Uitspraak ECLI:NL:RBZWB:2019:2573

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 06-06-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 07-06-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBZWB:2019:2573, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is BRE 19_1164


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANTuitspraak van 7 juni 2019 van de meervoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser 2] , te [woonplaats eiser 2] , eiser (gemachtigde: [gemachtigde eisers] , [naam eiser 3] , te [woonplaats eiser 3] , eiser (gemachtigde: [gemachtigde eisers] ,het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere, verweerder.

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/1164

De vennootschap [naam eiseres 1] , te [plaatsnaam eiseres 1] , eiseres (gemachtigde: [gemachtigde eisers] ),
en

ECLI:NL:RBZWB:2019:2573:DOC
nl

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANTuitspraak van 7 juni 2019 van de meervoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser 2] , te [woonplaats eiser 2] , eiser (gemachtigde: [gemachtigde eisers] , [naam eiser 3] , te [woonplaats eiser 3] , eiser (gemachtigde: [gemachtigde eisers] ,het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere, verweerder.
Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/1164

De vennootschap [naam eiseres 1] , te [plaatsnaam eiseres 1] , eiseres (gemachtigde: [gemachtigde eisers] ),
en

procesverloop

Procesverloop
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 22 januari 2019 (hierna: bestreden besluit) , inzake de verlening van een vergunning voor het exploiteren van tien standplaatsen ten behoeve van kampeermiddelen (hierna: standplaatsen) op het perceel [straatnaam perceel] te [plaats perceel] (hierna: perceel).
- [gemachtigde eisers] , als gemachtigde van eisers;- [naam gemachtigde 1 verweerder] , [naam gemachtigde 2 verweerder] en [naam gemachtigde 3 verweerder] namens verweerder;
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 10 april 2019. Daarbij waren aanwezig:

overwegingen

Overwegingen
Inleiding
1.1.
Op het perceel is minicamping [naam minicamping] te [plaats minicamping] gevestigd. Partijen zijn het erover eens – en ook de rechtbank gaat ervan uit – dat daar voor onbepaalde termijn vijftien standplaatsen mogen worden geëxploiteerd.
1.2.
Bij besluit van 15 juni 2018 (hierna: primair besluit 1) heeft verweerder voor de exploitatie van tien extra standplaatsen een vergunning, als bedoeld in artikel 2 van de Kampeerverordening 2015 (hierna: Verordening), verleend aan [naam eiser 2] . Hiertegen hebben eisers bezwaar gemaakt. In dit kader hebben zij verzocht om de tenaamstelling van de vergunning te wijzigen van [naam eiser 2] naar [naam eiser 3]
1.3.
Bij besluit van 14 september 2018 (hierna: primair besluit 2) heeft verweerder voldaan aan het verzoek om wijziging van de tenaamstelling en primair besluit 1 voor het overige in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank bevat primair besluit 2 nog geen volledige heroverweging in de zin van artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het bezwaar – krachtens artikel 6:19, eerste lid, van de Awb – mede betrekking heeft op primair besluit 2.
1.4.
Door het bezwaar is verweerder niet op andere gedachten gebracht. Daarom heeft hij bij het bestreden besluit primair besluit 1, zoals gewijzigd op 14 september 2018, in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het bestreden besluit wel een volledige heroverweging in de zin van artikel 7:11 van de Awb.
1.5.
Eisers hebben beroep tegen het bestreden besluit ingesteld.
2. De vergunning van 15 juni 2018, zoals gewijzigd op 14 september 2018, bevat een aantal specifieke voorschriften. Eisers vinden dat enkele van die voorschriften onrechtmatig zijn en om die reden moeten vervallen.
3. De rechtbank onderzoekt ambtshalve of verweerder in dit geval bevoegd was om een beslissing over de toepassing van artikel 2 van de Verordening te nemen. Volgens vaste jurisprudentie raakt deze vraag namelijk zozeer aan de kern van de Nederlandse rechtsorde dat beantwoording ervan niet aan de vrije wil van partijen kan worden overgelaten. Met andere woorden: het gaat hier om een aspect van openbare orde dat aan de autonomie van partijen is onttrokken en zich (dus) leent voor ambtshalve toetsing door de bestuursrechter.
Omvang van het geschil

Oordeel van de rechtbank

4.1.
Vandaag heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep met zaaknummer 18/8392. In die uitspraak heeft zij 56 (andere) kampeervergunningen herroepen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat verweerder de desbetreffende vergunningen niet ambtshalve mocht en mag verlenen, en dat geen sprake is van aanvragen – in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb – om verlening van vergunningen krachtens artikel 2 van de Verordening.
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank ligt ook aan primair besluit 1 geen aanvraag – in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb – ten grondslag. Daarom is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet bevoegd was en is om aan [naam eiser 2] een vergunning voor het exploiteren van tien standplaatsen te verlenen, en dus evenmin om de tenaamstelling van die vergunning te wijzigen.
4.3.
Dit oordeel leidt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven.
Slotsom

5.1.
De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen, wegens strijd met de artikelen 1 en 2 van het besluit ‘Nadere regels en beleidsregel’ alsmede met de ongeschreven rechtsregel dat een bestuursorgaan een vergunning niet ambtshalve mag verlenen.
5.2.
Uit rechtsoverweging 8.2 van de uitspraak met zaaknummer 18/8392 volgt dat de primaire besluiten voor herroeping gereed liggen. Zo’n rechtshandeling leidt echter tot het ontnemen van een aanspraak die eisers zonder meer zouden hebben behouden als zij hadden berust in de einduitkomst van de heroverweging van de primaire besluiten. Daarom ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, teneinde te voorkomen dat de rechtspositie van eisers (ten opzichte van verweerder) wegens het instellen van beroep verslechtert.
5.3.
Het vorenstaande heeft tot gevolg dat de rechtbank niet toekomt aan een beoordeling van de beroepsgronden die eisers tegen het bestreden besluit hebben aangevoerd.
Griffierecht en proceskosten

6. Nu de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren, dient het voor de behandeling van de zaak betaalde griffierecht aan eisers te worden vergoed.

7.1.
De rechtbank zal verweerder veroordelen in de proceskosten die eisers hebben gemaakt, tot een bedrag van € 1024,-. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
7.2.
Eisers maken aanspraak op de vergoeding van één procespunt als bedoeld in onderdeel A van de bijlage die behoort bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb), voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting.
7.3.
Eisers hebben de rechtbank verzocht om de proceshouding van verweerder te betrekken bij de beoordeling van het beroep. De rechtbank kwalificeert dit verzoek als een verzoek om – met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Bpb – af te wijken van het forfaitaire stelsel. De rechtbank honoreert dit verzoek niet. Naar haar oordeel kan namelijk niet worden gesteld dat verweerder het bestreden besluit tegen beter weten in heeft genomen. Evenmin is gebleken dat eisers als gevolg van de onrechtmatige besluitvorming van verweerder uitzonderlijk hoge proceskosten hebben gemaakt. Daarom zal de rechtbank de wegingsfactor – als bedoeld in onderdeel C van de bijlage bij het Bpb – van deze zaak vast stellen op 1.
7.4.
Het vorenstaande leidt tot een bedrag van € 1024,- aan proceskosten dat door verweerder aan eisers moet worden vergoed.
beslissing

Beslissing
De rechtbank:
-

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand;

draagt verweerder op het betaalde griffierecht, groot € 345,-, aan eisers te vergoeden;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers, tot een bedrag van € 1024,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, voorzitter, en mr. Th. Peters enmr. W. Anker, leden, in aanwezigheid van mr. L.M. Koenraad, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2019. De griffier is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.
voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.