Uitspraak ECLI:NL:RBZWB:2019:3679

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 15-08-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 12-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBZWB:2019:3679, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 02/361614 HA RK 19-184


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Wrakingskamer
Locatie: Breda

Procedurenummer: 02/361614 HA RK 19-184

Beslissing van 12 augustus 2019

inzake

het wrakingsverzoek ex artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[Verzoeker]

geboren op [geboortedatum]inschrijvingsadres in de basisregistratie personen: [adresgegevens] feitelijk verblijfadres: [adres] thans verblijvende [verblijfgegevens] verder te noemen verzoekerraadsman mr. R.B.M. Poppelaars, advocaat te Breda.

ECLI:NL:RBZWB:2019:3679:DOC
nl

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Wrakingskamer
Locatie: Breda

Procedurenummer: 02/361614 HA RK 19-184

Beslissing van 12 augustus 2019

inzake

het wrakingsverzoek ex artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[Verzoeker]

geboren op [geboortedatum]inschrijvingsadres in de basisregistratie personen: [adresgegevens] feitelijk verblijfadres: [adres] thans verblijvende [verblijfgegevens] verder te noemen verzoekerraadsman mr. R.B.M. Poppelaars, advocaat te Breda.
procesverloop

1

- het proces-verbaal van verhoor van 2 augustus 2019 van de rechter-commissaris van deze rechtbank, belast met de toetsing rechtmatigheid inverzekeringstelling en vordering tot bewaring van verzoeker, met daarin opgenomen het door verzoeker gedane mondelinge verzoek tot wraking van de rechter-commissaris, mr. [naam] ;
Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:

-

de processtukken zoals opgenomen in het dossier van de rechter-commissaris;

de schriftelijke reactie van de rechter-commissaris van 5 augustus 2019, waarbij zij te kennen heeft gegeven niet bij de behandeling van het wrakingsverzoek aanwezig te kunnen zijn;

de schriftelijke reactie van de officier van justitie van 6 augustus 2019, waarbij zij te kennen heeft gegeven niet bij de behandeling van het wrakingsverzoek aanwezig te kunnen zijn;

de behandeling van het wrakingsverzoek door de wrakingskamer ter zitting van 7 augustus 2019, waarbij verzoeker en zijn raadsman zijn verschenen;

de bij gelegenheid van die behandeling door de raadsman overgelegde pleitaantekeningen.

2

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van mr. [naam] , voornoemd, in haar hoedanigheid van rechter-commissaris in de tegen verzoeker dienende strafzaak met parketnummer [nr.] .
2.2.
Mr. [naam] , verder te noemen de rechter-commissaris, berust niet in het verzoek tot wraking.
overwegingen

3

3.1.
In de hoofdzaak wordt verzoeker verdacht van het in vereniging plegen van een woningoverval met geweld.
3.2.
Door verzoeker is aangevoerd, kort weergegeven, dat een objectieve vrees voor partijdigheid van de rechter-commissaris bestaat, omdat de rechter-commissaris eerder een oordeel heeft gevormd over de ernstige bezwaren in de zaak van een medeverdachte, waarbij de medeverdachte een auto heeft uitgeleend aan verzoeker en de rechter-commissaris heeft aangenomen dat die auto in verband is te brengen met de woningoverval, waarvan verzoeker verdacht wordt.
3.3
Bij gelegenheid van het wrakingsverzoek ter zitting heeft verzoeker zijn wrakingsverzoek nog doen toelichten. Daarbij is benadrukt dat, nu de rechter-commissaris de ernstige bezwaren heeft aangenomen in de zaak van de uitlener van de auto en die beoordeling geen andere feitelijke grondslag heeft of in een ander licht kan worden bezien in de zaak van de lener van de auto, het objectief gerechtvaardigd is te vrezen voor vooringenomenheid van de rechter-commissaris waar het de ernstige bezwaren jegens verzoeker betreft. De gulden regel bij voorgeleiding is, dat wanneer een rechter-commissaris over vorderingen inbewaringstelling betreffende verschillende verdachten in één zaak oordeelt, zij tegelijkertijd oordeelt over de verschillende vorderingen, na verdachten één voor één te hebben gehoord. Die gulden regel geeft juist blijk van het risico van vooringenomenheid wanneer een rechter-commissaris moet oordelen over een vordering inbewaringstelling, nadat zij reeds heeft geoordeeld over een dergelijke vordering betreffende een andere verdachte. Weliswaar vormt de betrokkenheid van een rechter bij de behandeling van de zaak van een medeverdachte voorafgaand aan de behandeling van de verdachte geen grond voor wraking, maar dat neemt niet weg dat de specifieke feiten of omstandigheden van het geval, waarvan in dit geval sprake is, grond bieden om dit algemene uitgangspunt niet te volgen. Immers, verzoeker wordt verdacht van betrokkenheid bij het feit, enkel en alleen omdat wordt vermoed dat hij op het tijdstip van het delict de auto van de medeverdachte had geleend. Hoewel een andere rechter-commissaris heeft beslist op de vordering tot inbewaringstelling, heeft verzoeker in het kader van de algemene rechtszekerheid belang bij een beslissing op het wrakingsverzoek.
4

De rechter-commissaris heeft aangevoerd dat zij niet de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt, nu het tot haar taak behoort om, op grond van de processtukken en hetgeen partijen naar voren brengen bij de behandeling van de vordering tot inbewaringstelling, te oordelen en daarbij hetgeen is beslist in een andere zaak tegen andere (mede)verdachte buiten beschouwing te laten. Volgens vaste jurisprudentie is het enkele feit dat een rechter al eerder een medeverdachte heeft veroordeeld in een aparte procedure, niet voldoende om twijfel te doen rijzen over de onpartijdigheid van de rechter. In vrijwel alle zaken met meerdere verdachten zijn de ernstige bezwaren gebaseerd op deels hetzelfde feitencomplex en dat is geen reden om te twijfelen aan de onpartijdigheid van de rechter. Dit zou slechts anders kunnen zijn indien in de uitspraak tegen de medeverdachte een specifiek en onderbouwd oordeel over de verdachte is gegeven en sprake is van feitelijk gebleken gebondenheid aan dat oordeel. Van die uitzonderingssituatie is hier geen sprake. Het wrakingsverzoek dient te worden afgewezen.

5

De officier van justitie heeft aangevoerd dat verzoeker in deze zaak “invult” dat de rechter-commissaris in de zaak tegen de medeverdachte heeft aangenomen dat de gebruiker van de uitgeleende auto betrokken is bij de overval. In het algemeen is geen grond tot wraking aanwezig wanneer een rechter al heeft geoordeeld in de zaak tegen een medeverdachte. Dit geldt ook bij de enkele omstandigheid dat uit de bewezenverklaring ten aanzien van de eerder berechte medeverdachte een standpunt valt af te leiden van de rechter over de betrokkenheid van de verdachte bij de strafzaak. Uitgangspunt is dat een rechter, uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn. Enkele bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid kunnen dat anders maken, maar daarvan is hier geen sprake. Het wrakingsverzoek dient te worden afgewezen.

overwegingen

6

6.1.
Op grond van artikel 512 Sv kan een verdachte of het Openbaar Ministerie elk van de rechters die een strafzaak behandelt wraken op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
6.2.
Voorop moet worden gesteld, dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter als uitgangspunt geldt, dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat een rechter ten aanzien van een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
6.3.
De wrakingskamer stelt vast dat de voorgeleiding van verzoeker inmiddels heeft plaatsgevonden voor een andere rechter-commissaris, die de inbewaringstelling van verzoeker heeft bevolen. Anders dan het door de raadsman aangevoerde algemene belang van de rechtszekerheid, ziet de wrakingskamer het belang van betrokkenheid van de rechter-commissaris bij de strafzaak van verzoeker, omdat het niet ongebruikelijk is dat in een later stadium nog getuigen dienen te worden gehoord door de rechter-commissaris. Deze omstandigheid wordt bij de beoordeling van het wrakingsverzoek in aanmerking genomen. Het dient het er daarom voor gehouden te worden dat verzoeker toereikend belang heeft bij de ingezette wraking.
6.4.
Nu de gronden van het wrakingsverzoek zien op de ernstige bezwaren in de zaak van de medeverdachte, valt naar het oordeel van de wrakingskamer aan de door verzoeker aangevoerde omstandigheden geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter-commissaris niet onpartijdig is.
6.5.
Te onderzoeken staat vervolgens of de door verzoeker aangevoerde specifieke feiten en omstandigheden niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoeker geuite vrees dat de rechter-commissaris jegens hem een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoeker van belang, maar deze is niet doorslaggevend.
6.6.
De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is. Immers, uit de enkele omstandigheid dat de rechter-commissaris de medeverdachte van verzoeker in bewaring heeft gesteld, valt geen objectief gerechtvaardigd vermoeden af te leiden voor de veronderstelling dat de rechter-commissaris bij het verhoor van verzoeker vooringenomen zal zijn, noch kan bij verzoeker de objectief gerechtvaardigde vrees zijn ontstaan dat het de rechter-commissaris aan onpartijdigheid zal ontbreken, nog daargelaten dat de specifieke feiten en omstandigheden door verzoeker niet nader zijn onderbouwd en de wrakingskamer niet bekend is met de door verzoeker aangevoerde “gulden regel”. Zo deze “gulden regel” er zou zijn, dan valt niet in te zien dat schending door de rechter-commissaris van zo’n regel van invloed kan zijn bij beantwoording van de vraag of rechterlijke onpartijdigheid in het geding is.
6.7.
Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van de wrakingskamer niet gebleken dat de bij verzoeker bestaande vrees dat de rechter-commissaris ten aanzien van hem vooringenomenheid koestert objectief gerechtvaardigd is.
6.8.
Dit alles leidt ertoe dat het wrakingsverzoek moet worden afgewezen.
beslissing

7

De rechtbank:

Deze beslissing is gegeven op 12 augustus 2019, door mr. Van Kralingen, voorzitter, mr. Poerink en mr. De Roos, leden van de wrakingskamer, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van [voorl.] Van der Gaag, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

-

wijst het verzoek tot wraking af;

bepaalt dat de behandeling van de zaak met parketnummer: [nr.] zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van dit verzoek.