Uitspraak ECLI:NL:RBZWB:2019:2223

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 17-05-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 17-05-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBZWB:2019:2223, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 02-665265-18


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/665265-18

vonnis van de meervoudige kamer van 17 mei 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] ,wonende te [adres] .

ECLI:NL:RBZWB:2019:2223:DOC
nl

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/665265-18

vonnis van de meervoudige kamer van 17 mei 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] ,wonende te [adres] .
1

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 29 maart 2019. Tegen verdachte is verstek verleend. De officieren van justitie, mr. Van Setten en mr. Hermans, hebben hun standpunt kenbaar gemaakt.
2

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht ter zake dat
- een of meer voorwerp(en), te weten
- oplichting (artikel 326 Wetboek van Strafrecht) en/of
-

- computervredebreuk (artikel138ab Wetboek van Strafrecht) en/of- aantasting of manipulatie van computergegevens (artikel 350a Wetboek van Strafrecht) en/of- diefstal door middel van braak/verbreking, inklimming en/of een valse sleutel (artikel 311 Wetboek van Strafrecht) en/of- witwassen (artikel 420bis Wetboek van Strafrecht).
1.hij op een (of meer) tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 16 juni 2017 tot en met 05 augustus 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal,tezamen in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van een of meer voorwerp(en), te weten* een of meer goed(eren) (van [naam 1] / [naam 2] / [naam 3] ) en/of* een of meer geldbedrag(en) (oa 2094,09 euro) de werkelijke aard en/of herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing en/of heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of verborgen wie de rechthebbende op dat/die geldbedrag(en) en/of voorwerpen is/zijn, en/of
* een of meer goed(eren) (van [naam 1] / [naam 2] / [naam 3] ) en/of* een of meer geldbedrag(en) (oa 2094,09 euro)heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat het (een) - onmiddellijk of middellijk - van (al dan niet uit eigen) misdrijf afkomstig(e) geldbedrag(en) betrof(fen);
2.hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 5 augustus 2017 te Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meermalen (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen, een of meer geldbedragen, te weten [ZD [naam 14] ] tot een bedrag van EUR 2094,09 geheel of ten dele toebehorende aan [naam 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich (telkens) de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen geldbedrag(en) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door gebruik te maken van een niet op zijn, verdachtes en/of mededader(s), naam gestelde bankpas en/of pincode en/of bankrekening,in elk geval een sleutel tot het gebruik waarvan hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s) niet is/zijn/was/waren gerechtigd;
3.hij in de periode van 01 december 2016 tot en met 31 oktober 2017 te Oosterland en/of Amsterdam en/of Almere, in elk geval een of meer plaats(en) in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, gericht tegen (klanten van) de [naam 5] , namelijk
3

De dagvaarding is geldig.De rechtbank is bevoegd.De officieren van justitie zijn ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
overwegingen

4

4.1
Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie achten wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de drie tenlastegelegde feiten heeft gepleegd en baseren zich daarbij op de aangifte van [naam 4] , het telefoonverkeer tussen medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna te noemen: [medeverdachte 1] ) en verdachte, het telefoonverkeer tussen [medeverdachte 1] en medeverdachte [medeverdachte 2] en de beelden van de pintransacties.
4.2
Het oordeel van de rechtbank

Aangeefster [naam 6] verklaart dat zij werkt voor [naam 7] , welke B.V. eigenaar is van (onder andere) [naam 4] Op 7 augustus 2017 werd zij gebeld door de eigenaresse, mevrouw [naam 8] , die haar vertelde dat het bedrijf was opgelicht. Er zou een hoop geld verloren zijn en de [naam 5] had de rekeningen bevroren. Aangeefster en de eigenaresse herinnerden zich een e-mail, waarvan zij dachten dat die van de [naam 5] afkomstig was, waarin stond dat de bankpassen van het bedrijf vervangen moesten worden. Zowel aangeefster als haar werkgeefster twijfelde niet aan de mail, waarop aangeefster (op 2 augustus 2017) op de link in de mail klikte. Aangeefster moest inloggen met de [naam 13] , maar dit mislukte. Later die ochtend werd zij gebeld door een persoon die zich kenbaar maakte als medewerkster van de [naam 5] . Zij gaf aan dat was opgevallen dat het inloggen niet gelukt was en dat zij wilde helpen. Aangeefster heeft de telefoon aan mevr. [naam 8] gegeven. Mevr. [naam 8] heeft haar verteld dat zij, samen met de dame aan de telefoon, nieuwe passen heeft aangevraagd. Daarvoor moest worden ingelogd.Op 5 augustus 2017 werd in totaal € 2094,09 overgeschreven van de rekening van [naam 7] naar een rekening op naam van [naam 9] . Op de afschriften was te zien dat dit in twee transacties gebeurde, waarna er diverse betalingen werden gedaan.Op een onder [medeverdachte 1] in beslag genomen telefoon werd een gesprek aangetroffen met een persoon genaamd ‘ [naam 10] ’. [medeverdachte 1] spreekt deze persoon op 5 juli 2017, om 20:49 uur aan met “ [naam 11] ” en vraagt hem of hij nog barro heeft. Op 5 augustus 2017, om 18:57 uur, stuurt ‘ [naam 10] ’ een foto van een pinpas van [naam 9] . Tussen 5 augustus 2017, 19:23 uur en 6 augustus 2017, 00:59 uur, werd er in totaal € 1.750,44 gepind met deze pinpas. Op de beelden, behorend bij een aantal van deze transacties, is een man te zien die niet lijkt op [naam 9] . Verbalisant [naam 12] vergelijkt de foto’s van deze transacties met bekende foto’s van verdachte en stelt vast dat het om dezelfde persoon gaat. Daarbij merkt de verbalisant op dat verdachte in een eerdere zaak heeft verklaard zichzelf op beelden te herkennen. Op deze beelden draagt verdachte dezelfde kleren als op beelden die bij deze feiten horen.
Feiten 1 en 2

De rechtbank stelt vast dat verdachte betrokken is geweest bij het pinnen van geld van de rekening van [naam 9] . Dit geld was, kort daarvoor, vanuit een rekening van [naam 4] . doorgeboekt naar deze rekening. De rechtbank is van oordeel dat, door het overmaken van het geld, al sprake was van een voltooide diefstal. Het geld is op dat moment immers buiten de beschikkingsmacht van [naam 7] , en binnen die van degene die de beschikkingsmacht heeft over de rekening van [naam 9] . Dat verdachte blijkbaar op enig moment de beschikking heeft gehad over de pinpas van deze rekening, wil niet zeggen dat hij ook bij de overboekingen betrokken is geweest. De rechtbank ziet hier wel aanknopingspunten voor, vanwege de door verdachte doorgestuurde foto van de pinpas, maar gelet op het tijdstip van verzending van de foto, te weten ná de overboekingen op die rekening, kan niet met voldoende mate van zekerheid worden gesteld dat het verdachte was die een bijdrage leverde aan de diefstal. Nu uit geen van de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte aan die overboekingen, en dus aan de diefstal, heeft bijgedragen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 2.
Wel acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte geld heeft witgewassen. Uit de aangifte van zowel [naam 6] als van de [naam 5] blijkt dat het geld afkomstig is van de rekening van [naam 4] en zonder hun toestemming is overgeboekt naar de rekening van [naam 9] . Dat het geld afkomstig is van “enig misdrijf”, staat daarmee vast. Gedurende de avond, opvolgend aan de overboeking, zijn meerdere pintransacties gedaan tot een hoogte van € 1750,44 vanaf de rekening van [naam 9] . De rechtbank is van oordeel – gelet op hetgeen hiervoor reeds is overwogen – dat het verdachte is geweest die deze bedragen heeft uitgegeven. Het doen van deze pintrasacties betreft een handeling die, naar het oordeel van de rechtbank, bedoeld is om de herkomst van het geld te verhullen. Zolang het geld immers ‘giraal’ is, laat het een spoor na. Dit spoor stopt pas op het moment dat het geld wordt opgenomen. Verdachte heeft geen verklaring willen afleggen, ondanks dat hij op de beelden wordt herkend. De rechtbank is van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte – die heeft gezwegen – wist dat zijn handelingen te maken hadden met criminele activiteiten, onder meer gelet op de tijdstippen dat er geprobeerd werd te pinnen, de hoogte van de bedragen, en het feit dat deze niet op naam van verdachte zelf stonden.De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van € 1.750,44.
Feit 3

Voor het vaststellen van het bestaan van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 Sr blijken uit de geldende jurisprudentie de navolgende criteria.Er moet sprake zijn van een samenwerkingsverband, van twee of meerpersonen met een zekere duurzaamheid en structuur en een bepaalde organisatiegraad, dattot (feitelijk en gewenst) doel heeft het plegen van misdrijven. De deelnemers aan zo’n organisatie dienen niet ieder voor zich, maar in het verband van deze organisatie te participeren en dus te behoren tot de organisatie. Daarbij is het niet noodzakelijk dat zij bekend waren met alle andere personen die deel uitmaakten van de organisatie dan wel met alle andere personen in de organisatie samenwerken. De samenstelling van het samenwerkingsverband hoeft niet steeds dezelfde te zijn geweest.Om iemand te kunnen aanmerken als deelnemer dient hij of zij tenminste een aandeel tehebben in, dan wel ondersteuning te verlenen aan, gedragingen die strekken tot ofrechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie.De bijdrage dient een zekere duur en intensiteit te hebben alvorens gesteld kan worden dat er sprake is van deelname. In dat verband is specifieke deelneming aan misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie is gericht niet nodig, maar wel de wetenschap van het plegen van misdrijven in zijn algemeenheid. Daarbij is voorwaardelijk opzet niet voldoende. Wetenschap van één of verscheidene concrete misdrijven is niet vereist. Evenmin enige vorm van opzet op de door de organisatie beoogde concrete misdrijven.
De rechtbank stelt vast dat uit het dossier kan worden afgeleid dat verdachte actief is geweest binnen de organisatie, in die zin dat hij betrokken is geweest bij het doen van betalingen met een pinpas van een ander, te weten [naam 9] . Hoewel verdachte hiermee een aandeel heeft gehad in de gedragingen die rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie, te weten diefstal, witwassen en de overige onder feit 3 op de tenlastelegging opgenomen delicten, kan niet worden gesteld dat sprake is van een samenwerkingsverband tussen verdachte en anderen met een zekere duur en/of intensiteit. Weliswaar komt verdachte vaker ‘in het dossier naar voren’ - zo is er een aantal filmpjes op de telefoon van [medeverdachte 1] aangetroffen waaruit afgeleid zou kunnen worden dat verdachte vaker te maken heeft gehad met soortgelijke feiten - maar de rechtbank is van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte een diepere betrokkenheid had dan die hier bewezen wordt verklaard. Een incidentele bijdrage van een verdachte – zonder dat een verdergaande binding met de organisatie kan worden vastgesteld - brengt nog niet met zich dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan ‘deelneming’ in de zin van artikel 140 Sr. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken voor feit 3.
4.3
De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1.hij op een (of meer) tijdstip(pen) gelegen in ofde periode van 16 juni 2017 tot en metin elk geval in Nederland,althans eenmaal, een ander of, althans alleeneen of meer()
* goederen (van [naam 2] / [naam 3] ) en* geldbedragen de herkomst heeft verhuld en- een of meer voorwerp(en), te weten* een of meer goed(eren) (van [naam 2] / [naam 3] ) en* een of meer geldbedrag(en) heeft verworven en/ofen/of heeft overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik gemaakt/of()()redelijkerwijs moest(en) vermoeden,(een)(al dan niet uit eigen)()()()
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6

6.1
De vordering van de officieren van justitie

De officieren van justitie vorderen aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van zes maanden. Daarbij vorderen de officieren van justitie de verbeurdverklaring van een bedrag ter hoogte van € 1.750,44.
6.2
Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen. Hoewel het niet aan verdachte wordt aangerekend, maakt deze daad wel onderdeel uit van een (veel) groter geheel. Kort gezegd was er sprake van een criminele organisatie die zich bezig hield met phishing van bankgegevens, waarna rekeningen werden leeggehaald. Het feit dat verdachte heef gepleegd was hierin de laatste schakel. Door het geld op te nemen van de rekening van [naam 9] , eindigt het spoor naar het geld en wordt het aan het zicht van politie en justitie onttrokken. Dat verdachte mogelijk niet op de hoogte was van het grotere geheel, doet aan de ernst van het feit niet af. Verdachte was bereid om, terwijl hij wist dat het niet in orde was, een groot bedrag te pinnen met een pinpas die niet op zijn naam stond. Verdachte heeft niet nagedacht over de gevolgen die dit voor andere met zich kon brengen, maar heeft alleen gedacht aan zijn eigen geldelijk gewin. De rechtbank neemt dit verdachte ernstig kwalijk.
De rechtbank constateert dat verdachte niet ter terechtzitting is verschenen. Dat maakt dat er geen bijzondere persoonlijke omstandigheden bekend zijn die door de rechtbank kunnen worden meegenomen. De rechtbank ziet wel dat verdachte een fors strafblad heeft en dat hij tussen het plegen van dit feit en de behandeling hiervan, al voor andere feiten is berecht en veroordeeld. Blijkbaar hebben deze bestraffingen geen dan wel onvoldoende indruk op verdachte gemaakt, nu hij desondanks door is gegaan met het plegen van strafbare feiten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat een forse voorwaardelijke straf noodzakelijk is om er voor te zorgen dat verdachte niet nog eens in de fout gaat.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en rekening houdend met de hierboven genoemde punten is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van een maand, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, alsmede een werkstraf voor de duur van 120 uur, met aftrek van het voorarrest naar rato van twee uur per dag, passend en geboden is.

7

7.1
De bewaring ten behoeve van de rechthebbende

De rechtbank zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen, aangezien thans niemand als rechthebbende kan worden aangemerkt.
7.2
De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.
8

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 63, 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
beslissing

9

De rechtbank:
- van de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten;
- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.3 is omschreven;- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
Feit 1:

- verklaart verdachte strafbaar;
- veroordeelt verdachte tot ;- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt verdachte tot ;- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, zal worden toegepast van ;- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf naar rato van 2 uur per dag;
- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 1, 2 en 3;- gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 4 en 5.
Vrijspraak

Bewezenverklaring

Strafbaarheid

Strafoplegging

Beslag

Dit vonnis is gewezen door mr. Felix, voorzitter, mr. Goossens en mr. Schild, rechters, in tegenwoordigheid van Van Rensch, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 17 mei 2019.

Beslag

_4b50581b-856e-4e11-86ff-c74ef86b6d3f
1

Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer DH3R017081 van politie Nederland, Eenheid Den Haag, districtsrecherche Den Haag Zuid, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Proces-verbaal van aangifte [naam 6] , pag. 35 “Algemeen dossier”
_fd72e28c-6f57-4993-9c12-01e5340c2dfa
2

Proces-verbaal van aangifte [naam 9] , “zaaksdossier 2”, pag. 23

_bf490c7a-8e56-4fea-ab74-ae5ee967d238
3

Proces-verbaal van bevindingen [naam 11] , “zaaksdossier 2”, pag. 113

_06bea47f-7358-4d2c-a6c8-f474183f29fb
4

Geschrift, rekeningafschrift van de rekening van [naam 9] , “zaaksdossier 2”, pag. 26

_d31638ad-a34d-4d0a-b8df-18189740a183
5

Proces-verbaal [naam 9] , “zaaksdossier 2”, pag. 9 e.v.

_6f56e5e2-68c3-4a01-bf5c-7856bd985762
6

Proces-verbaal identiteit [verdachte] , “zaaksdossier 2”, pag. 27 e.v.