaaknummer 18/434

2.33.
Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 1.786 aan BPM voldaan ter zake van de registratie van het motorvoertuig Opel Astra Twin Top 1.8 Cosmo, VIN: [VIN 1] . Bij uitspraak op bezwaar is uitgegaan van een verschuldigde BPM van € 1.192, leidend tot teruggaaf van € 594. Een kostenvergoeding van € 492 is toegekend.
Hoogte BPM

2.33.1.
De stelling dat een btw/marge-korting van 5% moet worden gegeven op de koerslijst van Eurotaxglass’s wordt verworpen (zie 2.13). De algemene klachten inzake ‘eerst betalen, later registreren’ en ‘koerslijst’ zijn alleen gegrond in verband met de leeftijdskorting (zie 2.10). Dit betekent dat de verschuldigde BPM met 2% (€ 24) wordt verminderd tot € 1.168, waardoor de nieuw vastgestelde teruggaaf (inclusief de eerder vastgestelde teruggaaf) € 618 bedraagt.
Rentevergoeding over teruggaaf

2.33.2.
Belanghebbende heeft recht op een 30ha-rentevergoeding over de eerdere teruggaaf van € 594 en de aanvullende teruggaaf van € 24 over de periode 1 april 2012 tot en met 28 december 2017 respectievelijk 19 september 2019 (vgl. 2.15). De beroepsgronden inzake de rentevergoeding over de teruggaaf van BPM falen voor het overige (zie 2.16 en 2.17).
Kostenvergoeding bezwaar

2.33.3.
De beroepsgrond betreffende de kostenvergoeding in bezwaar faalt (zie 2.28).
Dwangsom

2.33.4.
Het verjaringsverweer van de inspecteur faalt (zie 2.18). Voor dat geval is niet in geschil dat de dwangsom moet worden vastgesteld op € 1.260 (2.1.3).
Conclusie inzake het beroep

2.33.5.
Het beroep is dus gegrond.
Vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn

2.33.6.
Er wordt een ISV toegekend van € 2.000 (zie 2.25). Het verzoek om een vergoeding van de gestelde materiële schade wordt afgewezen (zie 2.26).
Proceskostenvergoeding beroep

2.33.7.
De proceskostenvergoeding wordt vastgesteld op het in 2.29 vermelde bedrag.
Rente

2.33.8.
Belanghebbende heeft recht op een vergoeding van wettelijke rente indien en voor zover de bij uitspraak op bezwaar toegekende kostenvergoeding, de ISV, het griffierecht en/of de in beroep toegekende proceskostenvergoeding niet-tijdig aan belanghebbende is dan wel wordt uitbetaald (zie 2.27 en 2.31).
Zaaknummer 18/435

2.34.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag BPM opgelegd ter zake van de registratie van een personenauto van het merk en type Audi Q3 2.0 TDI Pro Line met VIN: [VIN 2] . Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de naheffingsaanslag vernietigd en is een kostenvergoeding van € 492 toegekend.
Rentevergoeding over teruggaaf

2.34.1.
De rechtbank is niet bevoegd om in deze procedure te oordelen of belanghebbende recht heeft op rentevergoeding over een eventuele terugbetaling van BPM (zie 2.17).
Kostenvergoeding bezwaar

2.34.2.
De beroepsgrond betreffende de kostenvergoeding in bezwaar faalt (zie 2.28).
Conclusie inzake het beroep

2.34.3.
Het beroep is dus ongegrond.
Vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn

2.34.4.
Gelet op de uitgangspunten in de jurisprudentie van de Hoge Raad, een redelijke termijn van twee jaar in dit geval, de datum waarop het bezwaarschrift is ontvangen (5 november 2013), de datum van de uitspraak op bezwaar (13 december 2017), en de datum van deze uitspraak (5 september 2019), wordt de door belanghebbende gevraagde ISV toegewezen voor € 4.000, voor 44/46e deel (dus: € 3.826) te betalen door de inspecteur en voor het overige (dus: € 174) te betalen door de Minister voor Rechtsbescherming.
2.34.5.
Het verzoek om een vergoeding van de gestelde materiële schade wordt afgewezen (zie 2.26).
Proceskostenvergoeding beroep

2.34.6.
De proceskostenvergoeding wordt vastgesteld op het in 2.29 vermelde bedrag.
Rente

2.34.7.
Belanghebbende heeft recht op een vergoeding van wettelijke rente indien en voor zover de bij uitspraak op bezwaar toegekende kostenvergoeding, de ISV, het griffierecht en/of de in beroep toegekende proceskostenvergoeding niet-tijdig aan belanghebbende is dan wel wordt uitbetaald (zie 2.27 en 2.31).
Zaaknummer 18/387

2.35.
Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 13.480 aan BPM voldaan ter zake van de registratie van het motorvoertuig Jeep Wrangler Unlimited, VIN: [VIN 3] . Bij uitspraak op bezwaar is uitgegaan van een verschuldigde BPM van € 11.774, leidend tot teruggaaf van € 1.706. Een kostenvergoeding van € 492 is toegekend.
Hoogte BPM

2.35.1.
De stelling dat een btw/marge-korting van 5% moet worden gegeven op de koerslijst van Eurotaxglass’s wordt verworpen (zie 2.13). De algemene klachten inzake ‘eerst betalen, later registreren’ en ‘koerslijst’ zijn alleen gegrond in verband met de leeftijdskorting (zie 2.10). Dit betekent dat de verschuldigde BPM met 2% (€ 235) wordt verminderd tot € 11.539, waardoor de nieuw vastgestelde teruggaaf (inclusief de eerder vastgestelde teruggaaf) € 1.941 bedraagt.
Rentevergoeding over teruggaaf

2.35.2.
Belanghebbende heeft recht op een 30ha-rentevergoeding over de eerdere teruggaaf van € 1.706 en de aanvullende teruggaaf van € 235 over de periode 1 april 2013 tot en met 22 december 2017 respectievelijk 19 september 2019 (vgl. 2.15). De beroepsgronden inzake de rentevergoeding over de teruggaaf van BPM falen voor het overige (zie 2.16 en 2.17).
Kostenvergoeding bezwaar

2.35.3.
De beroepsgrond betreffende de kostenvergoeding in bezwaar faalt (zie 2.28).
Dwangsom

2.35.4.
Het verjaringsverweer van de inspecteur faalt (zie 2.18). Voor dat geval is niet in geschil dat de dwangsom moet worden vastgesteld op € 1.260.
Conclusie inzake het beroep

2.35.5.
Het beroep is dus gegrond.
Vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn

2.35.6.
In verband met het verzoek om ISV wordt volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden (zie 2.25). Het verzoek om een vergoeding van de gestelde materiële schade wordt afgewezen (zie 2.26).
Proceskostenvergoeding beroep

2.35.7.
De proceskostenvergoeding wordt vastgesteld op het in 2.29 vermelde bedrag.
Rente

2.35.8.
Belanghebbende heeft recht op een vergoeding van wettelijke rente indien en voor zover de bij uitspraak op bezwaar toegekende kostenvergoeding, de ISV, het griffierecht en/of de in beroep toegekende proceskostenvergoeding niet-tijdig aan belanghebbende is dan wel wordt uitbetaald (zie 2.27 en 2.31).
Zaaknummer 18/389

2.36.
Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 289 aan BPM voldaan ter zake van de registratie van het motorvoertuig BMW 318 D Touring, VIN: [VIN 4] . Bij uitspraak op bezwaar is uitgegaan van een verschuldigde BPM van € 125, leidend tot teruggaaf van € 164. Een kostenvergoeding van € 492 is toegekend.
Hoogte BPM

2.36.1.
De stelling dat een btw/marge-korting van 5% moet worden gegeven op de koerslijst van Eurotaxglass’s wordt verworpen (zie 2.13). De algemene klachten inzake ‘eerst betalen, later registreren’ en ‘koerslijst’ zijn alleen gegrond in verband met de leeftijdskorting (zie 2.10). Dit betekent dat de verschuldigde BPM met 2% (€ 3) wordt verminderd tot € 122, waardoor de nieuw vastgestelde teruggaaf (inclusief de eerder vastgestelde teruggaaf) € 167 bedraagt.
Rentevergoeding over teruggaaf

2.36.2.
Belanghebbende heeft recht op een 30ha-rentevergoeding over de eerdere teruggaaf van € 164 en de aanvullende teruggaaf van € 3 over de periode 1 april 2012 tot en met 22 december 2017 respectievelijk 19 september 2019 (vgl. 2.15). De beroepsgronden inzake de rentevergoeding over de teruggaaf van BPM falen voor het overige (zie 2.16 en 2.17).
Kostenvergoeding bezwaar

2.36.3.
De beroepsgrond betreffende de kostenvergoeding in bezwaar faalt (zie 2.28).
Dwangsom

2.36.4.
Het verjaringsverweer van de inspecteur faalt (zie 2.18). Voor dat geval is niet in geschil dat de dwangsom moet worden vastgesteld op € 1.260.
Conclusie inzake het beroep

2.36.5.
Het beroep is dus gegrond.
Vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn

2.36.6.
In verband met het verzoek om ISV wordt volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden (zie 2.25). Het verzoek om een vergoeding van de gestelde materiële schade wordt afgewezen (zie 2.26).
Proceskostenvergoeding beroep

2.36.7.
De proceskostenvergoeding wordt vastgesteld op het in 2.29 vermelde bedrag.
Rente

2.36.8.
Belanghebbende heeft recht op een vergoeding van wettelijke rente indien en voor zover de bij uitspraak op bezwaar toegekende kostenvergoeding, de ISV, het griffierecht en/of de in beroep toegekende proceskostenvergoeding niet-tijdig aan belanghebbende is dan wel wordt uitbetaald (zie 2.27 en 2.31).
Zaaknummer 18/55

2.37.
Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 9.084 aan BPM voldaan ter zake van de registratie van het motorvoertuig Mercedes-Benz GLK 350, VIN: [VIN 5] . Bij uitspraak op bezwaar is uitgegaan van een verschuldigde BPM van € 7.936, leidend tot teruggaaf van € 1.148. Een kostenvergoeding van € 492 is toegekend.
Hoogte BPM

2.37.1.
De stelling dat een btw/marge-korting van 5% moet worden gegeven op de koerslijst van Eurotaxglass’s wordt verworpen (zie 2.13). De algemene klachten inzake ‘eerst betalen, later registreren’ en ‘koerslijst’ zijn alleen gegrond in verband met de leeftijdskorting (zie 2.10). Dit betekent dat de verschuldigde BPM met 2% (€ 159) wordt verminderd tot € 7.777, waardoor de nieuw vastgestelde teruggaaf (inclusief de eerder vastgestelde teruggaaf) € 1.307 bedraagt.
Rentevergoeding over teruggaaf

2.37.2.
Belanghebbende heeft recht op een 30ha-rentevergoeding over de eerdere teruggaaf van € 1.148 en de aanvullende teruggaaf van € 159 over de periode 1 april 2012 tot en met 21 december 2017 respectievelijk 19 september 2019 (vgl. 2.15). De beroepsgronden inzake de rentevergoeding over de teruggaaf van BPM falen voor het overige (zie 2.16 en 2.17).
Kostenvergoeding bezwaar

2.37.3.
De beroepsgrond betreffende de kostenvergoeding in bezwaar faalt (zie 2.28).
Dwangsom

2.37.4.
Het verjaringsverweer van de inspecteur faalt (zie 2.18). Voor dat geval is niet in geschil dat de dwangsom moet worden vastgesteld op € 1.260.
Conclusie inzake het beroep

2.37.5.
Het beroep is dus gegrond.
Vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn

2.37.6.
In verband met het verzoek om ISV wordt volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden (zie 2.25). Het verzoek om een vergoeding van de gestelde materiële schade wordt afgewezen (zie 2.26).
Proceskostenvergoeding beroep

2.37.7.
De proceskostenvergoeding wordt vastgesteld op het in 2.29 vermelde bedrag.
Rente

2.37.8.
Belanghebbende heeft recht op een vergoeding van wettelijke rente indien en voor zover de bij uitspraak op bezwaar toegekende kostenvergoeding, de ISV, het griffierecht en/of de in beroep toegekende proceskostenvergoeding niet-tijdig aan belanghebbende is dan wel wordt uitbetaald (zie 2.27 en 2.31).
Zaaknummer 18/50

2.38.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag BPM opgelegd ter zake van de registratie van een personenauto van het merk en type Audi Q5 3.0 TDI quattro met VIN: [VIN 6] . Bij uitspraak op bezwaar is de inspecteur uitgegaan van een totaal verschuldigde BPM van € 6.664 en heeft hij de naheffingsaanslag verminderd tot € 2.350. Een kostenvergoeding van € 492 is toegekend.
Hoogte BPM

2.38.1.
Niet in geschil zijn de historische nieuwprijs (€ 95.640) en de bruto BPM (€ 23.575). Het geschil spitst zich toe op de handelsinkoopwaarde. Bij de uitspraak op bezwaar is de inspecteur uitgegaan van een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 37.834. Het is niet duidelijk waar dat bedrag vandaan komt. Wat ervan zij, belanghebbende bepleit een bedrag van € 36.495, te weten € 38.416 van op basis van koerslijst van Eurotaxglass’s minus 5% voor btw/marge. Aangezien die btw/marge-correctie niet kan worden gevolgd (zie 2.13) en zonder die correctie op een hogere waarde wordt uitgekomen dan de waarde die de inspecteur heeft gehanteerd, gaat de rechtbank uit van die laatste waarde, dus € 37.834. Een tweede element van het geschil over de handelsinkoopwaarde betreft de waardevermindering wegens schade. Belanghebbende bepleit een waardevermindering van € 22.061 op basis van een taxatie door Car-Tax, de inspecteur € 10.800 zijnde 72% van de door Dekra getaxeerde herstelkosten van € 15.000. De rechtbank stelt voorop dat zij geen deskundige is op het terrein van taxaties van auto’s en dat het (dus) aan ieder van partijen is om de rechtbank voldoende voor te lichten, in welk verband ook van belang kan zijn dat voldoende gemotiveerd wordt ingegaan op de taxatie van de wederpartij. De inspecteur heeft aan dit laatste in zoverre voldaan dat in het rapport van Dekra (onderdeel ‘Beoordeling taxatie aangifte BPM’, paragraaf 2.2 en 2.3) gemotiveerd en concreet kanttekeningen zijn geplaatst bij de taxatie door Car-Tax. Daartegenover staat dat in het rapport van Dekra geen inzicht wordt gegeven in de opbouw van het door Dekra genoemde bedrag aan herstelkosten. In dat opzicht kan belanghebbende niet worden tegengeworpen dat hij niet (gemotiveerd) is ingegaan op dat bedrag. Ook als het door Dekra genoemde bedrag aan herstelkosten als zodanig minder bruikbaar zou zijn, neemt dat echter niet weg dat op belanghebbende de bewijslast rust dat de waardevermindering méér is dan € 10.800. Belanghebbende is niet in die bewijslast geslaagd wat betreft de door hem bepleite waardevermindering. Daarbij is van belang dat belanghebbende in de beroepsfase, ook in de conclusie van repliek, niet (voldoende) gemotiveerd is ingegaan op de voormelde kanttekeningen van Dekra bij het taxatierapport van Car-Tax. Daartegenover staat echter dat die kanttekeningen op onderdelen weinig concreet zijn en dat het Car-Tax een relatief uitgebreide kwalitatieve omschrijving van de schade bevat waarbij als zodanig nauwelijks kanttekeningen zijn geplaatst. Alles afwegende acht de rechtbank een hogere waardevermindering dan waarvan de inspecteur is uitgegaan wel aannemelijk.Met inachtneming van wat over en weer is aangevoerd gaat de rechtbank uit van een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 22.500. Dat resulteert in een verschuldigde BPM van € 5.546. In alles wat belanghebbende overigens heeft aangevoerd in met name de conclusie van repliek – waaronder vele stellingen over schending van het Unierecht – heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen.
2.38.2.
De algemene klachten inzake ‘eerst betalen, later registreren’ en ‘koerslijst’ zijn alleen gegrond in verband met de leeftijdskorting (zie 2.10). Dit betekent dat de verschuldigde BPM 2% (€ 111) lager uitkomt op € 5.435. De naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 1.121.
Rentevergoeding over teruggaaf

2.38.3.
De rechtbank is niet bevoegd om in deze procedure