Uitspraak ECLI:NL:RBZWB:2019:2572

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 06-06-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 07-06-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBZWB:2019:2572, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is BRE 19_669


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANTuitspraak van 7 juni 2019 van de meervoudige kamer in de zaak tussen [naam eiseres 1] , te [woonplaats eiseressen] , eiseres (gemachtigde: [naam gemachtigde eiseres] ,De vennootschap [naam eiseres 2] , te [woonplaats eiseressen] , eiseres (gemachtigde:het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere, verweerder.
[naam gemachtigde eiseres] ,

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/669

en

ECLI:NL:RBZWB:2019:2572:DOC
nl

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANTuitspraak van 7 juni 2019 van de meervoudige kamer in de zaak tussen [naam eiseres 1] , te [woonplaats eiseressen] , eiseres (gemachtigde: [naam gemachtigde eiseres] ,De vennootschap [naam eiseres 2] , te [woonplaats eiseressen] , eiseres (gemachtigde:het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere, verweerder.
[naam gemachtigde eiseres] ,
Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/669

en

procesverloop

Procesverloop
Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 1 februari 2019 (hierna: bestreden besluit) inzake een verzoek van eiseressen om handhavend op te treden tegen de exploitatie van zeven nader aangeduide minicampings wegens de strijd ervan met het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Derde herziening Buitengebied Veere’ (hierna: bestemmingsplan).
- [naam gemachtigde eiseres] , als gemachtigde van eiseressen;- [naam gemachtigde 1 verweerder] [naam gemachtigde 2 verweerder] en [naam gemachtigde 3 verweerder] namens verweerder.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 10 april 2019. Daarbij waren aanwezig:

Overwegingen
Inleiding

1. In de gemeente Veere wordt een groot aantal minicampings geëxploiteerd. Veel van die campings exploiteren meer dan vijftien standplaatsen. Eiseressen hebben daarover een langlopend conflict met verweerder.2. Eiseressen exploiteren minicamping [naam minicamping eiseressen] te [plaats minicamping eiseressen] . Die minicamping beschikt over vijftien standplaatsen. Eiseressen willen hun minicamping uitbreiden tot 25 standplaatsen en hebben daartoe beschikt over een onder voorwaarden verleende ontheffing die – rekening houdend met een verlenging – tot 31 december 2016 geldig is geweest. Eiseressen hebben een geschil met verweerder over de vraag of zij na 31 december 2016 15 of 25 standplaatsen mogen exploiteren.Tegen deze achtergrond moet het geschil tussen eiseressen en verweerder – over de rechtmatigheid van een aantal vergunningen voor het exploiteren van tien extra standplaatsen (hierna: kampeervergunningen) – worden gesitueerd.
3.1.
Per brief van 13 juni 2018 (hierna: handhavingsverzoek) hebben eiseressen gevraagd om handhavend op te treden tegen de exploitatie van minicampings die volgens eiseressen in strijd komt met de artikelen 3.5.4 en 4.5.3 van de regels van het bestemmingsplan.
3.2.
Op 20 juni 2018 en 25 juli 2018 heeft verweerder aan eiseressen – onder verwijzing naar artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) – medegedeeld dat hij behoefte heeft aan meer gegevens om een inhoudelijke beslissing op het handhavingsverzoek te kunnen nemen.
3.3.
Naar aanleiding hiervan hebben eiseressen het handhavingsverzoek op 30 juli 2018 gespecificeerd, door het noemen van zeven concreet aangeduide minicampings die in strijd met de planregels zouden worden geëxploiteerd.
3.4.
Bij besluit van 8 augustus 2018 (hierna: primair besluit) heeft verweerder het handhavingsverzoek buiten behandeling gelaten. Hiertegen hebben eiseressen bezwaar gemaakt.
3.5.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten. Hiertegen hebben eiseressen beroep ingesteld.
Omvang van het geschil

4.1.
Verweerder vindt dat:- het handhavingsverzoek onvoldoende is gespecificeerd om er een inhoudelijke beslissing op te kunnen nemen;- aan eiseressen voldoende gelegenheid is geboden om dit verzuim te herstellen;- eiseressen deze gelegenheid niet hebben benut; en- het niet mogelijk is om de beslissing op één verzoek neer te leggen in twee of meer zelfstandige besluiten.
4.2.
Eiseressen stellen zich op het standpunt dat verweerder niet alleen bevoegd maar ook verplicht is om aan het handhavingsverzoek te voldoen. Daartoe voeren eiseressen in hoofdzaak aan dat de opvattingen van verweerder juridisch niet houdbaar zijn.
5. Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien:a. de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag;b. de aanvraag geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15; ofc. de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking,mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.
Wettelijk kader

Beoordeling van de beroepsgronden

6.1.
Als uitgangspunt geldt dat een bestuursorgaan op een aanvraag die kan worden gesplitst in twee of meer afzonderlijk te beoordelen verzoeken, in twee of meer zelfstandig appellabele besluiten mag beslissen. Ook is een bestuursorgaan onder omstandigheden bevoegd om de reikwijdte van de beslissing op een aanvraag waarop meerdere beslissingen zouden kunnen worden genomen, te beperken tot één of meer onderdelen waarover het wel inhoudelijk kan oordelen .
6.2.
Het handhavingsverzoek, zoals gespecificeerd op 30 juli 2018, was voldoende concreet om inhoudelijk op te kunnen beslissen. Hierbij neemt de rechtbank allereerst in aanmerking dat verweerder na de ontvangst van de brief van 30 juli 2018 beschikte over de namen en exacte locaties van zeven minicampings, zodat voor die zeven minicampings voldoende duidelijk was dat eiseressen om handhaving verzochten. Verder acht de rechtbank relevant dat het op de weg van verweerder – die immers, publiekrechtelijk gezien, verantwoordelijk is voor toezicht op naleving van bestemmingsplannen – ligt om uit eigen beweging onderzoek te (laten) verrichten ter beantwoording van de vraag of de in het handhavingsverzoek aangeduide planregels zijn of worden overtreden. Overigens hebben eiseressen met de brief van 30 juli 2018 en de daarbij gevoegde foto’s een begin van bewijs geleverd van de gestelde overtredingen, zodat verweerder des te meer aanleiding had om het hiervoor bedoelde onderzoek te verrichten.
6.3.
De in het bestreden besluit tot uitdrukking komende overtuiging dat het aan eiseressen is om aannemelijk te maken dat de in het handhavingsverzoek genoemde overtredingen hebben plaatsgevonden of (nog steeds) plaatsvinden, berust op een onjuiste rechtsopvatting. Daartoe verwijst de rechtbank naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State – zoals neergelegd in de uitspraken van onder meer 19 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2743) en 7 november 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3602) – over de aard en omvang van de bestuurlijke plicht tot het (laten) verrichten van onderzoek naar aanleiding van een verzoek om handhaving.
7. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder in ieder geval na ontvangst van de brief van 30 juli 2018 niet langer bevoegd was om toepassing te geven aan artikel 4:5 (eerste lid, aanhef en onder c), van de Awb. Daarom is de rechtbank van oordeel dat verweerder het handhavingsverzoek, voor zover betrekking hebbend op de zeven door eiseressen expliciet genoemde minicampings, ten onrechte buiten behandeling heeft gelaten.

Slotsom

8.1.
De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen, wegens strijd met de artikelen 3:2 (zorgvuldigheidsbeginsel), 4:5 (bevoegdheid om een aanvraag buiten behandeling te laten) en 7:12 (motiveringsbeginsel) van de Awb.
8.2.
Zij ziet onvoldoende ruimte om zelf in de zaak te voorzien. Daartoe overweegt de rechtbank dat verweerder zich nog in het geheel niet heeft uitgelaten over de vraag of de artikelen 3.5.4 en 4.5.3 van de planregels zijn of (nog steeds) worden overtreden door (de exploitanten van) de minicampings die in de brief van 30 juli 2018 zijn genoemd.
8.3.
De rechtbank ziet evenmin aanleiding om verweerder – met behulp van een zogeheten ‘bestuurlijke lus’ – tijdens deze procedure in de gelegenheid te stellen om de in rechtsoverweging 8.1 genoemde gebreken te herstellen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder het hiervoor onder 6.2 bedoelde onderzoek zal moeten verrichten en dat de uitkomst daarvan – en van de daarop te baseren belangenafweging – nog ongewis is.
8.4.
De vernietiging van het bestreden besluit heeft tot gevolg dat verweerder het primaire besluit volledig moet heroverwegen, met inachtneming van deze uitspraak. Verweerder krijgt hiervoor twaalf weken de tijd, te rekenen vanaf de dag waarop deze uitspraak aan partijen wordt verzonden. Deze termijn is gelijk aan de termijn waarbinnen verweerder op het bezwaar had moeten beslissen.
8.5.
Eiseressen hebben de rechtbank verzocht om – met toepassing van artikel 8:72, zesde lid, van de Awb – te bepalen dat verweerder dwangsommen verbeurt als de nieuwe beslissing op het bezwaar niet binnen de in rechtsoverweging 8.4 genoemde termijn wordt genomen en op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt.
8.6.
De rechtbank wijst dit verzoek af. Zij vertrouwt er namelijk op dat verweerder zal voldoen aan diens opdracht om de tweede beslissing op het bezwaar tijdig te nemen en bekend te maken. Bovendien beschikken eiseressen over adequate middelen om verweerder tot spoed te manen als die nieuwe beslissing op bezwaar te lang uitblijft.
Griffierecht en proceskosten

9. Nu de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren, dient het voor de behandeling van de zaak betaalde griffierecht aan eiseressen te worden vergoed.

10.1.
De rechtbank zal verweerder veroordelen in de proceskosten die eiseressen hebben gemaakt, tot een bedrag van € 1024,-. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
10.2.
De rechtbank beschouwt de gemachtigde van eiseressen als een persoon in de zin van artikel 1, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb). Hij verleent beroepsmatig rechtsbijstand. De rechtbank ziet onvoldoende aanknopingspunten voor de veronderstelling van verweerder dat de gemachtigde hiervoor geen kosten aan eiseressen in rekening brengt. Het feit dat de gemachtigde een broer van een van de eiseressen is, is onvoldoende voor die veronderstelling, evenals het gegeven dat de gemachtigde – blijkbaar – met enige regelmaat werkzaamheden op minicamping [naam minicamping eiseressen] verricht.
10.3.
Eiseressen maken aanspraak op de vergoeding van één procespunt als bedoeld in onderdeel A van de bijlage die behoort bij het Bpb , voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting.
10.4.
Eiseressen hebben de rechtbank verzocht om de proceshouding van verweerder te betrekken bij de beoordeling van het beroep. De rechtbank kwalificeert dit verzoek als een verzoek om – met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Bpb – af te wijken van het forfaitaire stelsel. Hiertoe zou naar oordeel van de rechtbank voldoende grond zijn omdat verweerder in ieder geval na ontvangst van de brief van 30 juli 2018 geen enkele reden had om te oordelen dat het verzoek ter zake van de in die brief genoemde 7 minicampings te weinig specifiek was én het ook evident is dat verweerder het verzoek ter zake van die minicampings mocht afscheiden van het verder ongespecificeerde tegen andere minicampings gerichte handhavingsverzoek. Verweerder heeft het bestreden besluit dus tegen beter weten in genomen. Toch zal de rechtbank dit verzoek van eiseressen niet honoreren omdat niet gespecificeerd en onderbouwd is dat eiseressen ten gevolge van deze proceshouding van verweerder meer of hogere kosten hebben moeten maken dan die al worden vergoed bij toepassing van het forfaitaire tarief van het besluit proceskosten bestuursrecht.
10.5.
Het vorenstaande leidt tot een bedrag van € 1024,- aan proceskosten dat door verweerder aan eiseressen moet worden vergoed.
beslissing

Beslissing
De rechtbank:
-

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder binnen twaalf weken, te rekenen vanaf de dag waarop deze uitspraak aan partijen wordt verzonden, a. nogmaals op het bezwaar tegen het bestreden besluit moet beslissen; en b. de beslissing op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend moet maken;

draagt verweerder op het betaalde griffierecht, groot € 345,-, aan eiseressen te vergoeden;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseressen, tot een bedrag van € 1024,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, voorzitter, en mr. Th. Peters enmr. W. Anker, leden, in aanwezigheid van mr. L.M. Koenraad, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2019. De griffier is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.
voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.