Uitspraak ECLI:NL:RBZWB:2019:2558

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 06-06-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 07-06-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBZWB:2019:2558, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 02-800500-18


Bron: Rechtspraak


RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02/800500-18

vonnis van de meervoudige kamer van 7 juni 2019

in de strafzaak tegen de minderjarige

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag 1] 2004 te [geboorteplaats] ,wonende te [adres] ,raadsman mr. D.T. Stoof, advocaat te Breda.

ECLI:NL:RBZWB:2019:2558:DOC
nl

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02/800500-18

vonnis van de meervoudige kamer van 7 juni 2019

in de strafzaak tegen de minderjarige

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag 1] 2004 te [geboorteplaats] ,wonende te [adres] ,raadsman mr. D.T. Stoof, advocaat te Breda.
1

De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zittingen van 13 mei 2019 en 24 mei 2019, waarbij de officier van justitie, mr. Van Leeuwen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht ter zake dat
- die al fietsende [naam 1] van achteren benaderd op een scooter, althans op enig voertuig, en/of- aan die al fietsende [naam 1] haar kleding en/of fiets en/of tas welke op de fiets bevestigd was dan wel aan/om het lichaam van die [naam 1] hing getrokken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1.

hij op of omstreeks 16 augustus 2018 te Halsteren, gemeente Bergen op Zoom, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om één of meer goed(eren) van zijn/hun gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam 1] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam 1] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, hebbende hij, verdachte, en/of diens mededader(s):

art 310 Wetboek van Strafrechtart 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrechtart 45 lid 1 Wetboek van Strafrechtart 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht
2.

hij op of omstreeks 15 augustus 2018 te Bergen op Zoom tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een tas (met inhoud), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

art 310 Wetboek van Strafrechtart 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht
3.

hij op of omstreeks 05 augustus 2018 te Bergen op Zoom tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een bromfiets/scooter ( [kenteken 1] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam 4] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen bromfiets/scooter onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

art 310 Wetboek van Strafrechtart 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrechtart 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht
subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 05 augustus 2018 te Bergen op Zoom, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een goed te weten bromfiets/scooter ( [kenteken 1] ) hebben/heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(ten) dan wel redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 05 augustus 2018 te Bergen op Zoom tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een bromfiets/scooter ( [kenteken 2] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen bromfiets/scooter onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

art 310 Wetboek van Strafrechtart 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrechtart 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht
subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 4 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 05 augustus 2018 te Bergen op Zoom, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een goed te weten bromfiets/scooter ( [kenteken 2] ) hebben/heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(ten) dan wel redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 01 juli 2018 te Bergen op Zoom tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een bromfiets/scooter ( [kenteken 3] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam 5] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zichwederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen bromfiets/scooter onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;
art 310 Wetboek van Strafrechtart 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrechtart 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht
subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 5 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 01 juli 2018 te Bergen op Zoom, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een goed te weten bromfiets/scooter ( [kenteken 3] ) hebben/heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(ten) dan wel redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

3

De dagvaarding is geldig.De rechtbank is bevoegd.De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
overwegingen

4

4.1
Het standpunt van de officier van justitie

Feit 1

De officier van justitie vindt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de poging tot diefstal in vereniging en baseert zich daarbij op de bekennende verklaring van verdachte en de aangifte.

Feit 2

De officier van justitie vindt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal in vereniging en baseert zich daarbij op de aangifte en de getuigenverklaring van [naam 6] . Deze getuige bevestigt dat verdachte en de medeverdachte verantwoordelijk zijn voor de diefstal van de tas. Hij heeft hen diezelfde dag na de diefstal hierover gesproken. Verder komt de locatie die de getuige in zijn verklaring noemt als de locatie waar de spullen zijn gedumpt, overeen met de aangifte. De verdachte en de medeverdachte hebben daarbij aan [naam 6] aangegeven dat ze van plan waren om met de gestolen pinpas te gaan pinnen bij de [naam 7] . Omstreeks 16.45 uur die middag wordt verdachte geregistreerd op de camerabeelden van de [naam 7] , waarbij hij benzine in een fles aan het tanken was. Dat verdachte en zijn medeverdachte verantwoordelijk zijn voor de diefstal past ook in de verklaring van getuige [naam 8] , die verdachte en de medeverdachte kort na de diefstal heeft zien rijden op een scooter in Halsteren, waar een deel van de buit is achtergelaten. Verdachte kan deze bewijsmiddelen niet weerleggen en daarnaast komt de werkwijze sterk overeen met die van feit 1. Daarbij komt dat de telefoon van verdachte is onderzocht door de politie. Hierin zijn foto’s gevonden waaruit blijkt dat verdachte die dag samen met de medeverdachte op pad is geweest op een donkere scooter.
Feit 3

De officier van justitie vindt de primair ten laste gelegde diefstal in vereniging van de scooter wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de aangifte en de processen-verbaal van bevindingen van de politie. De bromfiets van de aangever wordt diezelfde dag teruggevonden door de politie na een achtervolging van verdachte en medeverdachte door Bergen op Zoom. De twee dienstdoende verbalisanten hebben verdachte en medeverdachte op de scooter herkend. De verbalisanten hebben ook vastgesteld dat de medeverdachte die ochtend niet thuis was en dat verdachte op het dak van de woning zou zijn geklommen om hem op te halen. Dit wordt bevestigd in de getuigenverklaring van de buurman van medeverdachte, de heer [naam 9] . Dat verdachte en de medeverdachte die ochtend samen op pad zijn geweest, is ook vastgelegd op de foto door getuige de heer [naam 10] . Verdachte heeft geen verklaring voor het feit dat zij gezien zijn met de scooter kort nadat deze gestolen was en de officier van justitie gaat er dan ook vanuit dat het verdachte en medeverdachte zijn die verantwoordelijk zijn voor de diefstal van die scooter.
Feit 4

De officier van justitie vindt de primair ten laste gelegde diefstal in vereniging wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de aangifte en de verklaring van getuige [naam 11] . Die heeft twee jongens gezien bij de scooter, die kort daarna wordt achtergelaten bij de Ligneweg in Halsteren. Getuige [naam 11] vraagt aan getuige [naam 10] om de politie te bellen. Getuige [naam 10] doet dit en heeft vervolgens ook een foto van deze twee jongens gemaakt. Een van de verbalisanten die verdachte en medeverdachte later die ochtend hebben achtervolgd op een andere gestolen scooter, heeft verdachte en de medeverdachte op deze foto herkend. Verdachte en medeverdachte kunnen deze bewijsmiddelen niet weerleggen.
Feit 5

De officier van justitie vindt dat dit ten laste gelegde feit niet kan worden bewezen en verzoekt verdachte hiervan vrij te spreken.
4.2
Het standpunt van de verdediging

Feit 1

Verdachte heeft dit feit bekend.
Feit 2

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van dit feit en dat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Volgens de verdediging is er geen bewijs dat direct naar (de betrokkenheid van) verdachte leidt. Zo bevat het dossier meerdere verklaringen “van horen zeggen” en wordt er ook gesproken over een bericht op Facebook waarbij de naam van verdachte is genoemd. Getuige [naam 8] zegt dat zij verdachte en medeverdachte op een scooter heeft zien rijden na de diefstal. Daaruit blijkt nog niet dat verdachte betrokken is geweest bij de ten laste gelegde diefstal.
Feit 3

Twee verbalisanten zien verdachte die bewuste ochtend op een scooter rijden. Dat levert voor de primair ten laste gelegde diefstal niets op. Van opzetheling is ook geen sprake, aangezien uit het dossier niet blijkt dat verdachte de wetenschap had dat de scooter van diefstal afkomstig was. De schuldheling kan bewezen worden.
Feit 4

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van dit feit. Er is een foto van verdachte gemaakt. Hieruit blijkt echter niet, dan wel onvoldoende dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan een diefstal, dan wel heling van een scooter. Vrijspraak dient te volgen.
Feit 5

De verdediging is met de officier van justitie van mening dat verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken.
4.3
Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Aangezien verdachte ten aanzien van dit feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
Feit 2

Op 16 augustus 2018 heeft [naam 2] aangifte gedaan van diefstal van haar tas op 15 augustus 2018. Zij reed die dag op het einde van de middag op haar fiets en had haar tas in het mandje voorop haar fiets gelegd. Toen zij op het Turfland te Bergen op Zoom moest stoppen voor een auto, hoorde zij van achteren een scooter naderen. De jongen die als passagier op de scooter zat, heeft in het voorbij gaan haar tas uit de fietsmand gepakt. De vader van de aangeefster heeft van dit voorval een bericht op Facebook geplaatst met het verzoek aan eventuele getuigen om zich te melden. Meerdere personen hebben op dit bericht gereageerd, waarvan één persoon een foto (en de naam) heeft meegestuurd van verdachte. Aangeefster heeft die jongen herkend als zijnde de bestuurder van die scooter. De rechtbank stelt vast dat de wijze waarop dit feit is gepleegd overeenkomt met die van feit 1. Daarbij komt dat getuige [naam 8] heeft verklaard dat zij op 15 augustus 2018 omstreeks 17.00 uur, dus kort na de diefstal, in de nabijheid twee jongens op een scooter heeft zien rijden. Zij heeft die jongens aangesproken omdat zij gevaarlijk over de stoep reden. De getuige heeft die twee jongens herkend als [verdachte] en [naam 13] , waarvan zij de achternaam niet meer weet. [naam 6] is ook gehoord als getuige en heeft verklaard dat hij met verdachte en medeverdachte op een tijdstip na de diefstal heeft gesproken. In dat gesprek hebben verdachte en de medeverdachte aangegeven dat zij een tas bij de supermarkt [naam 14] (gelegen nabij Turfland te Bergen op Zoom) hebben geroofd van een vrouw. De in de aangifte genoemde ontvreemde spullen worden ook genoemd in de verklaringen van getuige [naam 6] en zijn vriendin, getuige [naam 15] . Daarbij komt dat uit filmpjes die door de politie zijn aangetroffen op de telefoon van verdachte blijkt dat verdachte en medeverdachte eerder die dag, namelijk om 11.20 uur, op een donkerkleurige scooter hebben gereden. De verdachte en de medeverdachte hebben een ontkennende verklaring afgelegd. In het licht van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen vindt de rechtbank die verklaringen kennelijk ongeloofwaardig.
Feit 3

Op 5 augustus 2018 heeft de heer [naam 4] aangifte gedaan van diefstal van zijn scooter met kenteken [kenteken 1] te Bergen op Zoom. Hij is in de nacht van 5 augustus 2018 thuisgekomen en heeft zijn scooter afgesloten door de sleutel uit het contact te halen. Toen hij de daaropvolgende ochtend werd gebeld door de politie zag hij dat zijn scooter niet meer op de plek stond waar hij hem enkele uren daarvoor had neergezet. Omstreeks 8.40 uur diezelfde dag hebben de verbalisanten [naam 16] en [naam 17] twee jongens op die scooter zien rijden. Verbalisant [naam 16] heeft de bestuurder herkend als [verdachte] , en [naam 13] als degene die achterop de scooter zat. De verbalisanten zijn achter de jongens aangegaan. Na een korte achtervolging hebben zij de betreffende scooter in de buurt midden op straat aangetroffen. Verbalisant [naam 17] heeft verklaard dat hij de twee jongens heeft herkend van een foto die eerder die dag door een getuige van verdachte en medeverdachte was gemaakt na verdenking van een ander strafbaar feit. De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier geen bewezenverklaring kan volgen van de diefstal (in vereniging) van de scooter. De rechtbank vindt op basis van voornoemde bewijsmiddelen wel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het subsidiair ten laste gelegde medeplegen van opzetheling. Verdachte en zijn medeverdachte zijn namelijk gezien op de scooter, waarvan de aangever op dat moment nog de sleutel in zijn bezit had. Verdachte heeft deze scooter zonder sleutel moeten starten. In het korte tijdsbestek na de diefstal is dit een voldoende sterke aanwijzing dat verdachte wist dat deze scooter van diefstal afkomstig was. Dit wordt ook ondersteund door de omstandigheid dat de scooter, normaal gesproken een kostbare aanschaf, op straat werd achtergelaten na achtervolging door de politie.
Feit 4

Aangever [naam 3] heeft aangifte gedaan van diefstal van zijn scooter, een Yamaha Neos met het kenteken [kenteken 2] . Deze scooter is in de nacht van 4 op 5 augustus 2018 te Bergen op Zoom gestolen. Getuige [naam 11] heeft in de vroege ochtend van 5 augustus 2018, omstreeks 07.00 uur twee jongens bij een scooter zien staan. Hij is doorgelopen en kwam kort daarna bij de scooter terug, die op de grond lag. Op zijn verzoek heeft getuige [naam 10] , die op dat moment op de fiets kwam langsrijden, de politie gebeld. Getuige [naam 10] is achter de jongens aangefietst en heeft een foto van hen gemaakt. Hij zag dat de kleinere jongen met blond haar zwartkleurige handen had. Getuige [naam 11] heeft de jongens op de foto herkend als zijnde de jongens die aan de scooter hebben gerommeld. Verbalisanten [naam 16] en [naam 17] zijn in de ochtend van 5 augustus 2018 afgegaan op deze melding. Verbalisant [naam 16] heeft de jongens op de foto van getuige [naam 10] herkend als zijnde [verdachte] en [naam 13] . Bij de scooter aangekomen, heeft verbalisant [naam 16] geconstateerd dat deze het kenteken [kenteken 2] had en dat het chassisnummer overeenkwam met de scooter. Beide verbalisanten hebben verdachte en medeverdachte kort na deze melding in de nabijheid zien rijden. De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal in vereniging van de scooter. De rechtbank vindt op basis van voornoemde bewijsmiddelen wel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is om het subsidiair ten laste gelegde medeplegen van opzetheling bewezen te verklaren.
Feit 5

De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier geen bewezenverklaring kan volgen van de diefstal, dan wel heling van de scooter met kenteken [kenteken 3] . Uit het dossier blijkt niet, dan wel onvoldoende dat verdachte en de medeverdachte een significante bijdrage hebben geleverd aan de diefstal/heling van die scooter. Uit de aangifte en de verklaring van getuige [naam 19] blijkt dat de jongen die op de scooter van de aangever zou zijn weggereden niet voldoet aan het signalement van verdachte en de medeverdachte [naam 13] . De rechtbank zal verdachte van dit feit vrijspreken.
- de aangifte d.d. 17 augustus 2018;- de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 13 mei 2019, alsmede zijn verklaring bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch d.d. 29 november 2018 en de verklaring van verdachte bij de rechter-commissaris d.d. 10 april 2019.
4.4
De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
Feit 1:

op 16 augustus 2018 te Halsteren, gemeente Bergen op Zoom, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om één of meer goed(eren) van hun gading, dat aan een ander dan aan verdachte en zijn mededader toebehoorde, te weten aan [naam 1] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen vergezellen met geweld tegen die [naam 1] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, hebbende hij, verdachte, en diens mededader:

Feit 2:

op 15 augustus 2018 te Bergen op Zoom tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een tas (met inhoud), toebehorende aan [naam 2] ;

Feit 3:

op 05 augustus 2018 te Bergen op Zoom, tezamen en in vereniging met een ander een goed te weten bromfiets/scooter ( [kenteken 1] ) heeft voorhanden gehad, terwijl hij en zijn mededader ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wisten dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

Feit 4:

op 05 augustus 2018 te Bergen op Zoom, tezamen en in vereniging met een ander een goed te weten bromfiets/scooter ( [kenteken 2] ) heeft voorhanden gehad, terwijl hij en zijn mededader ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wisten dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

- die al fietsende [naam 1] van achteren benaderd op een scooter, en- aan die al fietsende [naam 1] haar tas welke op de fiets bevestigd was getrokken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
5

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6

6.1
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een jeugddetentie van 240 dagen, waarvan 86 dagen voorwaardelijk met aftrek van de periode die verdachte reeds in voorarrest heeft verbleven. Daarbij verzoekt de officier van justitie een proeftijd van twee jaar op te leggen, waarbij verdachte zich, naast de algemene voorwaarden, moet houden aan een aantal bijzondere voorwaarden. Verdachte dient mee te werken aan zijn MST-therapie en het trajectaanbod bij praktijk Memo. Daarnaast dient verdachte mee te werken aan PMT (Psycho Motore Therapie) en dient hij tevens de aanwijzingen van de jeugdreclassering op te volgen, in het bijzonder als het gaat om zijn schoolgang. Ook mag verdachte op geen enkele wijze contact hebben met de medeverdachte [naam 13] . Mocht de jeugdreclassering het noodzakelijk vinden om het elektronisch toezicht opnieuw aan te sluiten, dan moet verdachte hieraan zijn medewerking verlenen. Verder eist de officier van justitie verdachte op te leggen een werkstraf van 60 uren, bij niet verrichten te vervangen door 30 dagen jeugddetentie. De officier van justitie heeft ten slotte de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden gevorderd.
6.2
Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank bij het opleggen van de straf rekening te houden met de periode die verdachte in voorarrest heeft vastgezeten. De verdediging is van mening dat verdachte hierdoor genoeg is gestraft. De verdediging vindt een voorwaardelijke straf passend, waarbij kan worden volstaan met de voorwaarden zoals die door de Raad voor de Kinderbescherming zijn opgenomen in de rapportage van 20 mei 2019.
6.3
Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich binnen een korte tijd schuldig gemaakt aan een reeks uiteenlopende delicten, waarbij met name de gebeurtenissen op 15 en 16 augustus 2018 bijzonder ernstig zijn. Verdachte heeft zich, samen met de medeverdachte, binnen twee dagen schuldig gemaakt aan een straatroof en een poging daartoe. Verdachte en de medeverdachte hebben bij beide incidenten hun slachtoffers in het vizier gekregen, met de scooter van achteren genaderd en in beide gevallen de tas van hun slachtoffers (proberen) te pakken. Bij benadeelde partij [naam 2] is dit gelukt, bij benadeelde partij [naam 1] is het bij een poging gebleven. Wel is mevrouw [naam 1] door toedoen van verdachte en de medeverdachte gevallen, waarbij zij bijzonder ernstig letsel heeft opgelopen, onder meer een scheur in de schedel, een scheur in de oogkas, een klaplong, een gebroken vinger en een gekneusde/gebroken rib. Zoals blijkt uit de beelden in het dossier lag mevrouw [naam 1] minutenlang roerloos op de grond. In plaats van haar te helpen, hebben verdachte en de medeverdachte het op een lopen gezet. Als gevolg van de val heeft mevrouw [naam 1] langdurig in het ziekenhuis gelegen en heeft zij in die tijd haar ernstig zieke man, die uiteindelijk in januari van dit jaar is overleden, niet kunnen verzorgen. Al die weken zijn haar afgenomen en deze tijd krijgt zij nooit meer terug. De ingrijpende gevolgen blijken uit de toelichting op de vordering benadeelde partij en uit de namens haar op de zitting voorgelezen slachtofferverklaring. Die gevolgen neemt de rechtbank verdachte en zijn medeverdachte zeer kwalijk. Ook de dochter van aangeefster [naam 1] , die haar moeder roerloos en bloedend op straat zag liggen, heeft professionele hulpverlening nodig gehad om dit voorval te kunnen verwerken. De rooftocht van verdachte en de medeverdachte heeft daarmee ontzettend vervelende gevolgen voor de slachtoffers, een omstandigheid waarmee de rechtbank uitdrukkelijk rekening zal houden bij de straftoemeting. De verdachte heeft zich, samen met de medeverdachte, ook schuldig gemaakt aan de opzetheling van meerdere bromfietsen/scooters. Door gebruik te maken van gestolen bromfietsen/scooters, heeft de verdachte (en de medeverdachte) deel uitgemaakt van een circuit waarin uit misdrijf afkomstige goederen worden verhandeld en heeft hij aldus indirect het plegen van vermogensmisdrijven bevorderd.
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en deernst van het bewezen en strafbaar verklaarde zoals hiervoor omschreven, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de zitting.Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met het over verdachte opgemaakte adviesrapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 8 mei 2019 en de aanvulling hierop van 20 mei 2019, het faxbericht van de jeugdzorgwerker mevrouw R. Thilleman van 13 mei 2019, de rapportage van drs. K.T.E. Zászlós, GZ-psycholoog van 7 december 2018 en het verdachte betreffende uittreksel justitiële documentatie van 20 februari 2019.
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft op 20 mei 2019 geadviseerd om verdachte een jeugddetentie op te leggen, gelijk aan de duur van zijn voorarrest en een (deels voorwaardelijke) werkstraf, met daaraan gekoppeld een proeftijd van twee jaar met, naast de algemene voorwaarden, als bijzondere voorwaarden de verplichting om mee te werken aan zijn MST-behandeling en PMT, alsmede het trajectaanbod en de aanwijzingen tot dagbesteding via praktijk Memo. Verder mag verdachte gedurende de proeftijd geen contact opnemen met de medeverdachte [naam 13] . De Raad heeft ter zitting het advies gehandhaafd. Er was eerder sprake van een mogelijke plaatsing van verdachte bij Via Almata in het kader van het traject Thuis Best. De moeder heeft echter niet ingestemd met deze hulpverleningsvorm. De Raad heeft in dat verband opgemerkt dat er op dit moment onvoldoende zorgsignalen zijn om een civiel onderzoek te starten, zeker nu de moeder en verdachte nog kunnen profiteren van de geboden hulp vanuit MST.

De rechtbank stelt vast dat de jeugdreclassering, blijkens het faxbericht van 13 mei 2019, instemt met het advies van de Raad. Verdachte heeft sturing, begrenzing en bescherming nodig en de afgelopen periode is gebleken dat er meer nodig is om dat voor elkaar te krijgen. Uit overleg komt naar voren dat het traject Thuis Best bij Via Almata het meest passend is voor verdachte maar dat de moeder hiervoor geen toestemming verleent. De jeugdreclassering merkt in dat verband op dat, indien MST nu niet tot gewenste resultaten leidt, een verblijf van verdachte binnen de thuissituatie geen optie meer is.

De rechtbank heeft kennis genomen van de over verdachte opgemaakte rapportage van psycholoog K.T.E. Zászlós van 7 december 2018. Daaruit komt onder meer naar voren dat er bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de zin van een oppositioneel opstandige gedragsstoornis, waaraan een ADHD-stoornis en een problematische relatie tussen zijn ouders ten grondslag liggen. Omdat verdachte ten tijde van het opmaken van het rapport gebruik heeft gemaakt van zijn zwijgrecht, heeft de psycholoog niets kunnen zeggen over de mate van toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten tijde van het plegen van de feiten. Gezien de aard van zijn stoornis/gebrekkige ontwikkeling kan de psycholoog in zijn algemeenheid aangeven dat deze, gezien de factoren (zijn beperkt begripen inzicht in situaties, het niet kunnen overzien van de gevolgen enconsequenties van zijn handelen, zijn beïnvloedbaarheid, de neiging zich te willenbewijzen, zijn impuls- en agressieregulatieproblemen, zijn zelfbepalend gedrag enonrijpe gewetensontwikkeling), bij een bewezenverklaring van de feiten ook aanwezig was in de ten laste gelegde periode. De psycholoog heeft, door de zwijgende houding van verdachte destijds, slechts in algemene zin de kans op delictgedrag beoordeeld aan de hand van de SAVRY. De psycholoog schat de kans op delinquent gedrag in als hoog indien verdachte geen adequate begeleiding/behandeling krijgt. Indien er een bewezenverklaring volgt, dient er een delictanalyse plaats te vinden zodat verdachte meer begrip en inzicht krijgt in de factoren die een rol gespeeld hebben in zijn handelswijze en dat hij gedragsalternatieven leert ontwikkelen. De psycholoog acht het daarnaast van belang dat MST weer wordt opgestart en dat er wordt gewerkt aan het verbeteren van de sociale vaardigheden van verdachte. Ook dient er aandacht te zijn voor zijn zelfbepalende houding, onrijpe gewetensontwikkeling, vriendenkeuze en een adequate daginvulling. PMT kan volgens de psycholoog helpend zijn bij de zwakke impuls- en agressieregulatie van verdachte. De psycholoog adviseert verdachte een (deels) voorwaardelijke straf met jeugdreclasseringsbegeleiding op te leggen met daarbij het behandeltraject zoals hiervoor weergegeven.
Blijkens het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 20 februari 2019 is verdachte niet eerder (onherroepelijk) veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Alles afwegend komt de rechtbank, hoewel zij ten aanzien van de feiten 3 en 4 tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie, tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf grotendeels recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van verdachte. De rechtbank gaat echter uit van een andere periode van voorarrest dan de officier van justitie. Dit betekent dat de rechtbank aan verdachte op zal leggen een jeugddetentie van 207 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 66 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Daarbij zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden opleggen zoals door de officier van justitie gevorderd. Deze straf komt er op neer dat verdachte niet meer terug moet naar de jeugdgevangenis. Tevens legt de rechtbank verdachte op een werkstraf van 60 uur.

Dadelijke uitvoerbaarheid

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten een diefstal in vereniging, vergezeld van geweld tegen een persoon.

Gelet op de ernst van de feit 1 en 2 en het ingeschatte recidiverisico, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht te stellen voorwaarden en/of het op grond van artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht uitgeoefende toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

7

Feit 1:

De benadeelde partij [naam 1] vordert een schadevergoeding van € 7.686,83, bestaande uit € 2.686,83 materiële schade (uitlezen camerabeelden, schade deur, gederfde inkomsten), € 5000,- immateriële schade (smartengeld), voornoemd (totaal)bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente.
Feit 3:

De benadeelde partij [naam 4] vordert een schadevergoeding van € 834,34, ter zake van materiële schade, voornoemd (totaal)bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente.
Feit 4

De benadeelde partij [naam 3] vordert een schadevergoeding van € 1.078,16, ter zake van materiële schade, voornoemd (totaal)bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie voert aan dat de vorderingen van de benadeelde partijen [naam 1] en [naam 4] voldoende zijn onderbouwd. Hij verzoekt de rechtbank deze vorderingen hoofdelijk toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente. De officier van justitie vindt de vordering van benadeelde partij [naam 3] voor een bedrag van € 828,16 voldoende onderbouwd en toewijsbaar. De overige aangevoerde posten zijn naar mening van de officier van justitie onvoldoende onderbouwd. De officier van justitie verzoekt de benadeelde partij voor dat deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.
7.2
Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de vordering van benadeelde partij [naam 1] ten aanzien van de materiele schade voldoende is onderbouwd en voor dat deel voor toewijzing gereed ligt. Ten aanzien van de immateriële schade merkt de verdediging op dat het schadefonds geweldsmisdrijven reeds een bedrag heeft uitgekeerd en de verdediging acht dit bedrag passend. Deze post is verder ook niet onderbouwd met voorbeelden uit de Smartengeldgids. De vorderingen van de benadeelde partijen [naam 4] en [naam 3] moeten volgens de verdediging worden afgewezen, aangezien de verdediging zich op het standpunt stelt dat verdachte van deze feiten moet worden vrijgesproken.
7.3
Het oordeel van de rechtbank

Feit 1, mevrouw [naam 1]

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezenverklaarde feit en dat verdachte aansprakelijk is voor die schade.Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt, ook voor wat betreft de immateriële schade. Bij de benadeelde partij was sprake van fors letsel en ook een behoorlijk nare nasleep waarbij zij haar doodzieke man niet meer heeft kunnen verzorgen. Dit maakt dat de gehele vordering hoofdelijk zal worden toegewezen, aangezien verdachte en zijn medeverdachte verantwoordelijk zijn voor het ontstaan van de schade. Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, waardoor de schade aan de benadeelde partij door de staat wordt uitgekeerd. Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf 16 augustus 2018.
Feit 3, de heer [naam 4]

De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat de schade grotendeels een rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde opzetheling. De rechtbank overweegt daarbij dat de verbalisanten verdachte en de medeverdachte zijn achtervolgd op de scooter van de benadeelde partij, hen uit het oog zijn verloren en de scooter kort daarna op de straat hebben zien liggen. Het is aannemelijk dat de scooter daardoor (verder) beschadigd is geraakt. De rechtbank is van oordeel dat de schade tot het bedrag van € 785,34 ter zake van materiële schade (reiskosten en de schade aan de scooter, met uitzondering van de opgevoerde schadepost voor herstel van het contactslot) een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit, en dat verdachte en de medeverdachte aansprakelijk zijn voor die schade. Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende onderbouwd zodat de vordering tot dat bedrag hoofdelijk toewijsbaar is. Daarnaast overweegt de rechtbank dat zij met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij tevens de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen, waardoor de schade aan de benadeelde partij door de staat wordt uitgekeerd. Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf 5 augustus 2018. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. Voor dat deel kan de benadeelde partij zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Feit 4, de heer [naam 3]

Verdachte is vrijgesproken van de primair ten laste gelegde diefstal van de bromfiets/scooter. Er zijn geen aanwijzingen in het dossier waaruit volgt dat de schade door toedoen van verdachte zou zijn ontstaan.De benadeelde partij zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
8

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 310, 311, 312 en 416 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
beslissing

9

De rechtbank:
- van het onder 3 primair en 4 primair en 5 tenlastegelegde feit;
- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
- verklaart verdachte strafbaar;
- veroordeelt verdachte tot
- bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarden niet heeft nageleefd;
- verstaat dat verdachte deze straf reeds heeft ondergaan, nu de opgelegde jeugddetentie gelijk is aan de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorarrest;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
- geeft opdracht aan de William Schrikker Groep Jeugdbescherming en Jeugdreclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
- veroordeelt verdachte tot ;
- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, zal worden toegepast van ;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam 1] van € 7.686,83, waarvan € 2.686,83 ter zake van materiële schade en € 5000,- ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 16 augustus 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam 1] , € 7.686,83 te betalen, en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 16 augustus 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam 4] van € 785,34, ter zake van materiële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 5 augustus 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam 4] , € 785,34 te betalen, en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 5 augustus 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
- verklaart de benadeelde partij [naam 3] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij [naam 3] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil;
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Vrijspraak

Bewezenverklaring

Strafbaarheid

Feit 1: poging tot diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die voorgenomen diefstal gemakkelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Feit 2:diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Feit 3 subsidiair: medeplegen van opzetheling;

Feit 4 subsidiair: medeplegen van opzetheling.

Strafoplegging

* zal meewerken aan de MST-behandeling;* zich houdt aan de aanwijzingen tot dagbesteding binnen het trajectaanbod van GGZ Praktijk Memo;* meewerkt aan Psycho Motor Therapie via GGZ Praktijk Memo, indien en zo lang dit door de jeugdreclassering noodzakelijk wordt geacht;* op geen enkele wijze direct of indirect contact zal hebben of opnemen met de medeverdachte [naam 13] , geboren op [geboortedag 2] ;
Omdat bijzondere voorwaarden zijn opgelegd, gelden van rechtswege daarbij de algemene voorwaarden:

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;* medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, de medewerking van huisbezoeken daaronder begrepen;
* beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

Benadeelde partijen

Feit 1: [naam 1]

Feit 3: [naam 4]

Feit 4: [naam 3]

Voorlopige hechtenis

Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Duinhof, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. N.J.C. van Spronssen en mr. J. de Graaf, rechters, tevens kinderrechters, in tegenwoordigheid van R. Rozendaal, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 7 juni 2019.
_049b5548-10d3-48c4-b28f-0860ec9dc117
1

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2018192862 van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, District de Markiezaten, DAP de Markiezaten, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 528. Het proces-verbaal van aangifte van [naam 12] namens [naam 1] , pagina 27-28 van voornoemd eind-proces-verbaal.
_6877a7d2-b822-4bfc-80e2-c2880f5c1a6b
2

Het verhoor van verdachte bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, pagina 433-434 van voornoemd eind-proces-verbaal.

_7adbcd34-9a9d-4e9c-9212-43a49ec06a95
3

Het verhoor van verdachte bij de rechter-commissaris, d.d. 10 april 2019.

_0e691858-b5d5-4fd0-93db-6fc29dea73e1
4

Het proces-verbaal van aangifte van [naam 2] , pagina 20-21 van voornoemd eind-proces-verbaal.

_751a2b6e-bc5f-49f3-9d14-58ca7aacc770
5

Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 8] , pagina 40-41 van voornoemd eind-proces-verbaal.

_7b524806-1536-46a0-9f79-7ef66b917c7f
6

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 6] , pagina 33-34 van voornoemd eind-proces-verbaal.

_007f8717-ffbd-4b51-8efb-7132a0ab368a
7

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 15] , pagina 43 van voornoemd eind-proces-verbaal.

_2156906d-85b9-45c0-a6c3-5d341913f0ee
8

Aanvullend proces-verbaal d.d. 11 mei 2019, nummer 51, proces-verbaal van bevindingen verbalisant [naam 18] , pagina 4-5 van dit aanvullend proces-verbaal.

_ba4a8777-41bf-4203-a1c6-d40e0e73ea19
9

Het proces-verbaal van aangifte van [naam 4] , pagina 460 van voornoemd eind-proces-verbaal.

_9da298ea-016b-4da0-8b01-c4484b085abc
10

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [naam 16] , pagina 472-473 van voornoemd eind-proces-verbaal.

_f7060545-7372-4032-8c58-be6baf434e7f
11

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [naam 17] , pagina 476 van voornoemd eind-proces-verbaal.

_9c3a448e-4dc2-47f7-ba98-b35ca359be8f
12

Proces-verbaal van aangifte van [naam 3] , pagina 481 van voornoemd eind-proces-verbaal.

_85e20f8a-cb27-41eb-b592-404698287562
13

Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 11] , pagina 485 van voornoemd eind-proces-verbaal.

_d4346e9a-8732-445b-a2cc-2d41cfa05abb
14

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 10] , pagina 487 van voornoemd eind-proces-verbaal.

_cb7d189e-359f-4a71-a44c-a979a91dedc1
15

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [naam 16] , pagina 472-473 van voornoemd eind-proces-verbaal.