Uitspraak ECLI:NL:RBZWB:2019:2539

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 05-06-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 06-06-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBZWB:2019:2539, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 02-800367-18


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/800367-18

vonnis van de meervoudige kamer van 6 juni 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats]wonende te [adres 1]thans gedetineerd in PPC te Vught raadsman mr. I.A.C. Cools, advocaat te Tilburg.

ECLI:NL:RBZWB:2019:2539:DOC
nl

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/800367-18

vonnis van de meervoudige kamer van 6 juni 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats]wonende te [adres 1]thans gedetineerd in PPC te Vught raadsman mr. I.A.C. Cools, advocaat te Tilburg.
1

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 mei 2019, waarbij de officier van justitie, mr. Nicolaes, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2

Verdachte staat terecht, ter zake dat:
Primair

hij op of omstreeks 31 mei 2018 te Tilburg aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak en/of een gebroken oogkas en/of een gebroken jukbeen en/of tanden uit de mond, heeft toegebracht door die [slachtoffer] voornoemd met kracht tegen het been te schoppen en/of in het gezicht te slaan/stompen;
Subsidiair

hij op of omstreeks 31 mei 2018 te Tilburg [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] voornoemd met kracht tegen het been te schoppen en/of in het gezicht te slaan/stompen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken oogkas en/of een gebroken kaak en/of een gebroken jukbeen en/of tanden uit de mond tengevolge heeft gehad.
3

De dagvaarding is geldig.De rechtbank is bevoegd.De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
overwegingen

4

4.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan zware mishandeling. De officier van justitie baseert zich daarbij op de aangifte van [slachtoffer] , de geneeskundige verklaring over het letsel van aangeefster, de foto’s van het letsel, de verklaringen van [naam 1] en [naam 2] (de kinderen van aangeefster) en op de verklaring van getuige [naam 3] . De officier van justitie is van mening dat de verklaring van verdachte dat hij door aangeefster en haar kinderen werd belaagd en dat hij haar uit zelfverdediging tegen het gezicht heeft geslagen niet op de waarheid berust en deze op zijn minst genomen niet aannemelijk is, gelet op het dossier en de bij verdachte vastgestelde psychische problematiek. Volgens de officier van justitie volgt uit vaste jurisprudentie dat het één keer tegen het gezicht slaan niet zonder meer zware mishandeling oplevert. Uit de feiten en omstandigheden in het dossier, in combinatie met het bij aangeefster toegebrachte letsel, is volgens de officier van justitie af te leiden dat verdachte aangeefster met kracht tegen het gezicht heeft geslagen. De officier van justitie is dan ook van mening dat verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat bij aangeefster zwaar lichamelijk letsel zou ontstaan, nu het gezicht en het hoofd door de aard en de vitale functies die hier zijn gesitueerd zijn bij uitstek een kwetsbaar gebied is.
4.2
Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft een beroep gedaan op de noodweer. De verdediging voert hiertoe aan dat op basis van de eigen verklaring van verdachte kan worden vastgesteld dat verdachte aangeefster één klap tegen het gezicht heeft gegeven, waardoor zij letsel aan haar gebit en kaak heeft opgelopen. Verdachte heeft zich echter door de houding van aangeefster dusdanig bedreigd gevoeld dat hij de klap heeft gegeven uit zelfverdediging. Het geven van één klap is volgens de verdediging proportioneel. Aan dit beroep op noodweer heeft de verdediging een integrale vrijspraak gekoppeld.
Indien de rechtbank van oordeel is dat geen sprake was van een noodweersituatie, stelt de verdediging zich op het standpunt dat het uitdelen van één enkele klap niet als zware mishandeling kan worden gekwalificeerd. De gevolgen voor het slachtoffer mogen daarvoor niet bepalend zijn. De verdediging verzoekt dan verdachte vrij te spreken van de primair tenlastegelegde zware mishandeling. De subsidiair tenlastegelegde mishandeling met zwaar lichamelijk letsel ten gevolg kan dan volgens de verdediging wel wettig en overtuigend worden bewezen.

4.3
Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.
Bewijsmiddelen

Aangeefster [slachtoffer] (woonachtig aan de [adres 2] te Tilburg) heeft verklaard dat zij op 31 mei 2018, omstreeks 14:45 uur, als bestuurster samen met haar twee kinderen in haar auto op de Kruisvaardersstraat in Tilburg reed. Vervolgens is aangeefster de Pagestraat ingereden en zag ze aan de linkerkant van de weg een man op een fiets. De man fietste haar voorbij en ze hoorde de man zeggen “eej kijk eens uit”. Aangeefster is hierop uit haar auto gestapt en terwijl ze uit de auto stapte, hoorde ze de man zeggen “je hebt me geraakt”. De man kwam naar haar toegelopen waarop aangeefster tegen de man zei “ik heb je niet geraakt”. Vervolgens gaf de man haar een trap tegen haar rechterbeen. Ondertussen zag ze dat haar zoon bij haar kwam staan en boog ze zich voorover. Direct daarna voelde aangeefster een harde klap op haar lippen, waarbij ze voelde dat haar tanden naar binnen klapten.
Op 31 mei 2018 is aangeefster door een arts onderzocht. De arts heeft bij aangeefster het volgende uitwendig letsel waargenomen: twee naar binnen geslagen tanden, een bot(kaak)breuk en letsel aan de lippen en de neus. Verder is het gezicht van aangeefster rood en blauw gezwollen. De totale duur van de genezing wordt door de arts geschat op zeker één jaar. Bij de stukken bevinden zich tot slot ook foto’s van het letsel van aangeefster. Hierop is te zien dat aangeefster een blauwe plek op haar (boven)been heeft.

Verdachte heeft verklaard dat hij op 31 mei 2018 vanuit zijn huis aan de [adres 1] in Tilburg naar de stad fietste. Vervolgens kwam een auto met daarin drie personen hem tegemoet gereden. Verdachte stopte en zag dat ook de auto stopte en dat een vrouw uit de auto stapte. De vrouw kwam vervolgens naar hem toe gelopen. Verdachte heeft daarop de vrouw met zijn rechterhand tegen haar gezicht geslagen.

Op basis van voornoemde bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte aangeefster tegen haar been heeft geschopt en haar éénmaal tegen het gezicht heeft geslagen. Door die slag tegen haar gezicht heeft zij bovendien zwaar lichamelijk letsel opgelopen, te weten een gebroken kaak en twee uitgeslagen tanden.

De eerste vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of dit handelen van verdachte een zware mishandeling oplevert zoals primair is tenlastegelegd.

4.3.2
Zware mishandeling?

Voor een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde dient bij verdachte sprake te zijn geweest van opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, al dan niet in de vorm van voorwaardelijk opzet. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – in dit geval het zwaar lichamelijk letsel – is aanwezig indien verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaardt dat dat gevolg zal intreden. Voorts is van belang dat naar vaste rechtspraak bepaalde handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het niet anders kan, dan dat degene die die handelingen verricht de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard.
De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan zware mishandeling. Op grond van de inhoud van het dossier kan worden vastgesteld dat verdachte één keer hard tegen het gezicht van aangeefster heeft geslagen. Het geven van een enkele klap (vuistslag) tegen het gezicht is in beginsel niet van dien aard dat de kans op zwaar lichamelijk letsel aanmerkelijk is. Er is niet gebleken van feiten en/of omstandigheden die dat in dit geval anders zouden maken. De enkele omstandigheid dat de klap ernstig letsel heeft veroorzaakt, kan niet als zodanige omstandigheid worden aangemerkt. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte geen opzet heeft gehad – ook niet in voorwaardelijke zin – op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en zal verdachte daarvan vrijspreken.

4.3.3
Mishandeling en het beroep op noodweer

Gelet op de onder 4.3.1 genoemde bewijsmiddelen is de rechtbank wel van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, zoals subsidiair is tenlastegelegd. In dat verband heeft de verdediging een beroep gedaan op noodweer.
Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat sprake moet zijn geweest van een noodweersituatie, dat wil zeggen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding tegen eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed, waarbij de verdediging noodzakelijk en proportioneel moet zijn. Voor de rechtbank is echter niet aannemelijk geworden dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederechtelijke aanranding van verdachte, waartegen hij zich op deze wijze moest verdedigen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Het is alleen verdachte die bij de politie en de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij is aangevallen door aangeefster en haar kinderen. Hij zou meermalen geschopt en geslagen zijn. Van enig letsel bij aangever blijkt echter niet uit het dossier en dat is op zitting ook niet door de verdediging gesteld. Verder is er alleen getuige [naam 3] die bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij dacht dat verdachte en aangeefster stonden te stoeien midden op straat. Ook uit zijn verklaring blijkt echter niet van het slaan of schoppen van verdachte door aangeefster en/of haar kinderen. De rechtbank verwerpt daarom het beroep op noodweer.

4.4
De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
Subsidiair

op 31 mei 2018 te Tilburg [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] voornoemd met kracht tegen het been te schoppen en in het gezicht te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak en tanden uit de mond ten gevolge heeft gehad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6

6.1
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van één jaar op te leggen met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis en ter observatie heeft doorgebracht. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat – ondanks de weigerende houding van verdachte – uit de rapportage van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) en uit de toelichting van de deskundigen ter zitting blijkt dat bij verdachte sprake is van een chronisch psychotische stoornis van het gedesorganiseerde type en dat deze stoornis ten tijde van het nu voorliggende feit ook aanwezig was. De officier van justitie acht verdachte (sterk) verminderd toerekeningsvatbaar. Volgens de officier van justitie is sprake van een groot recidivegevaar wat maakt dat aan verdachte tevens de maatregel Terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met dwangverpleging dient te worden opgelegd.
6.2
Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat bij verdachte geen sprake is van een stoornis, nu hij naar eigen zeggen niets mankeert. Voor zover de rechtbank meent dat verdachte - op zijn minst genomen - behandeling nodig heeft, stelt de verdediging dat oplegging van de maatregel TBS met dwangverpleging een zwaar middel is en dat onvoldoende is onderzocht of een lichtere maatregel tot de mogelijkheden behoort. Tevens verzoekt de verdediging om een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd.
6.3
Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft het slachtoffer zonder een echte aanleiding tegen haar been getrapt en tegen het gezicht geslagen, waardoor zij zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Door aldus te handelen heeft verdachte laten zien geen enkel respect te hebben voor de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Door dit geweld is het slachtoffer angst aangejaagd en heeft zij pijn en letsel gekregen. Het is algemeen bekend dat dergelijk geweld, naast lichamelijk leed, voor het slachtoffer gedurende lange tijd grote psychische gevolgen met zich kan brengen. Dat is ook gebleken uit de slachtofferverklaring van aangeefster, zoals voorgelezen ter zitting. Daarin is bevestigd dat het voorval ook bij haar twee aanwezige kinderen gevoelens van onmacht en onveiligheid heeft opgeroepen. Bovendien vond het geweld overdag plaats op straat, zodat ook andere omstanders en passanten hebben kunnen zien dat het daar zomaar ineens niet veilig kan zijn.
De rechtbank heeft verder acht geslagen op het strafblad van verdachte van 11 maart 2019. Daaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor mishandeling.

Tot slot heeft de rechtbank acht geslagen op de over verdachte opgemaakte Pro Justitia rapportage van het NIFP, locatie Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) van 11 februari 2019, opgesteld door de heer M. Fluit, psychiater en mevrouw G.M. Jansen, GZ- psycholoog (hierna: de deskundigen). Verdachte heeft geweigerd om mee te werken aan het onderzoek in het PBC. Desondanks hebben de deskundigen het volgende in overweging gegeven.

Bij verdachte is sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van een chronisch psychotische stoornis, vermoedelijk in het kader van schizofrenie van het gedesorganiseerde type. Deze stoornis is al langere tijd bij verdachte aanwezig. Gezien het beloop van de stoornis is het psychotisch proces te omschrijven als een schizofreniespectrumstoornis. De deskundigen zijn van mening dat deze stoornis ook ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde aanwezig was. De deskundigen achten verdachte ten minste verminderd tot sterk verminderd toerekenbaar ten tijde van het plegen van het strafbare feit, nu zijn schizofreniespectrumstoornis met fluctuerende paranoïde psychotische ontregelingen, zijn functioneren al over een langere tijd beïnvloedden en hebben geleid tot een verval in zijn functioneren.

De deskundigen menen dat de ernst en de combinatie van de ziekelijke stoornissen een langer durende behandeling vergen. Verder zijn de deskundigen van mening dat het risico op herhaling van het onverwacht gebruik van geweld voor de korte en de langere termijn zal blijven bestaan bij gelijkblijvende omstandigheden. Om deze redenen dient een langer durend behandeltraject te worden ingezet, waarin psycho-educatie (gericht op het ziektebesef- en inzicht), het ontwikkelen van behandelmotivatie en het accepteren van farmo-therapie moeten plaatsvinden. De maatregel TBS met voorwaarden wordt door de deskundigen als niet haalbaar beschouwd, nu het verdachte ontbreekt aan enige vorm aan inzicht in zijn ziekte en bij eerdere behandelpogingen is gebleken dat hij geen behandelmotivatie heeft waardoor behandeling niet van de grond is gekomen. Om voornoemde reden wordt ook behandeling in het kader van bijzondere voorwaarden als niet haalbaar beschouwd. De deskundigen adviseren om verdachte de maatregel TBS met dwangverpleging op te leggen.
Ter zitting hebben de deskundigen de door hen opgestelde rapportage toegelicht en aangevuld. Volgens hen betreft verdachte een “doodzieke jongen”. Hoewel zij verdachte tijdens zijn verblijf in het PBC niet indringend hebben kunnen spreken, vermoeden zij dat bij verdachte, gelet op zijn complexe en opvallende gedragspatroon met achterdochtige en psychotische uitlatingen en agressieve uitbarstingen, sprake is van een schizofreniespectrumstoornis van het gedesorganiseerde type. De deskundigen blijven bij de conclusie dat verdachte niet als volledig ontoerekeningsvatbaar, maar als (sterk) verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd. Het psychotisch toestandsbeeld van verdachte fluctueert; op momenten is hij helder van geest, maar er zijn ook momenten waarbij zijn realiteit is verstoord, wat bij verdachte achterdocht en agressiviteit oproept. Ter onderbouwing noemt psychiater Fluit het voorbeeld van een legpuzzel: op sommige plekken is de puzzel intact, maar op sommige plekken ontbreken puzzelstukjes of liggen de stukjes op de verkeerde plek. Het recidivegevaar van verdachte wordt daardoor als hoog ingeschat. De deskundigen menen dat verdachte door het gebruik van passende medicatie meer in de realiteit zal komen te staan. Dat zal ertoe leiden dat hij zijn agressie beter kan beheersen en beter kan omgaan met onverwachte situaties.
De rechtbank is van oordeel dat de PBC-rapportage op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de bevindingen van de deskundigen worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank maakt de conclusies van de deskundigen daarom tot de hare.

Gelet op de inhoud van de PBC-rapportage, de toelichting van de deskundigen ter zitting, de ernst van het feit en het strafblad van verdachte is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van TBS noodzakelijk is. De rechtbank realiseert zich dat het opleggen van de maatregel van TBS een zeer verstrekkende is. Zonder behandeling vormt verdachte echter een gevaar voor de veiligheid van anderen, terwijl behandeling anders dan in het kader van een TBS maatregel niet tot de mogelijkheden behoort. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat voldaan wordt aan de eisen die de wet daaraan stelt, te weten:

De rechtbank acht, gelet op de ernst van de problematiek en het gevaar dat verdachte voor anderen oplevert, dwangverpleging noodzakelijk. De rechtbank betrekt daarbij dat (langdurige) behandeling anders dan in het kader van een TBS maatregel niet mogelijk is. Voor een TBS maatregel met voorwaarden ziet de rechtbank geen ruimte, omdat verdachte niet bereid is mee te werken aan een behandeling. Blijkens het rapport van de psychiater en de psycholoog kan daarmee onvoldoende de veiligheid van de maatschappij worden gegarandeerd.

De rechtbank overweegt voorts dat de maatregel van TBS zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Daarnaast acht de rechtbank een gevangenisstraf noodzakelijk. De officier van justitie is bij haar strafeis uitgegaan van een bewezenverklaring van zware mishandeling. Nu de rechtbank slechts mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, bewezen acht legt zij, mede gelet op straffen die voor soortgelijke straffen worden opgelegd, een lagere straf op dan die door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank acht een gevangenisstraf van 2 maanden passend en geboden.

- bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van het feit een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens; - op het gepleegde misdrijf is een gevangenisstraf van vier jaren of meer gesteld; - de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist die maatregel.
7

7.1
De vordering van [slachtoffer]

heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd. [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 24.014,99 (inclusief wettelijke rente € 24.266,19), waarvan € 14.014,09 ter zake van materiële schade. De materiële schade betreft:
en het verlies van zelfwerkzaamheid en arbeidsvermogen (€ 464,44).Daarnaast vordert [slachtoffer] € 10.000,- ter zake van immateriële schade.
- kledingschade (€ 50,-);- kosten voor het verblijf in het ziekenhuis (€ 90,-);- parkeer- en vervoerskosten (€ 137,13);- medische kosten, inclusief incassokosten en toekomstige behandelingen (€ 8.865,82);- kosten van verzorging en begeleiding (€ 700,-);- kosten met betrekking tot huishoudelijke hulp (€ 3.707,60)
7.2
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie verzoekt om de vordering van [slachtoffer] geheel toe te wijzen, uitgezonderd de opgevoerde incassokosten. Voor die afwijzing voert de officier van justitie aan dat het gezin van aangeefster voorafgaand aan het feit al door een bewindvoerder werd begeleid en dat juist door een bewindvoerder schadebeperkend moet worden opgetreden. Ook vordert de officier van justitie in beide vorderingen de vergoeding van de wettelijke rente vanaf 31 mei 2018 en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.3
Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit primair om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, nu de vordering een onevenredige belasting van het strafproces oplevert.
De verdediging betwist subsidiair de opgevoerde materiële kostenposten: kledingschade, kosten met betrekking tot het verblijf in het ziekenhuis en de parkeer- en vervoerkosten. Ook betwist de verdediging de medische kosten die de benadeelde heeft opgevoerd met betrekking tot de (tandarts)behandelingen in de toekomst. Bovendien zijn de kosten van verzorging en begeleiding en de kosten met betrekking tot huishoudelijke hulp, verlies van zelfwerkzaamheid en verlies van arbeidsvermogen niet vast te stellen, nu onder meer onduidelijk is hoe de (huishoudelijke) taakverdeling voorafgaand aan het strafbare feit was. Gelet op het letsel bij aangeefster is het bovendien niet op voorhand duidelijk dat door aangeefster in het geheel geen huishoudelijk werk kan worden verricht. De verdediging verzoekt dan ook de betwiste schadeposten af te wijzen. Tot slot meent de verdediging dat door een benadeelde partij schadebeperkend te werk moet worden gegaan en dat het oplopen van incassokosten niet in rekening bij verdachte kan worden gebracht.
Ten aanzien van de immateriële schade is de verdediging van mening dat het verzochte bedrag te hoog is. De verdediging verzoekt om dit bedrag te matigen.

7.4
Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij rechtstreekse immateriële schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank waardeert deze schade, gelet op de bedragen aan immateriële schade die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, op € 2.000,-. De vordering voor de immateriële schade zal dan ook tot dit bedrag worden toegewezen. Voor het overige deel zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan zij de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank is ten aanzien van de door [slachtoffer] gevorderde materiële schade van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat [slachtoffer] materiële schade heeft geleden. De rechtbank acht de kostenposten:

en de medische kosten ( € 5.725,23), met uitzondering van de incassokosten en de toekomstige kosten voor (tandarts)behandelingen, voor toewijzing vatbaar. De vordering met betrekking tot de materiële schade zal dan ook tot een bedrag van € 6.002,36 worden toegewezen.
Nader onderzoek naar de overige gevorderde schadeposten:

en het verlies van zelfwerkzaamheid en arbeidsvermogen,zou leiden tot een onevenredige belasting van dit strafproces en de rechtbank zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Voor dat deel kan zij de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Dit geldt niet voor de opgevoerde incassokosten (€ 88,65), omdat de rechtbank van oordeel is dat deze kosten door de benadeelde partij vermeden hadden kunnen worden, temeer nu het gezin in die tijd al werd begeleid door een financieel bewindvoerder. Dit onderdeel van de vordering zal daarom worden afgewezen. De gevorderde wettelijke rente zal voorts worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit is gepleegd, te weten vanaf 31 mei 2018.
Met betrekking tot de toegewezen vorderingen zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Dat betekent dat het bedrag zal worden geïnd door het CJIB en dat als verdachte niet of niet tijdig betaalt, hechtenis kan worden toegepast als dwangmaatregel.

- kledingschade (€ 50,-):- kosten met betrekking tot het verblijf in het ziekenhuis (€ 90,-);- parkeer- en vervoerkosten (€ 137,13)
- kosten verzorging en begeleiding;- kosten met betrekking tot huishoudelijke hulp
8

De beslissing berust op de artikelen 9, 36f, 37a, 37b en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
beslissing

9

De rechtbank:
- van het onder primair tenlastegelegde feit;
- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert: Mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;- verklaart verdachte strafbaar;
- veroordeelt verdachte tot ;- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak inheeft doorgebracht;
- gelast de van verdachte, van overheidswege;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 8.002,36, waarvan € 6.002,36 ter zake van materiële schade en € 2.000,- ter zake van immateriële schade;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;- bepaalt dat de vordering voor incassokosten groot € 88,65 wordt afgewezen;- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] € 8.002,36 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf 31 mei 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, bij niet-betaling te vervangen door 75 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Vrijspraak

Bewezenverklaring

Strafbaarheid

Strafoplegging

Maatregel

Benadeelde partij [slachtoffer]

Dit vonnis is gewezen door mr. Kok, voorzitter, mr. Bogaert en mr. De Brouwer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. De Koster, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 6 juni 2019.

_4cb53ace-b062-4bf7-90db-1ac638332543
1

Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2018124765 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 99. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 31 mei 2018, p. 20-22.
_0ea7934a-e5d4-4b90-a4fd-1e5ef7da5b57
2

Het geschrift, te weten een geneeskundige verklaring betreffende aangeefster d.d. 11 september 2018, p. 28.

_31f1d0ea-259b-4d35-8162-42460cb5ab1f
3

Een bijlage op p. 33 behorend bij het proces-verbaal van bevindingen op p. 30.

_e8ebb512-9a20-4a16-8987-48f4d3d50bfe
4

Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 12 juni 2018, p. 81-84.